Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:23498
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,046 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8364
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G. Blonk),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: kap. mr. J.H.L. Daamen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om financiële compensatie van de spaaruren die hij heeft opgebouwd in de jaren 2010 en 2012 en die per 31 december 2022 zijn komen te vervallen.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 3 januari 2023 genomen. Eiser heeft tegen het uitblijven van een beslissing op zijn tegen het primaire besluit ingediende bezwaar op 18 december 2023 bij de rechtbank een beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Met het besluit van 3 januari 2024 heeft verweerder alsnog op het bezwaar van eiser beslist en is hij bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser was als militair werkzaam bij Defensie en vervulde met ingang van 1 januari 2020 zijn laatste functie als SO Evaluation and Assesment met als standplaats Casteau – NAK/SHAPE. Met het besluit van 21 november 2022 is aan hem per 1 mei 2023 eervol leeftijdsontslag verleend.
3. Sinds 1 juli 2001 bestaat bij Defensie de mogelijkheid om bij tijdelijke verkorting van de arbeidsduur te kiezen voor de toekenning van maximaal acht spaaruren per maand. Eiser heeft vanaf het begin van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en door de jaren heen een groot aantal spaaruren opgebouwd. Hij heeft op 30 juni 2022 bij rekest verzocht om de verlenging van de bewaartermijn van zijn in 2008, 2009 en 2012 opgebouwde spaaruren. Daarnaast heeft eiser verzocht om financiële compensatie van de spaaruren die hij in 2010 heeft opgebouwd en die op 31 december 2022 (zijn) komen te vervallen.
Wat heeft verweerder besloten?
4. Voor zover het verzoek van eiser betrekking heeft op de spaaruren die eiser heeft opgebouwd in 2008 en 2009, heeft verweerder besloten om deze alsnog aan eiser uit te betalen. Verweerder geeft hiervoor als reden dat in het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 (AVW 2021-2023) met de vakcentrales is afgesproken dat de bewaartermijn van de reeds vervallen spaaruren die in 2008 en 2009 zijn opgebouwd, wordt verlengd tot 31 december 2023.
5. Voor zover het verzoek van eiser betrekking heeft op de spaaruren die eiser heeft opgebouwd in 2010 en 2012, heeft verweerder besloten om de bewaartermijn hiervan niet te verlengen en hiervoor evenmin financiële compensatie toe te kennen. Verweerder geeft aan dat het genieten van opgebouwde spaaruren het uitgangspunt is en dat het niet de bedoeling is dat deze gedurende langere tijd worden opgespaard en uiteindelijk bij dienstverlating worden uitbetaald. Het betreft de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer om vooruit te kijken en verlof in te plannen. In dat kader stelt verweerder dat eiser zelf de afweging heeft gemaakt om te kiezen voor de nieuwe Diensteinderegeling (nDer) door tegen het einde van zijn dienstverband nog een nieuwe functie in het buitenland te gaan vervullen. Daarmee heeft hij het risico genomen dat opgebouwde spaaruren door de latere ontslagdatum zouden kunnen komen te vervallen. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om deze spaaruren te genieten. In dat verband wijst verweerder op een eerder besluit van 24 december 2021 op een ander door eiser ingediend rekest, waarbij is overwogen dat eiser in de periode van 1 januari 2020 tot 10 november 2021 ruimte had om spaaruren te genieten. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen ingesteld en dus kan worden uitgegaan van de juistheid hiervan.
Wat zijn de regels?
6. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
7. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit voor zover hierin is besloten om ten aanzien van zijn in 2010 en 2012 opgebouwde spaaruren geen financiële compensatie toe te kennen. Hij stelt dat verweerder met het bestreden besluit in strijd heeft gehandeld met het beginsel van goed werkgeverschap en voert daartoe het volgende aan.
7.1.
Eiser stelt dat hij met het opbouwen van spaaruren de intentie had om bij een functiewisseling langdurig verlof op te nemen. Dit heeft hij ook in 2005, 2006 en 2010 op deze wijze gedaan. Vanaf 2011 is hij echter niet meer in de gelegenheid geweest om verlof op te nemen zoals hij dat aanvankelijk gepland had. Hier liggen volgens eiser meerdere redenen aan ten grondslag. Zo is hij sinds 2011 nog maar twee keer van functie gewijzigd. Ten aanzien van zijn laatste internationale functie werd hij geacht eerder te starten dan aanvankelijk was voorzien, hetgeen hij mede in het belang van Defensie heeft gedaan. Het was volgens eiser daarom niet mogelijk om voorafgaand aan het vervullen van deze functie de opgebouwde spaaruren te genieten. Verweerder heeft hem daarbij niet geïnformeerd over het feit dat hij door het vervullen van deze functie automatisch ook de keuze zou maken voor de nDer, waardoor eiser ook niet op de hoogte was van de gevolgen die deze keuze met zich mee zou brengen ten aanzien van het behoud van zijn opgebouwde aantal spaaruren. Ten tijde van de vervulling van deze functie was evenmin ruimte voor het genieten van de spaaruren. Er was sprake van 60% onderbezetting van de sectie waar hij werkzaam was en daarom werd het aanvragen van verlof door de leiding niet op prijs gesteld. Verder speelde rond die periode ook nog COVID-19 en was eiser gedurende langere tijd afwezig vanwege een ongeval dat heeft plaatsgevonden tijdens diensttijd. Bovendien had eiser ook nog dermate veel reguliere verlofuren tot zijn beschikking dat het in plaats daarvan opnemen van spaaruren zou leiden tot de eveneens onwenselijke situatie dat zijn reguliere verlofuren zouden komen te vervallen. Daarbij was het in het verleden niet mogelijk om ook tijdens de functievervulling spaaruren te genieten.
7.2.
Verder wijst eiser erop dat verweerder zowel in 2020 als in 2021 de bewaartermijn heeft verlengd van de door eiser in 2010 en 2011 opgebouwde spaaruren. Hij maakt hieruit op dat verweerder kennelijk van oordeel was dat eiser onvoldoende gelegenheid had om deze spaaruren te genieten. Eiser vindt het onbegrijpelijk dat verweerder niet eenzelfde redenering toepast ten aanzien van de spaaruren die in deze procedure in geschil zijn, te meer nu hij in 2021 zijn nieuwe functie in het buitenland al vervulde en duidelijk was dat hij sindsdien geen spaaruren meer kon genieten.
7.3.
Daarbij stelt eiser dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de in artikel 54f van het AMAR opgenomen verplichting om met hem afspraken te maken over het kunnen opnemen van de opgebouwde spaaruren. Hij wijst er in dat kader op dat hij voornemens was al op 12 augustus 2021 een rekest in te dienen met het verzoek om de bewaartermijn te verlengen van de spaaruren die op 31 december 2022 zouden komen te vervallen. Zijn commandant heeft hem toen te kennen gegeven dat dit niet nodig was waardoor hij het rekest – met alle gevolgen van dien – uiteindelijk niet heeft ingediend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder de door eiser in 2008 en 2009 opgebouwde verlofuren heeft uitbetaald en dat op dit onderdeel tussen partijen geen discussie meer bestaat. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder eiser op grond van artikel 115 van het AMAR schadeloos had moeten stellen voor de door hem in 2010 en 2012 opgebouwde spaaruren die op 31 december 2022 zijn vervallen.
8.1.
Ingevolge artikel 115 van het AMAR kan verweerder de militair naar billijkheid schadeloos stellen voor schaden anders dan bedoeld in artikel 26 van het IBM en is hij bevoegd hieromtrent voor groepen van militairen regels te geven.
8.2.
De toepassing van artikel 115 van het AMAR door verweerder betreft een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat de toetsing van de in bezwaar gehandhaafde weigering om gebruik te maken van die bevoegdheid is beperkt tot de beantwoording van de vraag of, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van bedoelde bevoegdheid gebruik te maken, dan wel anders heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.
8.3.
Verder volgt uit de jurisprudentie van de hoogste ambtenarenrechter dat artikel 115 van het AMAR kan worden gezien als uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als goed werkgever te gedragen.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder niet gehouden is eiser schadeloos te stellen voor de door hem in 2010 en 2012 opgebouwde spaaruren die op 31 december 2022 zijn vervallen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2024.
griffier
*de rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemeen militair ambtenarenreglement
Artikel 54e
1. De militair kan bij de commandant eenmaal per kalenderjaar een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar met 2 uren per week te verkorten wanneer:
a. de militair is aangesteld bij het beroepspersoneel; en
b. de militair een functie vervult in fase twee of fase drie; en
c. het rooster van de militair in het resterende deel van dat kalenderjaar zal zijn gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
2. De in het eerste lid bedoelde verkorting van de arbeidsduur wordt verwerkt in het voor de betrokken militair geldende rooster dan wel wordt toegekend in de vorm van acht spaaruren per maand wanneer het een militair betreft van wie het rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week. Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
(…)
Artikel 54f
(…)
6. De in een kalenderjaar opgebouwde spaaruren vervallen na een periode van 10 kalenderjaren, te rekenen vanaf de dag van aanvang van het daarop volgende kalenderjaar.
7. Indien vanwege dienstbelang dan wel persoonlijke omstandigheden de militair gedurende de periode van 10 jaar bedoeld in het zesde lid niet in de gelegenheid is gesteld de spaaruren op te nemen, maakt het hoofd defensieonderdeel in afwijking van het zesde lid met de militair afspraken over de opname van de spaaruren binnen de 2 daaropvolgende kalenderjaren.
(…)
Artikel 54g
Indien de militair op de datum dat hij de werkelijke dienst verlaat nog een tegoed aan spaaruren heeft, dan wordt voor elk spaaruur een vergoeding toegekend van 1/165e deel van het voor de betrokken militair geldende maandsalaris, zoals dit gold direct voorafgaande aan het verlaten van de werkelijke dienst.
(…)
Artikel 115
Onze minister kan de militair naar billijkheid schadeloos stellen voor schaden anders dan bedoeld in artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen en is bevoegd hieromtrent voor groepen van militairen regels te geven.
Inkomstenbesluit militairen
(…)
Artikel 26
Indien de billijkheid dat vordert, kan Onze Minister de militair schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming toekennen.
Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit.
Zie in dit verband artikel 54e, tweede lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
Op grond van artikel 115 AMAR en artikel 16 van het Inkomstenbesluit militairen (IBM).
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2438.
Zie de uitspraak van de CRvB van 26 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6412.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB 19 september 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE8899.
Beoordeling
In dit kader kan deze bepaling worden gezien als het sluitstuk van de rechtspositionele bepalingen, waaraan in geval van bijzondere hardheid toepassing wordt gegeven. De toepassing van artikel 115 van het AMAR houdt een vergoeding naar billijkheid in en geeft geen aanspraak op volledige schadeloosstelling. Voorts is voor de toepassing van artikel 115 van het AMAR nodig dat er van bijzondere omstandigheden sprake moet zijn.
9. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake is en dat verweerder het verzoek van eiser om financiële compensatie van de door hem in 2010 en 2012 opgebouwde spaaruren daarom in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Hieronder zal de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser uitleggen hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
9.1.
Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij niet in de gelegenheid is geweest om zijn in 2010 en 2012 opgebouwde spaaruren op te nemen. Hij heeft niet met concrete stukken kunnen onderbouwen dat de door hem genoemde omstandigheden – COVID-19, zijn langdurige afwezigheid door een ongeval, de situatie met betrekking tot zijn nieuwe internationale functie en het eveneens tot zijn beschikking hebben van vele reguliere verlofuren – hem hebben belet om deze spaaruren te kunnen genieten. Hoewel uit het uiteindelijk niet door eiser ingediende rekest met de post-it van 17 augustus 2021 weliswaar blijkt dat hij de situatie bij zijn commandant bespreekbaar heeft gemaakt, kan hieruit niet worden opgemaakt dat het voor eiser onmogelijk was om zijn spaaruren te genieten. Uit de stukken blijkt evenmin dat eiser verlofaanvragen heeft ingediend die door zijn commandant zijn afgewezen. De omstandigheid dat eiser verlofverzoeken mondeling ter sprake bracht en geen aanleiding bestond om een schriftelijk verzoek in te dienen als hem mondeling al te kennen was gegeven dat het opnemen van verlof onmogelijk was, dient voor zijn eigen rekening te komen. Het is gelet op het toetsingskader immers aan eiser om aan te tonen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Hoewel verweerder geen duidelijke verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat de bewaartermijn van de door eiser in 2010 en 2011 opgebouwde spaaruren in 2020 en 2021 wel is verlengd, betreft dit evenmin een zodanige bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder aanleiding had moeten zien om voor de inmiddels vervallen spaaruren uit 2010 en 2012 financiële compensatie toe te kennen. Verder heeft verweerder mogen meewegen dat in het in rechte vaststaand besluit van 24 december 2021 is vastgesteld dat eiser in de periode van 1 januari 2020 tot 10 november 2021 voldoende de gelegenheid heeft gehad om spaaruren op te nemen. Dat eiser geen rechtsmiddelen tegen dit besluit heeft ingesteld omdat hij eerst het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 heeft afgewacht, komt voor zijn eigen risico en maakt dan ook niet dat verweerder niet van de rechtmatigheid van dit besluit heeft mogen uitgaan. Eiser heeft ter zitting nog gesteld dat de formele rechtskracht van een besluit alleen ziet op de rechtsgevolgen hiervan en geen betrekking heeft op de daaraan ten grondslag liggende oordelen van feitelijke en juridische aard. Hoewel dit op zichzelf juist is, overweegt de rechtbank dat het vervolgens wel aan eiser is om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit het tegendeel blijkt. De rechtbank heeft in het voorgaande al toegelicht dat eiser hierin niet is geslaagd.
9.2.
Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder hem bij het accepteren van zijn functie in het buitenland niet zou hebben geïnformeerd over de daarmee samenhangende keuze voor de nDer en hij daardoor niet op de hoogte was van de gevolgen die deze keuze zou hebben voor zijn eerder opgebouwde spaaruren, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft hierover terecht gesteld dat eiser deze keuze zelf gemaakt heeft en dat het hem vrijstond om vanwege de nadelen, zoals het vervallen van verlofuren, een andere keuze te maken. Hoewel de rechtbank erkent dat de keuze van eiser om mede in het belang van Defensie de nieuwe buitenlandse functie (vervroegd) te accepteren getuigt van de nodige toewijding en benadrukt dat de staat van dienst van eiser buiten kijf staat, kan dit dan ook niet worden gekwalificeerd als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder alsnog had moeten overgaan tot financiële compensatie van de door eiser in 2010 en 2012 opgebouwde spaaruren.
9.3.
Eiser wordt evenmin gevolgd in zijn stelling dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de in artikel 54f van het AMAR opgenomen verplichting om met hem afspraken te maken over het kunnen opnemen van de opgebouwde spaaruren. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht gesteld dat het de eigen verantwoordelijkheid betreft van de werknemer om vooruit te kijken en verlof in te plannen. Voor de toepassing van artikel 54f van de AMAR is het daarnaast nodig dat sprake is van een intentie en een plan om deze spaaruren daadwerkelijk op te nemen. Zoals in rechtsoverweging 9.1 al is overwogen, is daarvan echter niet gebleken. Verweerder kan dan ook niet worden verweten dat uiteindelijk geen afspraken zijn gemaakt over de opname van de betreffende spaaruren binnen de 2 daaropvolgende kalenderjaren.