Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-01-27
ECLI:NL:RBDHA:2021:10480
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,237 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/149
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.A.J. West),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. A.M. Buijs).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Mersault Perrieres B.V., te Den Haag, vergunninghouder,
(gemachtigde: mr. V.A.C. de Gier).
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2019 (het primaire besluit) is aan vergunninghouder een terrasvergunning verleend.
Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 26 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (commissie) van 26 november 2019, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 2 juni 2020 heeft de derde-partij een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een videoverbinding op 16 december 2020. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder hebben deelgenomen aan de videoverbinding. Tevens heeft de vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde, hieraan deelgenomen.
Overwegingen
1. Vergunninghouder exploiteert sinds 15 januari 2019 wijnbar annex wijnwinkel ‘Pierre’ aan de [weg] [huisnummer] te [plaats] . Op 17 januari 2019 heeft vergunninghouder, als rechtsopvolger van Vin Du Denneweg B.V, aan wie eerder een exploitatievergunning was verleend, aanvragen ingediend voor een exploitatievergunning, een drank- en horecavergunning en een terrasvergunning.
1.1.
Bij het primaire besluit is de gevraagde terrasvergunning aan de vergunninghouder bij wijze van pilot en onder voorschriften verleend voor een zomer- en winterterras op een parkeerplaats ten behoeve van de inrichting [weg] [huisnummer] , voor de periode 1 maart 2019 tot en met 3 augustus 2022. Verweerder heeft de gevraagde vergunning verleend, omdat zich geen weigeringsgrond, als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV) voordoet. De Adviescommissie Openbare Ruimte (ACOR), de Dienst Stedelijke Ontwikkeling, afdeling verkeer (DSO-Verkeer) en het Vooroverleg over Verkeerszaken (VOV) hebben een positief advies uitgebracht over het terras. Verweerder heeft de aanvraag tevens getoetst aan de “Beleidsregels vergunningverlening terrassen Den Haag 2016” (hierna: de Beleidsregels), en op grond daarvan voorschriften aan de vergunning verbonden.
1.2.
Bij besluit van 14 mei 2019 zijn de exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning aan de vergunninghouder verleend. Dit is bij het bestreden besluit van 8 april 2020 gehandhaafd. Het beroep van eiser, gericht tegen dit besluit, is bij uitspraak van deze rechtbank van 30 september 2020, in de zaken ECLI:NL:RBDHA:2020:10231 en ECLI:NL:RBDHA:2020:10232, gegrond verklaard. In die uitspraak heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 6.3., 7 en 8 het volgende overwogen:
“De rechtbank gaat er op grond van de stukken van uit dat de wijnwinkel annex wijnbar ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan “Binnenhof e.o.” in november 2013 feitelijk aanwezig was, maar dat het gebruik als “(middel-)zware” horeca-inrichting niet in overeenstemming was met de toen geldende gemengde bestemming. Daardoor kon VDD (en kan haar rechtsopvolger) geen geslaagd beroep doen op dit specifieke gebruiksovergangsrecht. Dat overgangsrecht is uitdrukkelijk niet bedoeld om een horeca-inrichting die niet in overeenstemming was met het voorheen geldende regime te legaliseren. Dit zou zich immers niet verdragen met de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 3.2.2, vierde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), welke bepaling dezelfde strekking heeft als artikel 33.2, vierde lid, van de planregels. Het oordeel van verweerder dat het specifieke gebruiksovergangsrecht van artikel 5.5, onder b, van de planregels ook ziet op gebruik dat reeds is strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan, kan derhalve niet worden gevolgd.
Het voorgaande betekent dat verweerder in verband met artikel 2:28, vijfde lid, onder a, van de APV de aangevraagde exploitatievergunning had moeten weigeren. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, tevens aanleiding om, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen.”
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie) van 26 november 2019, ongegrond verklaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep – kort samengevat – aan dat hij ervan overtuigd is dat onrechtmatig en onzorgvuldig wordt gehandeld jegens hem. Eiser wijst in dit verband op diverse procedures die hij eerder heeft gevoerd die verband houden met de horeca-activiteiten van vergunninghouder en zijn voorganger en de onrechtmatige besluitvorming door verweerder. In het verleden is consequent tegen een terrasvergunning besloten. De positieve adviezen die ten grondslag zijn gelegd aan de verlening van de bestreden terrasvergunning zijn gebaseerd op een sturende werking van een jurist bij de gemeente. Eiser voert verder aan dat de van toepassing verklaarde regelgeving niet ziet op terrassen op parkeerplaatsen en dat de specifieke weigeringsgronden van artikel 2:10 van de APV van toepassing zijn.
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. Bij brief van 17 november 2020 heeft eiser aangevoerd dat geen terrasvergunning had mogen worden verleend, omdat de verleende exploitatievergunning is komen te vervallen, onder verwijzing naar de onder rechtsoverweging 1.2. genoemde uitspraak van 30 september 2020. Dat geen terrasvergunning kan worden verleend zonder exploitatievergunning volgt ook uit de systematiek van de APV, uit de uitspraak van rechtbank Gelderland van 7 juli 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4382 en uit voorschrift 3 van de terrasvergunning zelf.
5.1.
Verweerder heeft zich bij brief van 10 december 2020 op het standpunt gesteld dat een exploitatievergunning geen vereiste is bij het verlenen van een terrasvergunning. Verweerder toetst bij een aanvraag om een terrasvergunning alleen of het terras in de openbare ruimte past. Er is geen wettelijke grondslag om een terrasvergunning te weigeren indien geen exploitatievergunning is verleend. Een exploitatievergunning en een terrasvergunning zijn niet aan elkaar gekoppeld in de gemeente Den Haag.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtsprak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:534, volgt dat bij de beslissing omtrent het verlenen van een terrasvergunning geen integrale afweging kan worden gemaakt van alle in het gebied betrokken ruimtelijk relevante belangen. Bij de beoordeling van een aanvraag van een terrasvergunning wordt slechts getoetst aan de voorschriften in de APV. Dit betekent dat de aanvraag slechts kan worden geweigerd, indien deze niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 2:10, derde lid, van de APV.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid vanmr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2021.
griffier rechter
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.