Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-15
ECLI:NL:RBAMS:2026:3794
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
7,456 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3794 text/xml public 2026-04-17T12:45:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-15 13/028419-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3794 text/html public 2026-04-17T11:14:26 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3794 Rechtbank Amsterdam , 15-04-2026 / 13/028419-26 Vervolgings-EAB uit Duitsland. Artikel 2 OLW: met de omschrijving in het EAB en het A-formulier is voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. In het EAB is met betrekking tot het eerste feit geen afgebakende pleegperiode en een pleegplaats vermeld, maar het EAB bevat een voldoende nauwkeurige beschrijving van de gedraging zelf. De naleving van het specialiteitsbeginsel is hiermee naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon heeft geen zodanige banden met Nederland dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf beter in Nederland kan plaatsvinden. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt dus niet afhankelijk gemaakt van de gegeven terugkeergarantie. Artikel 13 OLW: de omstandigheid dat het tweede feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, geeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen, omdat het zwaartepunt van het feit in Duitsland ligt, het onderzoek is aangevangen in Duitsland, het bewijs zich in Duitsland bevindt en de medeverdachte ook in Duitsland wordt vervolgd. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/028419-26 Datum uitspraak: 15 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 januari 2026 door het Amtsgericht Augsburg , Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] (Nederland), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis ten behoeve van strafvervolging van het Amtsgericht Augsburg van 23 december 2025 met kenmerk 64 Gs 7831/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Genoegzaamheid 4.1 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ten aanzien van het eerste feit niet genoegzaam is en dat de overlevering voor dit feit moet worden geweigerd. Het tijdstip en de locatie van het feit zijn namelijk niet vermeld. Hierdoor is het voor de opgeëiste persoon niet duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en wordt naleving van het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd. Hierbij heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van de rechtbank. 4.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In de stukken is duidelijk omschreven van welke feiten de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Dit is ook het geval ten aanzien van het eerste feit, omdat de gedraging nauwkeurig beschreven is. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Nu het gaat om een vervolgings-EAB en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, hoeft de verdenking (naar vaste jurisprudentie) nog niet volledig uitgekristalliseerd te zijn. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. 4.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in het EAB en het A-formulier voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. In onderdeel e) van het EAB is met betrekking tot het eerste feit weliswaar geen afgebakende pleegperiode en een pleegplaats vermeld, maar de is rechtbank van oordeel dat het EAB in onderdeel e) een voldoende nauwkeurige beschrijving van de gedraging zelf bevat. Hierover is namelijk vermeld : “verkocht en overhandigde verdachte aan de in een andere zaak vervolgde [persoon] (…) ten minste 300 gram cocaïnemengsel voor de prijs van 17.000 euro. De cocaïne had een gehalte aan werkzame stof van ten minste 30 procent cocaïne-hydrochloride” . Daarnaast is ten aanzien van de verdenking vermeld dat het feit voorafgaand aan 18 september 2024 zou zijn gepleegd. Boven de beschrijving van alle feiten staat bovendien als gehele pleegperiode vermeld “ september 2024 tot en met november 2024” , met als plaats(en delict Augsburg (Duitsland) en Enschede (Nederland). De rechtbank begrijpt hieruit dat het eerste feit gepleegd zou zijn in de periode tussen begin september 2024 en 18 september 2024. De rechtbank overweegt verder dat sprake is van een overlevering in het kader van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek, waardoor een nadere specificatie thans niet nodig is. De precieze gang van zaken met betrekking tot het eerste feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland mede wordt verdacht, zal later in Duitsland moeten blijken. In verband met het voorgaande is de naleving van het specialiteitsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 5 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Der Leitende Oberstaatsanwalt (de Hoofdofficier van Justitie) te Augsburg heeft op 23 februari 2026 ten aanzien van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven: "Verwijzend naar uw e-mail van 16-02-2026 kan ik u garanderen dat, indien betrokkene wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hij op zijn verzoek voor de tenuitvoerlegging naar Nederland zal worden teruggeleverd." De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft zich op de zitting op deze garantie beroepen.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3794 text/xml public 2026-04-17T12:45:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-15 13/028419-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3794 text/html public 2026-04-17T11:14:26 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3794 Rechtbank Amsterdam , 15-04-2026 / 13/028419-26 Vervolgings-EAB uit Duitsland. Artikel 2 OLW: met de omschrijving in het EAB en het A-formulier is voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. In het EAB is met betrekking tot het eerste feit geen afgebakende pleegperiode en een pleegplaats vermeld, maar het EAB bevat een voldoende nauwkeurige beschrijving van de gedraging zelf. De naleving van het specialiteitsbeginsel is hiermee naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon heeft geen zodanige banden met Nederland dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf beter in Nederland kan plaatsvinden. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt dus niet afhankelijk gemaakt van de gegeven terugkeergarantie. Artikel 13 OLW: de omstandigheid dat het tweede feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, geeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen, omdat het zwaartepunt van het feit in Duitsland ligt, het onderzoek is aangevangen in Duitsland, het bewijs zich in Duitsland bevindt en de medeverdachte ook in Duitsland wordt vervolgd. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/028419-26 Datum uitspraak: 15 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 januari 2026 door het Amtsgericht Augsburg , Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] (Nederland), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis ten behoeve van strafvervolging van het Amtsgericht Augsburg van 23 december 2025 met kenmerk 64 Gs 7831/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Genoegzaamheid 4.1 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ten aanzien van het eerste feit niet genoegzaam is en dat de overlevering voor dit feit moet worden geweigerd. Het tijdstip en de locatie van het feit zijn namelijk niet vermeld. Hierdoor is het voor de opgeëiste persoon niet duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en wordt naleving van het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd. Hierbij heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van de rechtbank. 4.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In de stukken is duidelijk omschreven van welke feiten de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Dit is ook het geval ten aanzien van het eerste feit, omdat de gedraging nauwkeurig beschreven is. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Nu het gaat om een vervolgings-EAB en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, hoeft de verdenking (naar vaste jurisprudentie) nog niet volledig uitgekristalliseerd te zijn. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. 4.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in het EAB en het A-formulier voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. In onderdeel e) van het EAB is met betrekking tot het eerste feit weliswaar geen afgebakende pleegperiode en een pleegplaats vermeld, maar de is rechtbank van oordeel dat het EAB in onderdeel e) een voldoende nauwkeurige beschrijving van de gedraging zelf bevat. Hierover is namelijk vermeld : “verkocht en overhandigde verdachte aan de in een andere zaak vervolgde [persoon] (…) ten minste 300 gram cocaïnemengsel voor de prijs van 17.000 euro. De cocaïne had een gehalte aan werkzame stof van ten minste 30 procent cocaïne-hydrochloride” . Daarnaast is ten aanzien van de verdenking vermeld dat het feit voorafgaand aan 18 september 2024 zou zijn gepleegd. Boven de beschrijving van alle feiten staat bovendien als gehele pleegperiode vermeld “ september 2024 tot en met november 2024” , met als plaats(en delict Augsburg (Duitsland) en Enschede (Nederland). De rechtbank begrijpt hieruit dat het eerste feit gepleegd zou zijn in de periode tussen begin september 2024 en 18 september 2024. De rechtbank overweegt verder dat sprake is van een overlevering in het kader van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek, waardoor een nadere specificatie thans niet nodig is. De precieze gang van zaken met betrekking tot het eerste feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland mede wordt verdacht, zal later in Duitsland moeten blijken. In verband met het voorgaande is de naleving van het specialiteitsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 5 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Der Leitende Oberstaatsanwalt (de Hoofdofficier van Justitie) te Augsburg heeft op 23 februari 2026 ten aanzien van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven: "Verwijzend naar uw e-mail van 16-02-2026 kan ik u garanderen dat, indien betrokkene wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hij op zijn verzoek voor de tenuitvoerlegging naar Nederland zal worden teruggeleverd." De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft zich op de zitting op deze garantie beroepen.
Volledig
Daarbij heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zijn volwassen zoon in Nederland woonachtig is, dat hijzelf en zijn vriendin samen woonachtig zijn in [land] , waar zij op 1 november 2025 gezamenlijk een huis hebben gekocht en dat hij een eigen bedrijf heeft waarvoor hij (online) werkzaamheden verricht vanuit [land] . De opgeëiste persoon was, zo heeft hij ook verklaard, vanuit [land] naar Nederland gekomen om zijn zoon te bezoeken en om meubels vanuit Nederland naar [land] te verhuizen. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon blijkens de registratie in de Basisregistratie Personen sinds 17 mei 2023 niet geregistreerd staat in Nederland, maar ingeschreven staat op een adres in [land] . De rechtbank stelt op grond van voormelde gegevens vast dat de opgeëiste persoon geen zodanige banden heeft met Nederland dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie, beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen niet in Nederland, maar in [land] gevestigd. In verband met het voorgaande oordeelt de rechtbank dat overlevering van de opgeëiste persoon niet afhankelijk wordt gemaakt van de gegeven garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW 7.1 Inleiding Het EAB ziet onder andere op een feit dat geheel of gedeeltelijk geacht wordt op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. 7.2 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ten aanzien van het tweede feit moet worden geweigerd op grond van artikel 13 OLW. Het feit wordt geacht in Enschede te zijn gepleegd. Het zwaartepunt van het onderzoek en de bewijsvergaring ligt dan ook in Nederland en Nederland heeft rechtsmacht. Het openbaar ministerie kan gebruikmaken van het opportuniteitsbeginsel. Bovendien moet de opgeëiste persoon als onderdaan van Nederland ook in Nederland worden berecht. 7.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW van toepassing is ten aanzien van het tweede feit, maar heeft de rechtbank verzocht om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. De verdenking is weliswaar dat de opgeëiste persoon 100 gram cocaïne in Enschede zou hebben gekocht ten behoeve van doorverkoop, maar het zwaartepunt van het feit ligt in Duitsland, omdat er 10 gram cocaïne zou zijn ingevoerd en verkocht in Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben dan ook rechtsmacht om de opgeëiste persoon te vervolgen voor dit feit en het Nederlandse openbaar ministerie is bovendien niet voornemens om over te gaan tot vervolging. Daarnaast is het onderzoek aangevangen in Duitsland, bevindt het bewijs zich in Duitsland en wordt de medeverdachte wordt ook in Duitsland vervolgd. Artikel 13 OLW staat dus niet aan de overlevering in de weg. 7.4 Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. Met de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4, punt 7, onderdeel a, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, in Nederland geïmplementeerd in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW, heeft de Europese wetgever – in een geval als het onderhavige – bedoeld toe te laten dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit (uitvaardigend of uitvoerend) die zich in de meest adequate positie bevindt vanuit het oogpunt van een goede rechtsbedeling. De rechtbank heeft daarom een beoordelingsmarge bij de toepassing van de weigeringsgrond, zodat het doel van het vermijden van het risico van straffeloosheid niet in gevaar komt. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de specifieke omstandigheden van het geval. In het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden, geeft de omstandigheid dat het tweede feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. De weigeringsgrond als genoemd in artikel 13 OLW staat dus niet aan de overlevering in de weg. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 en 13 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Augsburg , Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam 4 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2312. De rechtbank stelt met de raadsman en de officier van justitie vast dat de vertaalde versie van het EAB in de Nederlandse taal op dit punt verschilt van de originele versie van het EAB in de Duitse taal. In de vertaalde versie zijn namelijk zowel het lijstfeit illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, als het lijstfeit georganiseerde of gewapende diefstal aangekruist, terwijl de uitvaardigende justitiële autoriteit in de originele versie van het EAB enkel het lijstfeit illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen heeft aangekruist. De rechtbank constateert dat de vertaalde versie van het EAB op dit punt een kennelijke typefout bevat en baseert haar oordeel op de originele versie van het EAB, zoals ingevuld en overgelegd door de uitvaardigende justitiële autoriteit. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 42. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punten 43 en 44. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 47.
Volledig
Daarbij heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zijn volwassen zoon in Nederland woonachtig is, dat hijzelf en zijn vriendin samen woonachtig zijn in [land] , waar zij op 1 november 2025 gezamenlijk een huis hebben gekocht en dat hij een eigen bedrijf heeft waarvoor hij (online) werkzaamheden verricht vanuit [land] . De opgeëiste persoon was, zo heeft hij ook verklaard, vanuit [land] naar Nederland gekomen om zijn zoon te bezoeken en om meubels vanuit Nederland naar [land] te verhuizen. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon blijkens de registratie in de Basisregistratie Personen sinds 17 mei 2023 niet geregistreerd staat in Nederland, maar ingeschreven staat op een adres in [land] . De rechtbank stelt op grond van voormelde gegevens vast dat de opgeëiste persoon geen zodanige banden heeft met Nederland dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie, beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen niet in Nederland, maar in [land] gevestigd. In verband met het voorgaande oordeelt de rechtbank dat overlevering van de opgeëiste persoon niet afhankelijk wordt gemaakt van de gegeven garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW 7.1 Inleiding Het EAB ziet onder andere op een feit dat geheel of gedeeltelijk geacht wordt op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. 7.2 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ten aanzien van het tweede feit moet worden geweigerd op grond van artikel 13 OLW. Het feit wordt geacht in Enschede te zijn gepleegd. Het zwaartepunt van het onderzoek en de bewijsvergaring ligt dan ook in Nederland en Nederland heeft rechtsmacht. Het openbaar ministerie kan gebruikmaken van het opportuniteitsbeginsel. Bovendien moet de opgeëiste persoon als onderdaan van Nederland ook in Nederland worden berecht. 7.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW van toepassing is ten aanzien van het tweede feit, maar heeft de rechtbank verzocht om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. De verdenking is weliswaar dat de opgeëiste persoon 100 gram cocaïne in Enschede zou hebben gekocht ten behoeve van doorverkoop, maar het zwaartepunt van het feit ligt in Duitsland, omdat er 10 gram cocaïne zou zijn ingevoerd en verkocht in Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben dan ook rechtsmacht om de opgeëiste persoon te vervolgen voor dit feit en het Nederlandse openbaar ministerie is bovendien niet voornemens om over te gaan tot vervolging. Daarnaast is het onderzoek aangevangen in Duitsland, bevindt het bewijs zich in Duitsland en wordt de medeverdachte wordt ook in Duitsland vervolgd. Artikel 13 OLW staat dus niet aan de overlevering in de weg. 7.4 Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. Met de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4, punt 7, onderdeel a, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, in Nederland geïmplementeerd in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW, heeft de Europese wetgever – in een geval als het onderhavige – bedoeld toe te laten dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit (uitvaardigend of uitvoerend) die zich in de meest adequate positie bevindt vanuit het oogpunt van een goede rechtsbedeling. De rechtbank heeft daarom een beoordelingsmarge bij de toepassing van de weigeringsgrond, zodat het doel van het vermijden van het risico van straffeloosheid niet in gevaar komt. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de specifieke omstandigheden van het geval. In het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden, geeft de omstandigheid dat het tweede feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. De weigeringsgrond als genoemd in artikel 13 OLW staat dus niet aan de overlevering in de weg. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 en 13 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Augsburg , Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam 4 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2312. De rechtbank stelt met de raadsman en de officier van justitie vast dat de vertaalde versie van het EAB in de Nederlandse taal op dit punt verschilt van de originele versie van het EAB in de Duitse taal. In de vertaalde versie zijn namelijk zowel het lijstfeit illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, als het lijstfeit georganiseerde of gewapende diefstal aangekruist, terwijl de uitvaardigende justitiële autoriteit in de originele versie van het EAB enkel het lijstfeit illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen heeft aangekruist. De rechtbank constateert dat de vertaalde versie van het EAB op dit punt een kennelijke typefout bevat en baseert haar oordeel op de originele versie van het EAB, zoals ingevuld en overgelegd door de uitvaardigende justitiële autoriteit. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 42. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punten 43 en 44. HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 ( Rastoshev ), punt 47.