Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2020-10-06
ECLI:NL:RBDHA:2020:10107
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,375 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/7951
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] (Duitsland), eiser
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. F.J.M. de Boer).
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om schadeloos te worden gesteld voor verhuisschade op grond van artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), afgewezen.
Bij besluit van 11 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van een beeldverbinding (skype) op 9 september 2020. Hieraan hebben deelgenomen eiser en zijn echtgenote
K. van Smieren, en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Eiser is gedurende de periode 15 juli 2013 tot 1 augustus 2019 geplaatst geweest in de Verenigde Staten (VS). Tijdens zijn verhuizing van [plaats] naar de VS (Philadelphia) is de inboedel van eiser op 16 juli 2013 buiten zijn schuld en ten gevolge van die verhuizing beschadigd geraakt. Eiser heeft de opgetreden schade geclaimd bij het verhuisbedrijf Nedvan mobility Solutions B.V. (hierna: Nedvan), dat op zijn beurt de afdoening van de schade heeft overgedragen aan diens verzekeraar. Deze verzekeraar heeft aan eiser een bedrag van € 7.529,74 aan schadevergoeding uitgekeerd. Omdat eiser het niet eens was met de hoogte van het bedrag, is aan eiser – na bemiddeling van de Inspecteur Generaal der Krijgsmacht (IGK) – door Nedvan uit coulance en sans préjudice nog een bedrag van
€ 2.100,- aangeboden ter finale kwijting van de zaak. Eiser heeft dit bedrag niet geaccepteerd omdat eiser het bedrag ontoereikend vond.
2. Bij brief van 12 juli 2018 heeft eiser met een beroep op artikel 115 van het AMAR verweerder verzocht om hem volledig schadeloos te stellen voor de schade aan de inboedel ten gevolge van de verhuizing naar de VS. Eiser stelt dat niet hij maar verweerder een contract met het verhuisbedrijf heeft en dat het daarom aan verweerder is om het verhuisbedrijf in rechte aan te spreken op het niet correcte naleven van de overeenkomst.
3. Verweerder heeft in het primaire besluit aangegeven dat de afhandeling van de schade plaats dient te vinden tussen eiser – de expliciete opdrachtgever van de verhuizing –
en de uitvoerder van de verhuizing Nedvan. Nedvan heeft weliswaar een contract met Defensie om verhuizingen van defensiepersoneel te faciliteren, maar de resultaatverbintenis om daadwerkelijk inboedel te transporteren, is tussen eiser en Nedvan aangegaan.
4. Eiser heeft in bezwaar aangegeven dat de totale schade (bij de verhuizing in juli 2013) € 18.189,- bedraagt en dat hij na de uitkering van de verzekering nog een restschade ter hoogte van € 10.656,- heeft. Eiser is bereid echter genoegen te nemen met een redelijke compensatie ter hoogte van € 7.500,-.
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van het verzoek van eiser om schadeloosstelling op grond van artikel 115 van het AMAR, gehandhaafd.
Verweerder heeft toegelicht dat Defensie de rekening van de verhuizing van eiser heeft betaald, maar dat eiser zelf de verzekering via Nedvan heeft afgesloten. Eiser is voorgelicht over de voorwaarden van deze transportverzekering. In de voorwaarden bij het aanvraagformulier trasportverzekering is uitgelegd hoe schade wordt geclaimd en afgewikkeld. Defensie is hierin geen partij, maar kan een ondersteunende rol hebben.
Niet is gebleken dat jegens eiser in strijd met de verzekeringsvoorwaarden is gehandeld. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om gebruik te maken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 115 van het AMAR en de door eiser gewenste compensatie van nog € 7.500,- voor restschade toe te kennen, is er geen sprake, aldus verweerder.
6. Eiser heeft in de beroepsgronden, samengevat, het volgende aangevoerd.
De buitenproportionele schade aan de inboedel is ontstaan doordat het verhuisbedrijf zonder toestemming van eiser of zijn werkgever, en in strijd met de verzekeringsvoorwaarden, de container met de inboedel van eiser heeft ontladen en in tussentijdse opslag heeft geplaatst om kosten te besparen. Hierdoor is volgens eiser de transportverzekering komen te vervallen, omdat deze alleen van toepassing is van “deur tot deur, zonder tussentijdse opslag” en dient het verhuisbedrijf de schade te vergoeden. Eiser had geen keuze voor het verhuisbedrijf en was verplicht om daarmee te verhuizen. Eiser kan niets tegen het verhuisbedrijf beginnen, omdat niet eiser maar Defensie een contract met het verhuisbedrijf heeft. De transportverzekering valt binnen de raamovereenkomst tussen Defensie en het verhuisbedrijf. De redenen voor de afwijzing van het verzoek van eiser om schadeloosstelling kloppen niet. Er is geen sprake van goed werkgeverschap. Eiser is zes jaar bezig om compensatie te krijgen voor de schade door de verhuizing en hoopt met de onderhavige procedure het boek te kunnen sluiten. Ook bij de volgende drie verhuizingen van de inboedel heeft eiser schade geleden.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
7.1
Eiser heeft in de beroepsgronden schadeposten vermeld die op meerdere verhuizingen betrekking hebben. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat enkel de schade die eiser als gevolg van de eerste verhuizing (van [plaats] naar de VS in juli 2013) heeft geclaimd, binnen de reikwijdte van het bestreden besluit valt. De overige schadeposten vallen buiten de omvang van dit geding. De ter zitting door eiser gedane stelling dat de schade bij de vierde verhuizing eveneens op de eerste verhuizing betrekking heeft, is niet eerder aangevoerd en kan daarom niet meegenomen worden bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
7.2
Ingevolge artikel 115 van het AMAR kan verweerder de militair naar billijkheid schadeloos stellen voor schaden anders dan bedoeld in artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen en is hij bevoegd hieromtrent voor groepen van militairen regels te geven.
In de nota van toelichting bij artikel 115 van het AMAR (Stb. 1998, 528) is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Dit artikel vormt de grondslag voor overige onvoorziene financiële tegemoetkomingen aan de individuele militair. (…) Dit artikel biedt tevens de basis voor de mogelijkheid om de militair naar billijkheid schadeloos te stellen voor het verlies of de beschadiging van persoonlijke eigendommen door omstandigheden verband houdende met de uitoefening van de dienst. Alhoewel er niet in alle gevallen voor het rijk een schadevergoedingsplicht bestaat, dan wel deze niet is vastgesteld, kan er aanleiding bestaan op grond van billijkheid een schadevergoeding toe te kennen. De hoogte van de schadevergoeding is afhankelijk van de omstandigheden in het concrete geval, waarbij onder andere de risicoverdeling en verwijtbaarheid van de zijde van de militair een rol kan spelen. Schadevergoeding zal niet worden toegekend indien terzake van de geleden schade aanspraken jegens derden bestaan of geldend hadden kunnen worden gemaakt of de schade door een verzekering wordt gedekt. (…)”
7.3
De toepassing van artikel 115 van het AMAR door verweerder betreft een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat de toetsing van de in bezwaar gehandhaafde weigering om gebruik te maken van die bevoegdheid is beperkt tot de beantwoording van de vraag of, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van bedoelde bevoegdheid gebruik te maken, dan wel anders heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.
7.4
Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat artikel 115 van het AMAR kan worden gezien als uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als goed werkgever te gedragen. In dit kader kan deze bepaling worden gezien als het sluitstuk van de rechtspositionele bepalingen, waaraan in geval van bijzondere hardheid toepassing wordt gegeven (zie de uitspraak van 23 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2438).
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2020.
De griffier is
verhinderd te tekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.