Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-09-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:6871
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,742 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-197391-25
Datum uitspraak: 17 september 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 juni 2025 door het Amtsgericht (kantongerecht van) Wiesbaden, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 september 2025, in aanwezigheid van mr. N.M. Lemmers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Kantongerecht van Wiesbaden van 14 mei 2025 met dossiernummer: 71 Gs 633/25 (2240 Js 12391/25).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van haar gezinsleven en haar belangen in Nederland gevestigd.
Haar overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De hoofdofficier van justitie bij het Openbaar Ministerie van Wiesbaden heeft op 11 augustus 2025 de volgende garantie gegeven:
“Uitlevering (de rechtbank begrijpt: overlevering) in strafzaken met het Koninkrijk der Nederlanden: onderzoek tegen [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] .
Garantie van terugoverbrenging op grond van artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de overleveringsprocedure tussen de lidstaten (2002/584/JBZ)
Er wordt gegarandeerd dat de bovengenoemde vervolgde persoon, indien hij (de rechtbank begrijpt: zij) in de Bondsrepubliek Duitsland rechtsgeldig wordt veroordeeld, op grond van de geldende versie van het Kaderbesluit 2008/909/JI van de Raad van 27 november 2008 betreffende toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke beslissingen waarbij een vrijheidsstraf of en tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB : 327 van 5-12-2008, blz. 27) voor verdere tenuitvoerlegging in het Koninkrijk der Nederlanden (de rechtbank begrijpt: teruggezonden zal worden).”
De rechtbank constateert dat het dossier, naast de bovenstaande gebrekkige vertaling, ook de originele Duitse terugkeergarantie bevat. Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie, gelezen in samenhang met de originele Duitse versie, voldoende.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht (kantongerecht van) Wiesbaden, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.C. Hooibrink en D. Kloos, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 september 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.