Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-03-14
ECLI:NL:RBAMS:2024:1881
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,168 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/218156-23
Datum uitspraak: 14 maart 2024
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 17 januari 2024 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 16 juni 2023 door een rechter bij the Greater Manchester Magistrates Court (Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna te noemen: de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 februari 2024. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het AB
In het AB wordt melding gemaakt van een warrant of arrest at first instance van the Greater Manchester Magistrates Court van 8 maart 2022.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van het Verenigde Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven.
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
verkrachting
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige
5. De garantie als bedoeld in artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Gelet op artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6 OLW kan zijn overlevering daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.
De UK Home Office, Central Authority on behalf of the Secretary of State heeft op 26 januari 2024 de volgende garantie gegeven:
“In accordance with the procedure under Article 604(b) of Title VII (Surrender) of the
UK-EU Trade and Cooperation Agreement between the European Union and the
United Kingdom you have requested that [opgeëiste persoon] (DOB: [geboortedag]
1993) be returned to the Kingdom of the Netherlands to serve any custodial
sentence which is imposed by a UK court in relation to the conduct for which his
surrender to the UK from the Kingdom of the Netherlands has been sought.
The UK undertakes that should [opgeëiste persoon] receive a custodial sentence
in the UK, he will, in accordance with section 153C of the Extradition Act 2003, be
returned to the Kingdom of the Netherlands as soon as is reasonably practicable
after the sentencing process in the UK has been completed, unless concrete
grounds relating to his rights of defense or to the proper administration of justice
make his presence in the UK essential pending a definitive decision on any
procedural step coming within the scope of the criminal proceedings relating to the
offence underlying the Trade and Cooperation Agreement. Such procedural steps
may include:
(a) The exhaustion of any available avenues of appeal;
(b) Consideration of confiscation; and
(c) The procedure for setting any period of imprisonment which will fall to be
served in default of payment of any financial penalty.
Please note that the return of [opgeëiste persoon] to the Kingdom of the
Netherlands will be facilitated under the Additional Protocol to the 1983 Council of
Europe Convention on the Transfer of Sentenced Persons. Full details of any
sentence imposed on [opgeëiste persoon] will be provided when he is returned
to the Kingdom of the Netherlands.”
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e, VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan (zie onder 4).
6Evenredigheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon onevenredig bezwarend zou zijn, gelet op het feit dat hij in Nederland werkzaam is en zorg draagt voor zijn gezin. Ook de omstandigheid dat de uitvaardigende justitiële autoriteit lange tijd niets met de zaak gedaan heeft draagt bij aan de onevenredigheid van een eventuele overlevering.
De raadsman heeft in het kader van dit alles onder andere verwezen naar artikel 597 van de HSO.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon evenredig is. De ernst van de verdenking is voldoende om de uitvaardiging van het AB te rechtvaardigen. Het weigeren van de overlevering zou straffeloosheid met zich meebrengen. Ook de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon zijn niet zodanig zwaarwegend dat sprake is van onevenredigheid.
Oordeel van de rechtbank
De bepaling waarnaar de raadsman heeft verwezen is eveneens neergelegd in artikel 4 van de Uitvoeringswet en luidt als volgt:
“De samenwerking tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland in het kader van het aanhoudingsbevel, bedoeld in artikel 3, onder b, voldoet aan de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid, rekening houdend met de rechten van de opgeëiste persoon en de belangen van de slachtoffers, de ernst van de gepleegde strafbare feiten, de straf of maatregel die waarschijnlijk wordt opgelegd, en de mogelijkheid dat de uitvoerende staat minder vergaande maatregelen treft dan de overlevering jegens de opgeëiste persoon, teneinde onnodig lange vrijheidsbeneming te voorkomen.”
Bij de rechtbank bestaan geen twijfels over de evenredigheid van de uitvaardiging van het AB. De opgeëiste persoon wordt in het Verenigd Koninkrijk verdacht van zeer ernstige feiten. Voor één van de feiten waarvan hij verdacht wordt kan een levenslange gevangenisstraf opgelegd worden. Bij een eventuele bewezenverklaring is het dan ook niet ondenkbaar dat aan de opgeëiste persoon een straf van aanzienlijke duur opgelegd wordt. Hoewel de rechtbank oog heeft voor het persoonlijke belang van de opgeëiste persoon, is zij van oordeel dat dat belang niet opweegt tegen het strafvorderlijk belang en het belang van onder andere de slachtoffers. Het weigeren van de overlevering zou betekenen dat de opgeëiste persoon zijn vervolging ontloopt. Het behoeft geen nadere toelichting dat dit onwenselijk is.
De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat de uitvaardiging van het AB niet evenredig is vanwege de omstandigheid dat het Verenigd Koninkrijk lange tijd niets met de zaak gedaan heeft. De rechtbank volgt de raadsman op dit punt eveneens niet en gaat ervanuit dat de Britse rechter die het AB heeft uitgevaardigd deze omstandigheid reeds heeft meegewogen bij zijn beslissing een AB uit te vaardigen en dat daarbij eveneens gekeken is naar de mogelijkheid van minder vergaande maatregelen.
De rechtbank verwerpt het verweer.
7Detentieomstandigheden in HMP Forest Bank
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering een risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenis waar hij blijkens de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit naar alle waarschijnlijkheid terecht zal komen, HMP Forest Bank. De raadsman heeft in dit kader een artikel overlegd uit de Greater Manchester News van 1 januari 2024..
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verwezen naar een recent uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarnaar de raadsman zelf ook heeft verwezen en waaruit volgt dat er ten aanzien van HMP Forest Bank geen algemeen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft laatstelijk op 16 februari 2023 geoordeeld over de detentieomstandigheden in HMP Forest Bank.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
10Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 242, 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 3 en 5 Uitvoeringswet en 606 HSO.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Greater Manchester Magistrates Court (Verenigd Koninkrijk).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M. Wiewel en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 maart 2024.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353
Rechtbank Amsterdam 16 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:830.