Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-05-18
ECLI:NL:RBDHA:2020:4882
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,456 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.10247
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 2 maart 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 april 2020 (in de zaak NL20.7847) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is vanwege het coronavirus. Eiser zit sinds 7 januari 2020 in vreemdelingenbewaring. Hij is gepresenteerd bij de autoriteiten van Tanzania en de autoriteiten van Kenya. Echter, als gevolg van het coronavirus geven de Kenyaanse autoriteiten momenteel geen enkel reisdocument af. Onduidelijk is of en wanneer de autoriteiten daartoe over zullen gaan. Zelfs als aan eiser een reisdocument wordt verstrekt, kan hij niet uitgezet worden omdat er wereldwijd nagenoeg geen vliegverkeer plaats vindt. Voorts is op de website van de autoriteiten van Tanzania vermeld dat alle personen die het land inreizen op eigen kosten 14 dagen in quarantaine moeten in een door de autoriteiten aangewezen accommodatie. Eiser heeft geen middelen om deze quarantaine te bekostigen en zal dus de toegang worden geweigerd.
4.1
Deze door eiser aangevoerde gronden zijn reeds betrokken bij de uitspraak van 9 april 2020. Voorts verwijst de rechtbank naar de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) waarin is geoordeeld dat de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het Coronavirus op dit moment nog aan te merken zijn als een tijdelijke belemmering. Het is weliswaar niet uit te sluiten dat de situatie nog enige tijd zal voortduren, maar op dit moment kan nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden.
Deze beroepsgronden slaagt daarom niet.
5. Eiser voert verder aan dat nu zicht op uitzetting ontbreekt en de bewaring bovendien wordt uitgevoerd in een uitermate streng regime, waarbij eiser 20 uur per dag in zijn cel
moet blijven, de bewaring geen enkel redelijk doel meer dient en daarom dient te
worden opgeheven. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:3270).
5.1
Ten aanzien van eisers betoog dat zicht op uitzetting ontbreekt, verwijst de rechtbank naar de overwegingen onder 4.1. Eisers verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Den Bosch van 25 maart 2020 treft reeds hierom, en omdat het geen vergelijkbaar geval betreft, geen doel. Voor zover eiser zich beklaagt over de reeds genomen maatregelen in het kader van het coronavirus, kan de rechtbank daar niet over oordelen. De rechtbank moet zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring beperken tot de locatie van de inbewaringstelling, in het licht van het daar geldende regime. De rechtbank verwijst daarbij naar uitspraken van de Afdeling waarin ook is overwogen dat een klacht over de toepassing van het regime niet kan leiden tot gegrondbevinding van het beroep (ECLI:NL:RVS:2005:15 en ECLI:NL:RVS:2013:3398). Eiser kan die problemen aankaarten binnen het detentiecentrum.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Deze uitspraak is gedaan op:
Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.