Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-05-14
ECLI:NL:RBAMS:2026:4707
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
6,610 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4707 text/xml public 2026-05-20T10:05:06 2026-05-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-14 13-053079-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Internationaal strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4707 text/html public 2026-05-18T15:37:47 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4707 Rechtbank Amsterdam , 14-05-2026 / 13-053079-26 Vervolgings-AB uit het Verenigd Koninkrijk. Dubbele strafbaarheid art 599 HSO:feiten dubbel strafbaar m.u.v. het feit "failing to comply with conditions of bail without a reasonable excuse". Dat feit is niet strafbaar naar Nederlands recht. Afzien van de bevoegheid om van deze weigeringsgrond gebruik te maken, omdat de overlevering voor de andere feiten al wordt toegestaan. Detentie-omstandigheden (art 604HOS); geen gevaar voor Inverness. Mogelijkheid tot levenslange gevangenisstraf (art 604 HSO); de mogelijkheid bestaat tot vervroegde invrijheidsstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf – op verzoek of ten minste na twintig jaar. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de overlevering afhankelijk te maken van een garantie als bedoeld in artikel 604 aanhef en onder a, Overleveringsovereenkomst. Overlevering toestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-053079-26 Datum uitspraak: 13 mei 2026 UITSPRAAK op de vordering op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) in verbinding met artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 maart 2026 en betreft het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO). Dit AB is uitgevaardigd op 12 februari 2026 door de Sheriff of Lothian and Borders at Edinburgh, (Verenigd Koninkrijk), en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1986 in het Verenigd Koninkrijk (plaats onbekend), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1 Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 april 2026. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J. Hofstee. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.K.B. Bijl, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Engelse taal. Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet in verbinding met artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Britse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het AB In het AB wordt melding gemaakt van een warrant under section 102a(2) of the criminal procedure (Scotland) act 1995 issued at the Court of the Sheriffdom of Grampian highlands and islands at Inverness on 10 October 2023 by Sheriff Frazer. De overlevering wordt verzocht voor een door de justitiële autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten. [Dit feit/Deze feiten] zijn omschreven in onderdeel e) van het AB. 4 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft ten aanzien van de (dubbele) strafbaarheid van de feiten geen standpunt ingenomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten dubbel strafbaar zijn, met uitzondering van feit 8. De officier van justitie heeft gesteld dat de rechtbank voor dat feit af kan zien van het weigeren van de overlevering wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid. In vergelijkbare gevallen, zoals het in Polen strafbaar zijn van een meldplicht, ziet de rechtbank ook af van toepassing van de weigeringsgrond. Er zijn voor dit feit onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is in het Verenigd Koninkrijk begaan en gepleegd door een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk. Bovendien is overlevering de regel en overlevering weigeren de uitzondering. Oordeel van de rechtbank Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan voor tien van de elf in het AB genoemde feiten. Deze feiten leveren naar Nederlands recht op: poging tot diefstal; poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd; diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd; diefstal; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; straatschenderij. De rechtbank stelt vast dat feit 8 omschreven in het AB als failing to comply with conditions of bail without a reasonable excuse (wat de rechtbank begrijpt als dat de opgeëiste persoon zich niet zou hebben gehouden aan opgelegde voorwaarden) niet strafbaar is in Nederland. De Uitvoeringswet heeft de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7 OLW niet van toepassing verklaard, maar artikel 601, eerste lid, aanhef en onder a, HSO is van toepassing, dat als volgt luidt: “De tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel kan worden geweigerd: a) indien in een van de in artikel 599, lid 2, bedoelde gevallen, het feit dat aan het aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, naar het recht van de uitvoerende staat niet strafbaar is; ter zake van retributies of belastingen, douane en deviezen mag de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel echter niet worden geweigerd op grond van het feit dat de uitvoerende staat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies of belastingen, douane en deviezen kent als de uitvaardigende staat.” De rechtbank zal in dit geval geen gebruik maken van deze bevoegdheid, omdat feit 8 geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde. Bovendien wordt de overlevering voor de andere feiten al toegestaan. De rechtbank zal daarom afzien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en de overlevering ook met betrekking tot feit 8 ( failing to comply with conditions of bail without a reasonable excuse ) toestaan. 5 Detentieomstandigheden (artikel 604, aanhef en onder c, HSO) Inleiding De rechtbank heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat voor gedetineerden in de penitentiaire inrichtingen HMP Bedford, HMP Winchester en HMP Wandsworth een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In dat kader heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) nagevraagd waar de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk gedetineerd zal worden na zijn overlevering.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4707 text/xml public 2026-05-20T10:05:06 2026-05-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-14 13-053079-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Internationaal strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4707 text/html public 2026-05-18T15:37:47 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4707 Rechtbank Amsterdam , 14-05-2026 / 13-053079-26 Vervolgings-AB uit het Verenigd Koninkrijk. Dubbele strafbaarheid art 599 HSO:feiten dubbel strafbaar m.u.v. het feit "failing to comply with conditions of bail without a reasonable excuse". Dat feit is niet strafbaar naar Nederlands recht. Afzien van de bevoegheid om van deze weigeringsgrond gebruik te maken, omdat de overlevering voor de andere feiten al wordt toegestaan. Detentie-omstandigheden (art 604HOS); geen gevaar voor Inverness. Mogelijkheid tot levenslange gevangenisstraf (art 604 HSO); de mogelijkheid bestaat tot vervroegde invrijheidsstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf – op verzoek of ten minste na twintig jaar. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de overlevering afhankelijk te maken van een garantie als bedoeld in artikel 604 aanhef en onder a, Overleveringsovereenkomst. Overlevering toestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-053079-26 Datum uitspraak: 13 mei 2026 UITSPRAAK op de vordering op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) in verbinding met artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 maart 2026 en betreft het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO). Dit AB is uitgevaardigd op 12 februari 2026 door de Sheriff of Lothian and Borders at Edinburgh, (Verenigd Koninkrijk), en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1986 in het Verenigd Koninkrijk (plaats onbekend), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1 Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 april 2026. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J. Hofstee. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.K.B. Bijl, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Engelse taal. Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet in verbinding met artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Britse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het AB In het AB wordt melding gemaakt van een warrant under section 102a(2) of the criminal procedure (Scotland) act 1995 issued at the Court of the Sheriffdom of Grampian highlands and islands at Inverness on 10 October 2023 by Sheriff Frazer. De overlevering wordt verzocht voor een door de justitiële autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten. [Dit feit/Deze feiten] zijn omschreven in onderdeel e) van het AB. 4 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft ten aanzien van de (dubbele) strafbaarheid van de feiten geen standpunt ingenomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten dubbel strafbaar zijn, met uitzondering van feit 8. De officier van justitie heeft gesteld dat de rechtbank voor dat feit af kan zien van het weigeren van de overlevering wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid. In vergelijkbare gevallen, zoals het in Polen strafbaar zijn van een meldplicht, ziet de rechtbank ook af van toepassing van de weigeringsgrond. Er zijn voor dit feit onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is in het Verenigd Koninkrijk begaan en gepleegd door een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk. Bovendien is overlevering de regel en overlevering weigeren de uitzondering. Oordeel van de rechtbank Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan voor tien van de elf in het AB genoemde feiten. Deze feiten leveren naar Nederlands recht op: poging tot diefstal; poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd; diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd; diefstal; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; straatschenderij. De rechtbank stelt vast dat feit 8 omschreven in het AB als failing to comply with conditions of bail without a reasonable excuse (wat de rechtbank begrijpt als dat de opgeëiste persoon zich niet zou hebben gehouden aan opgelegde voorwaarden) niet strafbaar is in Nederland. De Uitvoeringswet heeft de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7 OLW niet van toepassing verklaard, maar artikel 601, eerste lid, aanhef en onder a, HSO is van toepassing, dat als volgt luidt: “De tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel kan worden geweigerd: a) indien in een van de in artikel 599, lid 2, bedoelde gevallen, het feit dat aan het aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, naar het recht van de uitvoerende staat niet strafbaar is; ter zake van retributies of belastingen, douane en deviezen mag de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel echter niet worden geweigerd op grond van het feit dat de uitvoerende staat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies of belastingen, douane en deviezen kent als de uitvaardigende staat.” De rechtbank zal in dit geval geen gebruik maken van deze bevoegdheid, omdat feit 8 geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde. Bovendien wordt de overlevering voor de andere feiten al toegestaan. De rechtbank zal daarom afzien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en de overlevering ook met betrekking tot feit 8 ( failing to comply with conditions of bail without a reasonable excuse ) toestaan. 5 Detentieomstandigheden (artikel 604, aanhef en onder c, HSO) Inleiding De rechtbank heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat voor gedetineerden in de penitentiaire inrichtingen HMP Bedford, HMP Winchester en HMP Wandsworth een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In dat kader heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) nagevraagd waar de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk gedetineerd zal worden na zijn overlevering.
Volledig
De Procurator Fiscal Depute/Prosecutor International Co-operation Unit Extradition Team te Edinburgh heeft in reactie daarop het volgende meegedeeld: “ Based on the available information provided, the likely prison [de opgeëiste persoon] would be admitted to would be HMP Inverness , and he would also likely remain located there whilst on remand. However, for operational reasons prisoners may transfer to other establishments within the prison estate after admission.” Standpunt van de raadsvrouw De raadsman heeft ten aanzien van de detentieomstandigheden geen standpunt ingenomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon zal worden geplaatst in HMP Inverness. Voor die instelling heeft de rechtbank niet geoordeeld dat er een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest bestaat. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk sluit de rechtbank aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 29 juli 2024 (Alchaster). Uit dit arrest volgt dat de tweestappentoets, die geldt voor de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, niet geldt voor overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. De uitvoerende rechterlijke autoriteit hoeft daarom niet na te gaan waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd op basis van de eerder vastgestelde algemene gevaren. Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk behoort de rechtbank bij haar beoordeling alle relevante gegevens te beoordelen om in te schatten in welke situatie de gezochte persoon zich zal bevinden als hij wordt overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk, wat inhoudt dat rekening gehouden moet worden met de regels en praktijken die in dat land algemeen gangbaar zijn, en daarnaast ook – als de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijds erkenning niet worden toegepast – met de specifieke kenmerken van de situatie van die persoon. De rechtbank dient om die reden steeds te vernemen waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd om het bovenstaande te kunnen beoordelen. In de onderhavige zaak is deze informatie opgevraagd. Uit de aanvullende informatie blijkt dat HMP Inverness de likely prison is waar de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst. De rechtbank beschikt (ambtshalve) niet over gegevens die duiden op slechte detentieomstandigheden in deze instelling, noch omstandigheden of gegevens met betrekking tot de situatie van de opgeëiste persoon waar de rechtbank rekening mee zou moeten houden. Gelet op de situatie van de opgeëiste persoon in geval van overlevering bestaat er voor hem dan ook geen reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. De rechtbank oordeelt dat de detentieomstandigheden daarom niet in de weg staan aan de overlevering van de opgeëiste persoon. 6 Levenslange gevangenisstraf (Artikel 604, aanhef en onder a, HSO) In onderdeel H van het AB staat het volgende. “Seven offences on the basis of which this warrant has been issued are punishable by a custodial life sentence or lifetime detention order. The issuing State will upon request by the executing State give an assurance that it will: [x] encourage the application of measures of clemency to which the person is entitled to apply for under the law or practice of the issuing State, aiming at a non-execution of such penalty or measure.” De rechtbank leidt uit bovenstaande informatie af dat in het Verenigd Koninkrijk de mogelijkheid bestaat tot vervroegde invrijheidsstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de overlevering afhankelijk te maken van een garantie als bedoeld in artikel 604 aanhef en onder a, Overleveringsovereenkomst. 7 Slotsom Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO en er ook geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 45, 285, 310, 311 en 424 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie, de artikelen 1, 2 en 3 Uitvoeringswet en de artikelen 604 en 606 HSO. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Sheriff of Lothian and Borders at Edinburgh (Verenigd Koninkrijk). Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, voorzitter, mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026. Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Op grond van artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet in verbinding met artikel 27, tweede lid, OLW. Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353 Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster). Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82. Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.
Volledig
De Procurator Fiscal Depute/Prosecutor International Co-operation Unit Extradition Team te Edinburgh heeft in reactie daarop het volgende meegedeeld: “ Based on the available information provided, the likely prison [de opgeëiste persoon] would be admitted to would be HMP Inverness , and he would also likely remain located there whilst on remand. However, for operational reasons prisoners may transfer to other establishments within the prison estate after admission.” Standpunt van de raadsvrouw De raadsman heeft ten aanzien van de detentieomstandigheden geen standpunt ingenomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon zal worden geplaatst in HMP Inverness. Voor die instelling heeft de rechtbank niet geoordeeld dat er een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest bestaat. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk sluit de rechtbank aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 29 juli 2024 (Alchaster). Uit dit arrest volgt dat de tweestappentoets, die geldt voor de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, niet geldt voor overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. De uitvoerende rechterlijke autoriteit hoeft daarom niet na te gaan waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd op basis van de eerder vastgestelde algemene gevaren. Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk behoort de rechtbank bij haar beoordeling alle relevante gegevens te beoordelen om in te schatten in welke situatie de gezochte persoon zich zal bevinden als hij wordt overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk, wat inhoudt dat rekening gehouden moet worden met de regels en praktijken die in dat land algemeen gangbaar zijn, en daarnaast ook – als de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijds erkenning niet worden toegepast – met de specifieke kenmerken van de situatie van die persoon. De rechtbank dient om die reden steeds te vernemen waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd om het bovenstaande te kunnen beoordelen. In de onderhavige zaak is deze informatie opgevraagd. Uit de aanvullende informatie blijkt dat HMP Inverness de likely prison is waar de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst. De rechtbank beschikt (ambtshalve) niet over gegevens die duiden op slechte detentieomstandigheden in deze instelling, noch omstandigheden of gegevens met betrekking tot de situatie van de opgeëiste persoon waar de rechtbank rekening mee zou moeten houden. Gelet op de situatie van de opgeëiste persoon in geval van overlevering bestaat er voor hem dan ook geen reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. De rechtbank oordeelt dat de detentieomstandigheden daarom niet in de weg staan aan de overlevering van de opgeëiste persoon. 6 Levenslange gevangenisstraf (Artikel 604, aanhef en onder a, HSO) In onderdeel H van het AB staat het volgende. “Seven offences on the basis of which this warrant has been issued are punishable by a custodial life sentence or lifetime detention order. The issuing State will upon request by the executing State give an assurance that it will: [x] encourage the application of measures of clemency to which the person is entitled to apply for under the law or practice of the issuing State, aiming at a non-execution of such penalty or measure.” De rechtbank leidt uit bovenstaande informatie af dat in het Verenigd Koninkrijk de mogelijkheid bestaat tot vervroegde invrijheidsstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de overlevering afhankelijk te maken van een garantie als bedoeld in artikel 604 aanhef en onder a, Overleveringsovereenkomst. 7 Slotsom Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO en er ook geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 45, 285, 310, 311 en 424 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie, de artikelen 1, 2 en 3 Uitvoeringswet en de artikelen 604 en 606 HSO. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Sheriff of Lothian and Borders at Edinburgh (Verenigd Koninkrijk). Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Scheeper, voorzitter, mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026. Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Op grond van artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet in verbinding met artikel 27, tweede lid, OLW. Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353 Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster). Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82. Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.