Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-05-11
ECLI:NL:RBDHA:2020:4909
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste en enige aanleg
1,657 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.9619
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 3 december 2019 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 14 april 2020 (in de zaak NL20.7787) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering in de zin van artikel 15, vierde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) is. In dit verband wijst eiser erop dat vanwege het coronavirus niet naar Algerije wordt gevlogen en dat de Algerijnse ambassade gesloten is.
4.1
De rechtbank overweegt als volgt. Deze door eiser aangevoerde gronden zijn reeds betrokken bij de uitspraak van 14 april 2020. Voorts verwijst de rechtbank naar de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) waarin is geoordeeld dat de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus op dit moment nog aan te merken zijn als een tijdelijke belemmering. Het is weliswaar niet uit te sluiten dat de situatie nog enige tijd zal voortduren, maar op dit moment kan nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Eiser voert verder aan dat de vreemdelingendetentie in detentiecentrum
Rotterdam onrechtmatig is, gelet op artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn. Eiser stelt dat
geen sprake is van een speciale inrichting voor vreemdelingenbewaring omdat het
detentiecentrum ook is aangewezen als huis van bewaring en het regime is gebaseerd op de
Penitentiaire beginselenwet. Voorts stelt eiser dat zijn vrijheid vanwege het coronavirus sterk beperkt is. Eiser mag maar drie uur per dag luchten en zit de rest van de tijd opgesloten in zijn cel. Eiser mag geen bezoek ontvangen. Onder deze omstandigheden is sprake van strafrechtelijke detentie. Het voortduren van de maatregel is daarom onrechtmatig in de zin van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn.
5.1
Voor zover eiser zich beklaagt over de in het detentiecentrum Rotterdam geldende maatregelen in het kader van het coronavirus, kan de rechtbank daar niet over oordelen. De rechtbank moet zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime en dient de rechtbank in dat kader mede te toetsen aan artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank verwijst daarbij naar uitspraken van de Afdeling waarin ook is overwogen dat een klacht over de toepassing van het regime niet kan leiden tot gegrondbevinding van het beroep (ECLI:NL:RVS:2005:15 en ECLI:NL:RVS:2013:3398). Eiser kan die problemen aankaarten binnen het detentiecentrum.
5.2
Hetgeen eiser aanvoert is onvoldoende voor het oordeel dat het geldende regime in strijd is met de Terugkeerrichtlijn of anderszins onrechtmatig. De rechtbank volgt hetgeen zittingsplaats Amsterdam in haar uitspraak van 14 april 2020 reeds heeft overwogen, namelijk dat de enkele omstandigheid dat het detentiecentrum Rotterdam ook als huis van bewaring is aangewezen niet kan leiden tot de conclusie dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. De omstandigheid dat het regime is gebaseerd op de Penitentiaire beginselenwet kan tevens op zichzelf niet leiden tot strijdigheid met artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. De overige door eiser gestelde beperkingen hebben betrekking op de toepassing van het regime binnen het detentiecentrum, welke in deze procedure niet aan de rechtbank ter beoordeling staan. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om daar prejudiciële vragen over te stellen.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Deze uitspraak is gedaan op:
Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.