Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2017-04-13
ECLI:NL:RBDHA:2017:4163
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
937 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/6818
V-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 april 2017 in de zaak tussen
[naam], eiser
gemachtigde: mr. J. de Jong,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. L.J.T. van Es.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Italië daarvoor verantwoordelijk wordt geacht.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij een voorlopige voorziening gevraagd ter voorkoming van overdracht aan Italië hangende het beroep.
Het beroep is ter zitting behandeld op 13 april 2017, tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 17/6819. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.
2. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser omdat eiser via Italië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd.
3. In geschil is of verweerder op grond van artikel 17 van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) de asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken.
4. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië dat niet doet. Eiser is hier niet in geslaagd.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraken van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) en, laatstelijk nog, 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Eiser heeft niets ingebracht ter ondersteuning van zijn stelling dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen.
6. Ook uit het persoonlijke relaas van eiser is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft enkel van horen zeggen dat de situatie in Italië niet zo best is voor asielzoekers. Eiser heeft echter wel opvang gekregen in Italië en te horen gekregen dat hij twee of drie dagen na aankomst zijn asielaanvraag kon indienen. Eiser is echter voor die tijd uit de opvang vertrokken en doorgereisd naar Nederland omdat zijn zus hier verblijft en Nederland beter voor hem zou zijn.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 13 april 2017.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.