Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-07-26
ECLI:NL:RBDHA:2017:9056
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,494 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL 17.1708
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 mei 2017 in de zaak tussen
[naam] , eiser,
gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.
Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden te Breda op 4 mei 2017, samen met de zaak met nummer NL17.1709. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als toehoorders zijn verschenen de familie [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.K. Nyaku, tolk in de taal Krio. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Sierraleoonse nationaliteit en is op [geboortedatum] geboren. Hij heeft op 19 januari 2017 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Verweerder stelt zich op het standpunt dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat eiser de buitengrenzen van de lidstaten op illegale wijze heeft overschreden via Italië. Eiser is via Italië naar Nederland gereisd. Verweerder heeft Italië op 14 februari 2017 gevraagd eiser op grond van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (verder: de Dublinverordening) over te nemen. De Italiaanse autoriteiten hebben daar op 9 april 2017 mee ingestemd. Verweerder is van mening dat er geen aanleiding is te concluderen dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en niet kan worden vastgehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser dient over de gestelde tekortkomingen in de Italiaanse asielprocedure te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Verweerder ziet geen aanleiding eiser aan te merken als een kwetsbare persoon in de zin van het arrest van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12 (hierna: het Tarakhel-arrest).. Er bestaat dan ook geen grond voor verweerder om de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken.
4. Eiser betwist dat hij in Italië is geweest en dat er vingerafdrukken zijn gemaakt. De Eurodac-gegevens zijn onjuist. Verder heeft hij aangevoerd dat verweerder ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is uitgegaan. Naar zijn mening respecteert Italië zijn internationale verdragsverplichtingen niet. Er is sprake van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure, van de opvangvoorzieningen en medische zorg aan asielzoekers in Italië. Eiser verwijst daartoe naar het rapport van Artsen zonder Grenzen ‘Out of Sight, Asylum seekers and refugees in Italy’ van maart 2016 en het rapport van Human Rights Watch ‘World report 2017 - European Union over 2016. Voorts stelt eiser dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Hij staat sinds 17 februari 2017 onder psychiatrische behandeling bij psychiater [naam 4] , [naam 6] , die gecontinueerd dient te worden. De daartoe benodigde voorzieningen in Italië zijn gebrekkig. Overdracht van eiser betekent dan ook een schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser is van mening dat hij beschouwd dient te worden als een kwetsbaar persoon in de zin van het Tarakhel arrest. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State (de Afdeling) van 3 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3806). Verweerder heeft ten onrechte nagelaten aanvullende garanties bij de Italiaanse autoriteiten voor eiser te vragen. Eiser verwijst verder naar a) het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) Reception conditions in Italy van augustus 2016, b) het gezamenlijke monitoringsrapport van de Danish Refugee Council (DRC) en de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) “Is mutual trust enough? The situation of persons with special reception needs upon return to Italy” van 9 februari 2017, c) AIDA country report Italy update tot 31 december 2016, p. 79, 80 en d) US Department of State Country Report on Human Rights Practices 2015 – Italy van 13 april 2016. Ten slotte kan eiser zich niet tot de Italiaanse autoriteiten wenden om te klagen omdat geen gratis juridische bijstand verleend wordt. Eiser verwijst naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, AWB 17/4348 en AWB17/3319 van 23 maart 2017 en deze rechtbank, deze zittingsplaats, AWB 17/3811 van 16 maart 2017 en AWB 16/29250 van 12 januari 2017.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet meer in geschil dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers aanvraag.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in Italië geen sprake is van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) waaruit volgt dat ten aanzien van Italië in het algemeen nog steeds van het internationaal vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) volgt dat het rapport van SFH van augustus 2016 geen aanleiding is om niet meer van dat beginsel uit te gaan. Verder is ook in de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland (nr. 21459/14) en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland (nr. 5868/13) geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie.
7. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door eiser aangehaalde
rapporten - ondanks de door eiser gestelde grote toename van het aantal vluchtelingen - geen wezenlijk ander beeld schetsen dan de situatie die in de rechtspraak van het EHRM en de Afdeling is beoordeeld. Deze beroepsgrond faalt.
8. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië van 16 februari 2017 (C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127) leidt de rechtbank af dat ook als er geen gronden zijn om aan te nemen dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangomstandigheden in de aangezochte lidstaat, de Dublinoverdracht op zichzelf een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten met zich kan brengen. Dit is met name aan de orde indien overdracht van een zeer zieke vreemdeling een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg
zal hebben.
9. In het Tarakhel-arrest heeft het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aan de Italiaanse autoriteiten aanvullende garanties dient te vragen indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806, volgt dat dit arrest ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de betrokken vreemdeling mede van belang kunnen zijn.
10. Ter beoordeling staat of eiser vanwege zijn psychische problemen kan
worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het Tarakhel-arrest, zodat verweerder bij overdracht aan Italië aanvullende individuele garanties van de Italiaanse autoriteiten dient te vragen over passende opvang en zorgvoorzieningen.
11. Uit de door eiser overgelegde medische informatie, waaronder het patiëntendossier en brieven van klinisch psycholoog M.J. Moggré-Takke en sociaal psychiatrisch verpleegkundige J. Belaert-van der Harst van 7 maart 2017, alsmede van psychiater A. Rietman en sociaal-psychiatrisch verpleegkundige J.M. Walhout, Emergis, van 1 mei 2017, blijkt het volgende. Op 1 februari 2017 wordt gemeld dat eiser tegen een psychose aan lijkt te zitten en extreem angstig is. Op 9 februari 2017 wordt gemeld dat sprake is van ‘suïcidaal gedrag/uitingen’. Uit de brief van 7 maart 2017 blijkt dat eiser medicatie ontvangt en verdere behandeling plaatsvindt binnen het zorgprogramma traumagerelateerde- en cluster B persoonlijkheidsproblematiek. Verder blijkt uit de brief van 1 mei 2017 dat de behandeling zich nog in de opstartfase bevindt en dat behandeldoelen nog niet
geformaliseerd zijn in een behandelplan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, op 11 mei 2017.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.