Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2019-08-23
ECLI:NL:RBDHA:2019:11118
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,804 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 19/2822 (beroep)
AWB 19/2823 (voorlopige voorziening)
[persoonsnummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 23 augustus 2019 in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1979, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres
mede namens haar minderjarige kind
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum 2] 2007, hierna: [minderjarige]
beiden van Nepalese nationaliteit,
(gemachtigde: mr. F.K. Williams),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G.J. Douma).
Procesverloop
Met het besluit van 22 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 22 september 2017 om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 met als doel “familie en gezin” afgewezen. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar met het besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Op 12 april 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Eiseres heeft daarbij ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft de zaak behandeld op de zitting van 7 augustus 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook waren op de zitting aanwezig S.K. Pauliyan, tolk Nepali, en [de persoon 1] , echtgenoot van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ten aanzien van het beroep
1.1.
Eiseres is naar eigen zeggen in 2004 Nederland ingereisd met een visum voor kort verblijf. Na verstrijken van de geldigheid van het visum heeft zij Nederland niet verlaten. Eiseres heeft in Nederland een relatie gekregen met [de persoon 2] . Uit deze relatie is op 18 juni 2007 hun zoon [minderjarige] geboren. De vader van [minderjarige] is daarna volgens eiseres buiten beeld geraakt. In 2016 heeft eiseres een relatie gekregen met [de persoon 1] . [de persoon 1] heeft de Nederlandse nationaliteit. Op 8 augustus 2016 heeft [de persoon 1] [minderjarige] erkend als zijn kind en op 30 juni 2016 zijn eiseres en [de persoon 1] gehuwd.
1.2.
Op 29 juli 2017 heeft eiseres, mede namens [minderjarige] , een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel “familie en gezin” bij [de persoon 1] .
2. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen en de afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd, omdat eiseres niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet vrijgesteld wordt van het mvv-vereiste, hetgeen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder acht daarvoor van belang dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Het betreft dus een eerste toelating. Er is geen objectieve of subjectieve belemmering om het familieleven met haar echtgenoot en kind in Nepal uit te oefenen. Bij [minderjarige] is nog geen sprake van een zodanige worteling in Nederland dat er voor hem geen toekomstmogelijkheden elders zijn. Eiseres is in Nederland gezinsleven aangegaan terwijl zij wist of had kunnen weten dat dit gezinsleven niet in Nederland voortgezet zou mogen worden. Dat het na verblijf in Nederland wellicht moeilijker wordt om te herintegreren in het land van herkomst, is voor haar eigen rekening en risico. Tot slot geldt voor [minderjarige] dat hij niet aan het paspoortvereiste voldoet en evenmin in aanmerking komt voor vrijstelling van dat vereiste.
3. Eiseres stelt dat zij aan alle andere materiële vereisten voor gezinshereniging voldoet. Zij doet een beroep op het arrest Yön en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) hierover. Zij voert aan dat verweerder niet heeft beoordeeld of het gelet op de door haar aangevoerde omstandigheden onevenredig bezwarend is om vast te houden aan het mvv-vereiste. Verweerder heeft alleen aan objectieve belemmeringen getoetst en de subjectieve belemmeringen om het gezinsleven met [de persoon 1] in Nepal uit te oefenen onjuist getoetst. [de persoon 1] is de enige van het gezin die nu inkomsten verwerft met zijn eenmansbedrijf. Bij terugkeer naar Nepal vallen deze weg en wordt niet meer voldaan aan het inkomensvereiste. De belangenafweging ten aanzien van [minderjarige] is niet in overeenstemming met artikel 3 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM. Ten slotte kan aan [minderjarige] geen paspoort of ander reisdocument worden afgegeven, zolang geen documenten worden overgelegd waarmee wordt vastgesteld dat hij een Nepalese vader heeft. Eiseres overlegt hiertoe een verklaring van 9 april 2018 van de Nepalese ambassade in Brussel.
Beoordeling
4.1.
Niet in geschil is dat er ten aanzien van eiseres geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven met [de persoon 1] in Nepal uit te oefenen. De rechtbank volgt voorts het standpunt van verweerder dat eiseres geen omstandigheden heeft aangevoerd, die maken dat het onevenredig bezwarend is om aan het mvv-vereiste vast te houden. De enkele omstandigheid dat [minderjarige] niet beschikt over een geldig reisdocument, maakt niet dat verweerder ten onrechte aan het mvv-vereiste vasthoudt. In dat geval wordt aan de vraag of aan alle materiële vereisten is voldaan, niet toegekomen.
4.2.
Verweerder heeft de door eiseres aangevoerde omstandigheden in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM meegenomen, maar zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze niet doorslaggevend zijn in de belangenafweging. Daartoe is van belang dat eiseres in Nepal is geboren, daar het grootste deel van haar leven heeft doorgebracht en er familie heeft, de taal spreekt en bekend is met de cultuur en de samenleving. Of [de persoon 1] als hij de keuze maakt om met eiseres en [minderjarige] mee te reizen naar het land van herkomst wel of niet voldoende inkomsten zal genereren en nog aan het middelenvereiste zal voldoen heeft verweerder niet ten onrechte gezien als een onzekere toekomstige gebeurtenis, waaraan hij niet de waarde toekent die eiseres daaraan hecht.
4.3.
In het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verweerder de belangen van [minderjarige] ook in het licht van artikel 3 van het IVRK voldoende meegewogen. Verweerder heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat [minderjarige] in Nederland geboren is, nu twaalf jaar is en in hier naar school gaat. [minderjarige] is in Nederland geworteld, maar er is geen sprake van zodanige worteling dat er voor hem geen toekomstmogelijkheden elders zijn. Hij zal met zijn moeder naar haar land van herkomst reizen, waarbij [de persoon 1] mee kan reizen om het gezinsleven aldaar voort te zetten. In het land van herkomst woont ook familie. [minderjarige] kan Hindi verstaan en is door zijn moeder enigszins bekend met de taal en de cultuur. Eiseres heeft haar stelling dat [minderjarige] als buitenechtelijk kind in Nepal niet zal worden geaccepteerd en in Nepal geen onderwijs zal kunnen genieten niet onderbouwd.
4.4.
Eiseres voert aan dat het feit dat [minderjarige] geen paspoort heeft een objectieve belemmering is. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen ligt het op de weg van eiseres om aan te tonen dat zij geen Nepalees paspoort voor [minderjarige] kan krijgen. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat niet gebleken of aangetoond is dat het onmogelijk is om een paspoort voor [minderjarige] aan te vragen. De verklaring van de Nepalese ambassade is hiervoor onvoldoende. Uit het thematisch ambtsbericht Nepal van 23 mei 2013 volgt dat een ‘Citizenship Certificate’ kan worden aangevraagd voor een kind van wie de vader het Nepalese staatsburgerschap heeft, maar die niet meer aanwezig is in zijn of haar leven of indien de ouders gescheiden zijn. Met dit document kan vervolgens een paspoort worden aangevraagd. Dat dit niet makkelijk is, maakt niet dat het onmogelijk is. Verweerder heeft op de zitting uiteengezet dat de naam en geboortedatum van de vader van [minderjarige] bekend zijn. Hiermee zou wellicht vast te stellen zijn dat de vader de Nepalese nationaliteit heeft. Niet gebleken is dat eiseres dit heeft geprobeerd. De beroepsgrond slaagt niet.
5. De aangevoerde gronden leiden niet tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.
Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening
6. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen een voorlopige voorziening.
Ten aanzien van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening
7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank,
in de zaak AWB 19/2822:
- verklaart het beroep ongegrond.
in de zaak AWB 19/2823:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, (voorzieningen)rechter in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Arrest van 7 augustus 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2018:632.
Uitspraak van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001.
Verdrag inzake de rechten van het kind.
In de uitspraak van 7 september 2018 in procedurenummer AWB 18/2857.