Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2026:2715
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,310 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2715 text/xml public 2026-04-07T14:40:35 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-11 C/13/770933 / HA ZA 25-1179 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2715 text/html public 2026-04-02T09:06:33 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2715 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / C/13/770933 / HA ZA 25-1179 Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurders voor nakoming leningsovereenkomst van de vennootschap; uitleg leningsovereenkomst; geen hoofdelijkheid gebleken; verstek verleend tegen één van de twee bestuurders. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/770933 / HA ZA 25-1179 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. E.A.S. van Spanje, tegen 1 [gedaagde 1] , te [woonplaats 2] , niet verschenen, 2. [gedaagde 2] , te [woonplaats 3] , advocaat: mr. B.P.C. Bijl, gedaagde partijen, hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het incidenteel vonnis van 5 november 2025; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde 1] is de zoon van [eiser] . [gedaagde 2] en [gedaagde 1] waren bestuurders en aandeelhouders van de vennootschap Elephantus Investments B.V. (hierna: Elephantus). Elephantus was een vastgoedonderneming. 2.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aan [eiser] financiering gevraagd voor Elephantus. Op 5 januari 2021 heeft [gedaagde 1] , namens Elephantus, aan de adviseur van [eiser] een conceptovereenkomst gestuurd voor een lening van [eiser] aan Elephantus, met als toelichting onder andere: “ Om het eenvoudig te maken hebben wij er een geldlening van gemaakt van maximaal 1 jaar, met 12% rente per jaar (de lening mag vervroegd worden ingelost). Zekerheden : Elephantus Investments brengt de getekende courtageovereenkomst inzake Hilversum ad € 350.000,- als onderpand. [gedaagde 2] [ [gedaagde 2] ] en ik tekenen privé mee voor de geldlening. ” 2.3. Dat concept is vervolgens door [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ondertekend (hierna: de Leningsovereenkomst). In de Leningsovereenkomst staat, voor zover relevant: “ Artikel 1. Hoofdsom 1. Schuldeiser verstrekt aan schuldenaar ter leen een bedrag ad € 250.000,- (…) Artikel 2. Rente 1. Over de hoofdsom, of het eventuele restant daarvan, is schuldenaar een rente verschuldigd 12% over de looptijd. Dit rentepercentage geldt voor de looptijd van de lening, vanaf het moment dat de volledige hoofdsom is geleend. De looptijd van de geldlening loopt t/m 5 januari 2022. De lening mag eerder worden afgelost (rente voet 1% per maand). Artikel 3. Looptijd en (vervroegde) aflossing 1. De geldlening heeft een looptijd van maximaal 12 maanden t/m 5 januari 2022. Na afloop dan deze termijn dient de volledige hoofdsom afgelost te worden inclusief rente. Hoofdsom + rente (€250.000 + €30.000 = €280.000). Artikel 4. Zekerheden Elephantus Investments BV heeft een factuur (…) als onderpand gegeven aan schuldeiser (zie Courtageovereenkomst Elephantus-DKVG d.d. 24 februari 2020) die direct opeisbaar is indien schuldenaar aan schuldeiser niet op 5 januari 2022 haar verplichting kan voldoen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tekenen prive mee voor deze lening. ” 2.4. In de Leningsovereenkomst hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder hun handtekening gezet boven ‘Elephantus Investments BV’ met daaronder hun eigen naam ‘ [gedaagde 1] ’ respectievelijk ‘ [gedaagde 2] ’ opgenomen. 2.5. [eiser] heeft daarna een bedrag van € 250.000 aan Elephantus verstrekt (hierna: de Lening). 2.6. Op 8 november 2022 heeft [eiser] gevraagd wanneer de Lening zou worden terugbetaald. [eiser] schreef toen in een e-mail aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] onder meer: “(…) Ik heb jullie de geldlening verstrekt op basis van de geaccordeerde courtage afspraak met de heer [naam] . De lening zou uiterlijk na 12 maanden in januari 2022 afgelost worden met rente. Dat jij en [gedaagde 1] toen niet konden aflossen, was vanwege de wanprestatie van de heer [naam] , daar had en heb ik begrip voor en heb daar ook niet moeilijk over gedaan. Maar nu zijn we 22 maanden verder en ik ga ervanuit dat het totale bedrag op korte termijn betaald wordt vanwege de toezeggingen tot betaling van de heer [naam] . Het duurt mij nu te lang, ik heb het geld ook nodig. ” 2.7. Op 28 augustus 2023 is Elephantus ontbonden. 2.8. Op 12 oktober 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] een e-mail gestuurd ter bevestiging van aanvullende afspraken over additionele rente over de Lening en een tweede recht van hypotheek op de woning van [gedaagde 2] ter hoogte van € 150.000. [eiser] schreef in die e-mail onder meer: “(…) spraken wij af dat het bedrag van 280.000 euro verhoogd zou worden naar 300.000 euro, zodat het deel van jou en [gedaagde 1] dan ieder 150.000 euro zou zijn. ” 2.9. Op 31 oktober 2023 heeft [eiser] een e-mail gestuurd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , met daarin opnieuw een bevestiging van de aanvullende afspraken uit de e-mail van 12 oktober 2023. Daarin schreef [eiser] ook aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] : “(…) Ik ben op de hoogte gesteld door jullie van de problemen met de heer [naam] van DKVG B.V. inzake het niet nakomen van hem met betrekking tot de courtage afspraken. Echter deze courtage afspraak is in artikel 4. van de onderhavige leningsovereenkomst als meerdere zekerheid opgenomen en het niet ontvangen van deze courtage kan niet als argument gebruikt worden om de leningsovereenkomst niet af te lossen. ” 2.10. Op 24 september 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] per e-mail ook om een update gevraagd over terugbetaling van de Lening. Daarin schreef [eiser] verder: “ Jullie hebben aangegeven om de lening terug te betalen vanuit een andere deal en mij niet te laten wachten met de afwikkeling met DKVG. Dat was ook destijds de afspraak. ” 2.11. Op 28 januari 2025 heeft de advocaat van [eiser] een sommatie gestuurd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor terugbetaling van de Lening, met 12 februari 2025 als uiterlijke betaaldatum. 2.12. Op 4 juni 2025 is door [eiser] conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde 2] . 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk dan wel ieder voor zich te veroordelen tot betaling van € 300.000, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. 3.2. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen [eiser] , Elephantus, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is een overeenkomst gesloten, waarin [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld voor nakoming van de afspraken uit de Leningsovereenkomst. Elephantus heeft de Lening en de daarover verschuldigde rente niet aan [eiser] terugbetaald. [eiser] kan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarom hoofdelijk aanspreken voor het volledige uitstaande bedrag onder de Leningsovereenkomst van € 300.000. 3.3. [gedaagde 2] voert verweer. [gedaagde 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad. 3.4. [gedaagde 2] voert het volgende aan. Er is primair geen sprake van persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] . Dat volgt niet uit de Leningsovereenkomst of de bedoelingen van partijen. Subsidiair vernietigt [gedaagde 2] artikel 4.2 van de Leningsovereenkomst vanwege dwaling. Meer subsidiair stelt [gedaagde 2] dat de Lening nog niet opeisbaar is omdat opeisbaarheid afhankelijk is van het ontvangen van courtage van een crediteur van Elephantus, DKVG B.V. (hierna: DKVG). Nog meer subsidiair is volgens [gedaagde 2] sprake van strijd met de redelijkheid & billijkheid dan wel misbruik van recht, nu [eiser] met deze procedure en het door hem gelegde conservatoire beslag alleen zijn pijlen richt op [gedaagde 2] .
Volledig
Uiterst subsidiair is [gedaagde 2] slechts aansprakelijk voor de helft van de lening omdat in de Leningsovereenkomst geen hoofdelijkheid is afgesproken. 3.5. [gedaagde 1] is niet verschenen in de procedure. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat Elephantus de Lening van [gedaagde 1] heeft ontvangen, dat daarover rente ter hoogte van € 50.000 is verschuldigd en dat zowel Elephantus als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden niets aan [eiser] hebben terugbetaald. 4.2. De vraag is of [eiser] op grond van de Leningsovereenkomst [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor het openstaande bedrag van € 300.000 persoonlijk kan aanspreken, en zo ja, of dat hoofdelijk kan. De rechtbank beantwoordt die eerste vraag bevestigend. Dat partijen hoofdelijkheid zouden hebben afgesproken is echter niet gebleken. De overige verweren van [gedaagde 2] tegen toewijzing van de vordering van [eiser] slagen niet. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden daarom ieder veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 150.000. De rechtbank ligt dat hieronder toe. Persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] 4.3. In de Leningsovereenkomst hebben partijen in artikel 4 “ Zekerheden ” afgesproken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] “ in prive ” meetekenen voor de Lening. Uit de e-mail van 5 januari 2021 van [gedaagde 1] blijkt dat hij, namens Elephantus, ook expliciet als zekerheid heeft voorgesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in privé zouden meetekenen voor de Lening. De rechtbank leidt daaruit af dat partijen met die afspraak hebben bedoeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] persoonlijk, naast Elephantus, zouden kunnen worden aangesproken voor terugbetaling van de Lening en de daarover verschuldigde rente. Niet valt in te zien welke zekerheid [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anders aan [eiser] hebben willen geven met het in privé meetekenen van de Leningsovereenkomst. Een afdoende alternatieve verklaring heeft [gedaagde 2] ter zitting ook niet kunnen geven. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet separaat een tweede handtekening hebben gezet onder de Leningsovereenkomst doet daar niet aan af. Zij hebben hun handtekening gezet boven Elephantus met daaronder ieder hun eigen naam. 4.4. Dat partijen dit zo hebben bedoeld volgt ook uit hun gedragingen na het sluiten van de Leningsovereenkomst. Zo hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] na ontbinding van Elephantus met [eiser] nog afspraken gemaakt en gesproken over terugbetaling van de Lening, blijkt uit de e-mails van 12 oktober 2023, 31 oktober 2023 en 24 september 2024. [gedaagde 2] heeft er zelfs mee ingestemd dat hij voor een bedrag van € 150.000 een tweede recht van hypotheek zou vestigen op zijn woning. [eiser] schreef op 31 oktober 2023: “(…) spraken wij af dat het bedrag van 280.000 euro verhoogd zou worden naar 300.000 euro, zodat het deel van jou en [gedaagde 1] dan ieder 150.000 euro zou zijn. ” Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat alle partijen dus ervan uitgingen dat [gedaagde 1] Stephen en [gedaagde 2] persoonlijk aansprakelijk waren voor nakoming van de verplichtingen uit de Leningsovereenkomst. Geen hoofdelijkheid gebleken 4.5. Dat partijen hoofdelijkheid zouden hebben afgesproken is daarentegen niet gebleken. Nu hoofdelijkheid een afwijking is van het uitgangspunt van artikel 6:6 lid 1 BW – schuldenaren zijn ieder voor een gelijk deel verbonden – en dit voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verderstrekkende gevolgen zou hebben dan alleen persoonlijke aansprakelijkheid voor gelijke delen, mag hoofdelijk niet te snel worden aangenomen. 4.6. In de Leningsovereenkomst staat nergens ‘hoofdelijkheid’, ‘hoofdelijk’ of iets anders dat erop wijst dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder voor het geheel zouden kunnen worden aangesproken. Er zijn ook geen aanvullende omstandigheden aangevoerd of gebleken waaruit de bedoeling om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te verbinden tot nakoming zou kunnen worden afgeleid. Dat [gedaagde 2] en [eiser] in oktober 2023 afspraken dat [gedaagde 2] voor een bedrag van € 150.000 een tweede recht van hypotheek zou vestigen op zijn woning wijst er ook op dat partijen van gedeelde aansprakelijkheid uitgingen. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat de bedoeling van partijen bij het sluiten van de Leningsovereenkomst is geweest dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor gelijke delen konden worden aangesproken voor terugbetaling. Overige verweren slagen niet 4.7. Geen van de overige door [gedaagde 2] aangevoerde verweren slaagt. 4.8. Dat [gedaagde 2] van een verkeerde voorstelling van zaken is uitgegaan bij het ondertekenen van de Leningsovereenkomst is niet gebleken. Allereerst kan geen sprake zijn geweest van het verzwijgen of onjuist mededelen van informatie over de Leningsovereenkomst door [eiser] omdat, anders dan [gedaagde 2] eerder in de conclusie van antwoord schreef, [eiser] de Leningsovereenkomst niet heeft opgesteld. [gedaagde 2] heeft ter zitting verklaard dat hij het opstellen van de Leningsovereenkomst aan [gedaagde 1] had overgelaten en de overeenkomst wel had gelezen voordat hij hem tekende, maar zich verder niet heeft verdiept in de daarin opgenomen zekerheden. Dat [gedaagde 1] het concept voor de Leningsovereenkomst heeft opgesteld blijkt ook uit de e-mail van 5 januari 2023. Voor zover [gedaagde 2] bij het aangaan van een verkeerde voorstelling van zaken is uitgegaan, kan hij dat dus niet aan [eiser] verwijten. Bij die stand van zaken kan [gedaagde 2] niet met succes een beroep doen op vernietiging van artikel 4.2 van de Leningsovereenkomst wegens dwaling. 4.9. Uit de Leningsovereenkomst en overige omstandigheden volgt ook niet dat de opeisbaarheid van de Lening afhankelijk was van het ontvangen van de courtage van DKVG. In de Leningsovereenkomst staat expliciet dat de Lening een looptijd heeft van 12 maanden tot en met 5 januari 2022. De Lening is daarmee opeisbaar vanaf die datum. Dat Elephantus, of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , voor terugbetaling afhankelijk waren van de courtage van DKVG maakt niet dat de Lening daarmee ook pas opeisbaar zou zijn vanaf het moment dat die courtage is ontvangen. Partijen hebben dat immers niet zo afgesproken. De courtageovereenkomst met DKVG staat opgenomen als zekerheid voor terugbetaling van de Lening, niet als voorwaarde. [eiser] heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierop later ook nog gewezen in zijn e-mails van 8 november 2022 en 31 oktober 2023. Niet is gebleken dat partijen later alsnog iets anders hebben afgesproken. 4.10. Er is verder ook geen sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid of misbruik van recht door de wijze waarop [eiser] procedeert. In het algemeen geldt dat [eiser] als schuldeiser de vrijheid heeft om te kiezen welke schuldenaar hij tot nakoming van zijn of haar verplichtingen aanspreekt. [eiser] heeft echter zowel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betrokken in deze procedure. Dat [gedaagde 1] niet is verschenen in deze procedure is geen omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend. Dat [eiser] alleen conservatoir beslag onder [gedaagde 2] heeft gelegd levert op zichzelf ook geen strijd met de redelijkheid & billijkheid of misbruik van recht op. [eiser] heeft daarover ook verklaard dat hij bij [gedaagde 1] geen zelfde soort beslag kon leggen omdat [gedaagde 1] geen woning bezit. Slotsom 4.11. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 150.000. Verstek [gedaagde 1] 4.12. [gedaagde 1] is niet in deze procedure verschenen en tegen hem is verstek verleend. [gedaagde 2] heeft wel verweer gevoerd. Als gevolg daarvan is op grond van artikel 140 lid 1 en lid 3 Rv tussen [eiser] en [gedaagde 2] voortgeprocedeerd en wordt één vonnis op tegenspraak gewezen tussen alle partijen. 4.13. Artikel 139 Rv bepaalt dat ingeval van verstekverlening de vordering van eiser wordt toegewezen, tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Volledig
De door de wel verschenen mede-gedaagde ( [gedaagde 2] ) aangevoerde verweren werken niet in het voordeel van de gedaagde die niet is verschenen ( [gedaagde 1] ), tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing (HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911). Die uitzondering doet zich hier voor. Nu in het geval van [gedaagde 2] , zoals hiervoor overwogen door de rechtbank, op grond van de Leningsovereenkomst geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het volledige leningsbedrag, kan niet tegelijkertijd bij [gedaagde 1] wel sprake zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het volledige leningsbedrag, op grond van diezelfde Leningsovereenkomst. Dat zou leiden tot een tegenstrijdig vonnis. De vordering van [eiser] komt de rechtbank verder niet onrechtmatig of ongegrond voor. Hoofdsom 4.14. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden daarom veroordeeld tot betaling van een gelijk deel van de Lening en de daarover verschuldigde rente, ieder een bedrag van € 150.000. Rente 4.15. [eiser] vordert de wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom vanaf 11 februari 2025. In de brief van 28 januari 2025 staat 12 februari 2025 als uiterlijke betaaldatum opgenomen. De wettelijke rente zal daarom vanaf die datum worden toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 4.16. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder worden veroordeeld tot betaling van de helft van het gevorderde bedrag van € 3.275,00. Beslagkosten 4.17. [eiser] vordert [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten voor het leggen van het conservatoir beslag op de woning van [gedaagde 2] . Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar ten aanzien van [gedaagde 2] . De beslagkosten worden vastgesteld op € 443,03 voor kosten deurwaardersexploten, € 331 voor griffiekosten voor verzoekschrift conservatoir beslag en € 2.885,00 voor salaris advocaat (1 punt × € 2.885,00), totaal € 3.659,03. Proceskosten 4.18. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Wanneer meerdere partijen worden veroordeeld tot betaling van proceskosten, is het uitgangspunt dat die partijen daartoe hoofdelijk worden veroordeeld (HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942). Die proceskosten worden wel gesplitst omdat [gedaagde 1] niet is verschenen in de procedure en daarom de kosten van de mondelinge behandeling niet hoeft te betalen. Dat betekent dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de volgende proceskosten van [eiser] : - griffierecht € 2.392,00 - salaris advocaat € 2.885,00 (1 punt × € 2.885,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.466,00 4.19. [gedaagde 1] wordt verder veroordeeld tot betaling van de kosten van de dagvaarding van € 144,47. 4.20. [gedaagde 2] wordt verder veroordeeld tot betaling van de kosten van de dagvaarding van € 144,47 en voor salaris advocaat voor de mondelinge behandeling van € 2.885,00 (1 punt). 5 De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 150.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 februari 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 150.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 februari 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.637,50 aan buitengerechtelijke kosten, 5.4. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.637,50 aan buitengerechtelijke kosten, 5.5. veroordeelt [gedaagde 2] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 3.659,03, 5.6. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 5.466,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.7. veroordeelt [gedaagde 1] in de overige proceskosten van € 144,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.8. veroordeelt [gedaagde 2] in de overige proceskosten van € 3.029,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.10. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.