Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-15
ECLI:NL:RBAMS:2025:7152
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,146 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:7152 text/xml public 2026-04-14T10:55:30 2025-09-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-07-15 C/13/758706 / FA RK 24-7326 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:7152 text/html public 2026-04-14T10:49:30 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:7152 Rechtbank Amsterdam , 15-07-2025 / C/13/758706 / FA RK 24-7326 Laagtechnologisch draagmoederschap.Verzoeken zien op onder meer gezamenlijk gezag en op adoptie met terugwerkende kracht. De rechtbank neemt op verzoek van partijen ook overwegingen op ten aanzien van de mogelijkheid van een akte van berusting. beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/758706 / FA RK 24-7326 Beschikking van 15 juli 2025 betreffende adoptie en gezag in de zaak van: [wensmoeder] , hierna te noemen de wensmoeder, en [wensvader] , hierna te noemen de wensvader, beiden wonende te [woonplaats 1] , samen mede te noemen de wensouders, advocaat mr. J.H. van der Tol te Amsterdam. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: [de draagmoeder] , hierna te noemen de draagmoeder, wonende te [woonplaats 2] , samen met haar partner mede te noemen de draagouders, advocaat mr. K. Smienk te Gouda. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming , regio Amsterdam, locatie [locatie] , hierna te noemen: de Raad. Als informant is in de procedure aangemerkt [de draagvader] , de partner van de draagmoeder, hierna te noemen de draagvader, wonende te [woonplaats 2] . 1 De procedure 1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoek van de wensouders, ingekomen op 21 oktober 2024; het F9-formulier van draagmoeder, met als bijlage een instemmingsverklaring, ingekomen op 15 november 2024; het F9-formulier van de wensouders, met bijlagen, ingekomen op 9 april 2025; het advies van de Raad, ingekomen op 26 mei 2025. 1.2. De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025. Hierbij zijn verschenen: - de wensouders met hun advocaat; - de draagouders met hun advocaat. De Raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. 2 De feiten 2.1. De draagouders hebben een relatie. Zij hebben twee kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij beschouwen hun gezin als compleet. 2.2. De wensouders hebben sinds 14 jaar een relatie en wonen ongeveer zes jaar samen. 2.3. De draagmoeder is al ruim tien jaar een goede vriendin van de wensmoeder. 2.4. De wensouders hebben een grote kinderwens. Vanwege het feit dat de wensmoeder de ziekte van Hodgkin heeft gehad, kan deze wens niet worden vervuld via een traditionele zwangerschap. De draagmoeder heeft de intrinsieke wens ontwikkeld om draagmoeder te willen zijn voor de wensouders. 2.5. Partijen hebben zich in eerste instantie gewend tot fertiliteitskliniek Nij Geertgen. Zij hebben ook een counselingtraject afgelegd bij een gespecialiseerd counselor. Uiteindelijk hebben zij gekozen voor een laagtechnologisch draagmoederschaptraject, waarbij de draagmoeder via zelfinseminatie zwanger is geworden van de wensvader. Daarbij is dus gebruik gemaakt van een eigen eicel van de draagmoeder. 2.6. Voorafgaand aan het zwangerschapstraject hebben de wensouders en de draagouders met elkaar een draagmoederschapsovereenkomst opgesteld met behulp van hun advocaten. Deze overeenkomst is op 16 maart 2024 door hen ondertekend. Hierna heeft de zelfinseminatie plaatsgevonden. 2.7. Op [geboortedatum 1] 2025 is [minderjarige 3] geboren te [geboorteplaats 1] . De wensvader heeft haar voorafgaand aan de geboorte erkend. Op de geboorteakte zijn de draagmoeder en de wensvader als ouders vermeld. 2.8. [minderjarige 3] verblijft sinds haar geboorte met toestemming van de draagouders onafgebroken bij de wensouders en wordt door hen verzorgd en opgevoed. 2.9. Alle betrokkenen en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit. 3 Het verzoek 3.1. Verzoekers verzoeken de rechtbank: - te bepalen dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd en dat de wensouders samen met het gezag over [minderjarige 3] worden belast; - de adoptie uit te spreken van de minderjarige door de wensmoeder en te verklaren dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte en dat de familierechtelijke betrekkingen tussen de wensvader en [minderjarige 3] in stand blijven na de adoptie; - te verstaan dat de wensouders na de adoptie gezamenlijk met het gezag over de minderjarige zijn belast en daarvan een aantekening te laten maken in het gezagsregister. Tijdens de zitting hebben de wensouders het verzoek aangevuld in die zin dat zij verzoeken om wanneer zij samen met het gezag zullen worden belast, deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Verder hebben zij de rechtbank verzocht in de overwegingen op te nemen ‘dat de beslissing, zodra partijen een akte van berusting hebben ingediend, kan worden ingeschreven door de ambtenaar van de burgerlijke stand.’ De draagmoeder onderschrijft dit verzoek. 4 De beoordeling Het standpunt van de draagmoeder tijdens de zitting 4.1. De draagmoeder heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat het een bijzondere situatie is, dat het fijn is dat alles is gelopen zoals het was bedacht en dat het goed voelt. Het is de afsluiting van een bijzondere periode.. Het standpunt van de Raad 4.2. De Raad heeft in het advies van 23 mei 2025 de rechtbank geadviseerd om het gezag van de draagmoeder over de minderjarige te beëindigen omdat de wensouders samen de verzorging uitvoeren en beslissingen nemen over [minderjarige 3] . De Raad acht het in het belang van [minderjarige 3] om het verzoek tot adoptie af te wachten tot na de verzorgingstermijn van één jaar. Bevoegdheid 4.3. Nu de wensouders en draagmoeder uitdrukkelijk kiezen voor de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam en wensen dat de zaak niet wordt verwezen naar de relatief bevoegde rechtbank, acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Gezag 4.4. De wensouders hebben de rechtbank verzocht het gezag over [minderjarige 3] te wijzigen in die zin dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd en de wensouders met het gezag over haar worden belast, in die zin dat de wensvader met het gezag over haar wordt belast en direct daarna, op grond van artikel 1:253t BW, de wensmoeder samen met hem, welke beslissingen dan uitvoerbaar worden verklaard. 4.5. De draagmoeder heeft geen bezwaar tegen toewijzing van dit verzoek. De Raad heeft in haar advies geadviseerd het gezag van de draagmoeder te beëindigen en de wensouders met het gezag over [minderjarige 3] te belasten. Gezag wensvader 4.6. Het verzoek met betrekking tot het gezag ten aanzien van de wensvader is gebaseerd op artikel 1:253c BW. Dit artikel bepaalt – voor zover hier van belang – dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag te belasten. Wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. 4.7. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige 3] vlak na de geboorte is opgenomen in het gezin van de wensouders en dat zij sindsdien door hen wordt opgevoed en verzorgd. De zwangerschap van de draagmoeder was vanaf het begin gericht op ouderschap voor de wensouders. De rechtbank is dan ook – met de Raad – van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 3] wenselijk is dat de wensvader met het eenhoofdig gezag over haar belast zal worden. De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen en uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De griffier zal worden opgedragen hiervan aantekening te maken in het gezagsregister. Adoptie 4.8. Het gaat hier om een Nederlands adoptieverzoek. De artikelen 1:227, 228 en 230 van het BW zijn op dit verzoek van toepassing. 4.9.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:7152 text/xml public 2026-04-14T10:55:30 2025-09-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-07-15 C/13/758706 / FA RK 24-7326 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:7152 text/html public 2026-04-14T10:49:30 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:7152 Rechtbank Amsterdam , 15-07-2025 / C/13/758706 / FA RK 24-7326 Laagtechnologisch draagmoederschap.Verzoeken zien op onder meer gezamenlijk gezag en op adoptie met terugwerkende kracht. De rechtbank neemt op verzoek van partijen ook overwegingen op ten aanzien van de mogelijkheid van een akte van berusting. beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/758706 / FA RK 24-7326 Beschikking van 15 juli 2025 betreffende adoptie en gezag in de zaak van: [wensmoeder] ,hierna te noemen de wensmoeder, en [wensvader] ,hierna te noemen de wensvader, beiden wonende te [woonplaats 1] ,samen mede te noemen de wensouders, advocaat mr. J.H. van der Tol te Amsterdam. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: [de draagmoeder] , hierna te noemen de draagmoeder, wonende te [woonplaats 2] , samen met haar partner mede te noemen de draagouders, advocaat mr. K. Smienk te Gouda. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming ,regio Amsterdam,locatie [locatie] ,hierna te noemen: de Raad. Als informant is in de procedure aangemerkt [de draagvader] , de partner van de draagmoeder, hierna te noemen de draagvader, wonende te [woonplaats 2] . 1 De procedure 1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoek van de wensouders, ingekomen op 21 oktober 2024; het F9-formulier van draagmoeder, met als bijlage een instemmingsverklaring, ingekomen op 15 november 2024; het F9-formulier van de wensouders, met bijlagen, ingekomen op 9 april 2025; het advies van de Raad, ingekomen op 26 mei 2025. 1.2. De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025. Hierbij zijn verschenen: - de wensouders met hun advocaat; - de draagouders met hun advocaat. De Raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. 2 De feiten 2.1. De draagouders hebben een relatie. Zij hebben twee kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij beschouwen hun gezin als compleet. 2.2. De wensouders hebben sinds 14 jaar een relatie en wonen ongeveer zes jaar samen. 2.3. De draagmoeder is al ruim tien jaar een goede vriendin van de wensmoeder. 2.4. De wensouders hebben een grote kinderwens. Vanwege het feit dat de wensmoeder de ziekte van Hodgkin heeft gehad, kan deze wens niet worden vervuld via een traditionele zwangerschap. De draagmoeder heeft de intrinsieke wens ontwikkeld om draagmoeder te willen zijn voor de wensouders. 2.5. Partijen hebben zich in eerste instantie gewend tot fertiliteitskliniek Nij Geertgen. Zij hebben ook een counselingtraject afgelegd bij een gespecialiseerd counselor. Uiteindelijk hebben zij gekozen voor een laagtechnologisch draagmoederschaptraject, waarbij de draagmoeder via zelfinseminatie zwanger is geworden van de wensvader. Daarbij is dus gebruik gemaakt van een eigen eicel van de draagmoeder. 2.6. Voorafgaand aan het zwangerschapstraject hebben de wensouders en de draagouders met elkaar een draagmoederschapsovereenkomst opgesteld met behulp van hun advocaten. Deze overeenkomst is op 16 maart 2024 door hen ondertekend. Hierna heeft de zelfinseminatie plaatsgevonden. 2.7. Op [geboortedatum 1] 2025 is [minderjarige 3] geboren te [geboorteplaats 1] . De wensvader heeft haar voorafgaand aan de geboorte erkend. Op de geboorteakte zijn de draagmoeder en de wensvader als ouders vermeld. 2.8. [minderjarige 3] verblijft sinds haar geboorte met toestemming van de draagouders onafgebroken bij de wensouders en wordt door hen verzorgd en opgevoed. 2.9. Alle betrokkenen en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit. 3 Het verzoek 3.1. Verzoekers verzoeken de rechtbank: - te bepalen dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd en dat de wensouders samen met het gezag over [minderjarige 3] worden belast; - de adoptie uit te spreken van de minderjarige door de wensmoeder en te verklaren dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte en dat de familierechtelijke betrekkingen tussen de wensvader en [minderjarige 3] in stand blijven na de adoptie; - te verstaan dat de wensouders na de adoptie gezamenlijk met het gezag over de minderjarige zijn belast en daarvan een aantekening te laten maken in het gezagsregister. Tijdens de zitting hebben de wensouders het verzoek aangevuld in die zin dat zij verzoeken om wanneer zij samen met het gezag zullen worden belast, deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Verder hebben zij de rechtbank verzocht in de overwegingen op te nemen ‘dat de beslissing, zodra partijen een akte van berusting hebben ingediend, kan worden ingeschreven door de ambtenaar van de burgerlijke stand.’ De draagmoeder onderschrijft dit verzoek. 4 De beoordeling Het standpunt van de draagmoeder tijdens de zitting 4.1. De draagmoeder heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat het een bijzondere situatie is, dat het fijn is dat alles is gelopen zoals het was bedacht en dat het goed voelt. Het is de afsluiting van een bijzondere periode.. Het standpunt van de Raad 4.2. De Raad heeft in het advies van 23 mei 2025 de rechtbank geadviseerd om het gezag van de draagmoeder over de minderjarige te beëindigen omdat de wensouders samen de verzorging uitvoeren en beslissingen nemen over [minderjarige 3] . De Raad acht het in het belang van [minderjarige 3] om het verzoek tot adoptie af te wachten tot na de verzorgingstermijn van één jaar. Bevoegdheid 4.3. Nu de wensouders en draagmoeder uitdrukkelijk kiezen voor de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam en wensen dat de zaak niet wordt verwezen naar de relatief bevoegde rechtbank, acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Gezag 4.4. De wensouders hebben de rechtbank verzocht het gezag over [minderjarige 3] te wijzigen in die zin dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd en de wensouders met het gezag over haar worden belast, in die zin dat de wensvader met het gezag over haar wordt belast en direct daarna, op grond van artikel 1:253t BW, de wensmoeder samen met hem, welke beslissingen dan uitvoerbaar worden verklaard. 4.5. De draagmoeder heeft geen bezwaar tegen toewijzing van dit verzoek. De Raad heeft in haar advies geadviseerd het gezag van de draagmoeder te beëindigen en de wensouders met het gezag over [minderjarige 3] te belasten. Gezag wensvader 4.6. Het verzoek met betrekking tot het gezag ten aanzien van de wensvader is gebaseerd op artikel 1:253c BW. Dit artikel bepaalt – voor zover hier van belang – dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag te belasten. Wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. 4.7. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige 3] vlak na de geboorte is opgenomen in het gezin van de wensouders en dat zij sindsdien door hen wordt opgevoed en verzorgd. De zwangerschap van de draagmoeder was vanaf het begin gericht op ouderschap voor de wensouders. De rechtbank is dan ook – met de Raad – van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 3] wenselijk is dat de wensvader met het eenhoofdig gezag over haar belast zal worden. De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen en uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De griffier zal worden opgedragen hiervan aantekening te maken in het gezagsregister. Adoptie 4.8. Het gaat hier om een Nederlands adoptieverzoek. De artikelen 1:227, 228 en 230 van het BW zijn op dit verzoek van toepassing. 4.9.
Volledig
De draagmoeder stemt blijkens het instemmingsformulier van 29 oktober 2024 en het tijdens de mondelinge behandeling meegedeelde in met het verzoek tot adoptie van [minderjarige 3] door de wensmoeder. De Raad acht het in het belang van [minderjarige 3] om de verzorgingstermijn van een jaar af te wachten alvorens een beslissing te nemen ten aanzien van het adoptieverzoek. 4.10. De wensmoeder voldoet aan de in deze artikelen gestelde voorwaarden met uitzondering van het vereiste van artikel 1:228, eerste lid onder f, BW. Ingevolge artikel 1:228, lid 1 onder f BW geldt er een wettelijke verzorgingstermijn van één jaar. 4.11. Zij heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat deze wettelijke verzorgingstermijn in strijd is met het non-discriminatiebeginsel en het recht op eerbiediging van zijn privé-, familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 EVRM. De wensmoeder verwijst daarbij naar eerdere uitspraken van rechtbanken over dit onderwerp. 4.12. De rechtbank overweegt dat de in artikel 1:228, lid 1 onder f, BW gestelde termijn met name is bedoeld om in het belang van de te adopteren minderjarige de bestendigheid van de verzorging en opvoeding van de minderjarige door de adoptiefouders te toetsen. In deze zaak is echter naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie waarbij de wettelijke verzorgingstermijn geen redelijk doel meer dient. De wensvader is biologisch gezien de ouder van [minderjarige 3] en heeft haar reeds voor de geboorte erkend. De wensouders hebben vanaf haar geboorte gezamenlijk de verzorging en opvoeding op zich genomen. Bovendien is het steeds de intentie geweest van de draagmoeder dat de wensmoeder [minderjarige 3] zou adopteren. De rechtbank ziet daarom niet in waarom het verstrijken van de vereiste verzorgingstermijn van een jaar afgewacht zou moeten worden. Het is in het belang van [minderjarige 3] dat de feitelijke situatie, waarin de wensouders [minderjarige 3] als ouders verzorgen en opvoeden, juridisch wordt geformaliseerd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de verzorgingstermijn van artikel 1:228 lid 1 sub f BW. 4.13. Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat aan het gestelde in de artikelen 1:227 en 1:228 BW is voldaan. Tevens staat vast en is voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien dat [minderjarige 3] niets meer van haar geboortemoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzochte adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige 3] is en zal het verzoek toewijzen. 4.14. Op grond van artikel 1:229 lid 3 BW blijft de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van die ouder de minderjarige adopteert. Terugwerkende kracht adoptie 4.15. De wensouders verzoeken aan de adoptie terugwerkende kracht toe te kennen. Het is in het belang van [minderjarige 3] dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte. Nu zij niet is geboren binnen de relatie van de wensouders kan de wensmoeder geen beroep doen op artikel 1:230 tweede lid van het BW. Nu de wensouders nog geen andere juridische mogelijkheid hebben om voor de geboorte te verzoeken tot adoptie, verzoeken zij dit artikel ook op hen toe te passen. Als zij geen beroep kunnen doen op dit artikel komt dit naar het oordeel van de wensouders in strijd met artikel 8 in samenhang met artikel 14 EVRM. 4.16. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 of 14 EVRM zal de rechtbank dit verzoek wel toewijzen, daartoe overweegt zij als volgt. Door geen terugwerkende kracht toe te kennen aan de adoptiebeslissing wordt er naar het oordeel van de rechtbank evenwel geen recht gedaan aan de intentie van alle partijen om het kind geboren te laten worden voor de wensouders. Partijen hebben gebruik gemaakt van een draagmoederschapsconstructie. De familierechtelijke aspecten van het draagmoederschap zijn (nog) niet in de wet geregeld. In het BW is tot op heden nog geen artikel te vinden over draagmoederschap. Wel is er op dit moment een wetsvoorstel aanhangig, namelijk het “Wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming”. Dit wetsvoorstel voorziet in een wettelijke regeling voor nationaal en internationaal draagmoederschap. Het is onduidelijk of en wanneer dit voorstel behandeld zal worden. Het voorgaande betekent dat de positie van de draagmoeder, de eiceldonor en de wensouders juridisch niet zijn geregeld of beschermd. Er is in Nederland geen wetgeving die het mogelijk maakt om wensouders direct bij de geboorte juridisch ouders te laten zijn. Daarvoor moeten partijen naar de rechter. Pas na de geboorte van het kind kan het ouderschap juridisch worden overgedragen aan de wensouders. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat het in het belang van het kind wordt geacht dat het een juridische band heeft met de personen die hem verzorgen en opvoeden, nog ongeacht of het een genetische band heeft. Daarbij is het in het belang van het kind dat de periode van onzekerheid over de juridische relatie met de wensouder(s) slechts van korte duur is. De rechtbank zal, gelet op de intentie van partijen, het ontbreken van wettelijke waarborgen op dit punt en het belang van het kind aan deze adoptiebeslissing dan ook terugwerkende kracht verlenen (vgl. ECLI:NL:RBAMS:2021:6139; ECLI:NL:RBAMS:2022:7803). Gezamenlijk gezag 4.17. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:229 lid 4 BW oefenen de adoptiefouders die niet met elkaar zijn gehuwd of door een geregistreerd partnerschap zijn verbonden door adoptie het gezag over de geadopteerde gezamenlijk uit. Hieruit volgt dat op het moment dat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan, over drie maanden, de wensouders van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 3] uitoefenen. 4.18. De wensouders verzoeken echter per direct samen met het gezag te worden belast. 4.19. Ingevolge artikel 1:253t BW kan indien het gezag over een kind bij één ouder berust, de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge lid 2 van dit artikel wordt in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad. Deze periode stemt overeen met de periode van verzorging die vereist is voor adoptie (art. 1:228 lid 1 onderdeel f). Daarnaast dient de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast te zijn. 4.20. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 3] dat de wensouders, totdat de beslissing ten aanzien van de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, reeds samen belast zullen zijn met het gezamenlijk ouderlijk gezag. De rechtbank zal het verzoek om voor deze periode de wensmoeder op grond van artikel 1:253t BW tevens te belasten met het ouderlijk gezag daarom toewijzen en daarbij voorbij gaan aan de vereisten van lid 2. De rechtbank is van oordeel dat deze termijnen in deze situatie geen redelijk doel dienen, mede gelet op het feit dat de wensouders nadat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan, van rechtswege belast zullen zijn met de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Daar komt bij dat deze termijnen niet zijn bedoeld voor dit soort gevallen, zoals overwogen in overweging 4.12. Akte van berusting en inschrijving van de beslissingen bij de registers burgerlijke stand 4.21. De wensouders willen de beslissingen van de rechtbank zo spoedig mogelijk registreren in de registers van de burgerlijke stand.
Volledig
De draagmoeder stemt blijkens het instemmingsformulier van 29 oktober 2024 en het tijdens de mondelinge behandeling meegedeelde in met het verzoek tot adoptie van [minderjarige 3] door de wensmoeder. De Raad acht het in het belang van [minderjarige 3] om de verzorgingstermijn van een jaar af te wachten alvorens een beslissing te nemen ten aanzien van het adoptieverzoek. 4.10. De wensmoeder voldoet aan de in deze artikelen gestelde voorwaarden met uitzondering van het vereiste van artikel 1:228, eerste lid onder f, BW. Ingevolge artikel 1:228, lid 1 onder f BW geldt er een wettelijke verzorgingstermijn van één jaar. 4.11. Zij heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat deze wettelijke verzorgingstermijn in strijd is met het non-discriminatiebeginsel en het recht op eerbiediging van zijn privé-, familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 EVRM. De wensmoeder verwijst daarbij naar eerdere uitspraken van rechtbanken over dit onderwerp. 4.12. De rechtbank overweegt dat de in artikel 1:228, lid 1 onder f, BW gestelde termijn met name is bedoeld om in het belang van de te adopteren minderjarige de bestendigheid van de verzorging en opvoeding van de minderjarige door de adoptiefouders te toetsen. In deze zaak is echter naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie waarbij de wettelijke verzorgingstermijn geen redelijk doel meer dient. De wensvader is biologisch gezien de ouder van [minderjarige 3] en heeft haar reeds voor de geboorte erkend. De wensouders hebben vanaf haar geboorte gezamenlijk de verzorging en opvoeding op zich genomen. Bovendien is het steeds de intentie geweest van de draagmoeder dat de wensmoeder [minderjarige 3] zou adopteren. De rechtbank ziet daarom niet in waarom het verstrijken van de vereiste verzorgingstermijn van een jaar afgewacht zou moeten worden. Het is in het belang van [minderjarige 3] dat de feitelijke situatie, waarin de wensouders [minderjarige 3] als ouders verzorgen en opvoeden, juridisch wordt geformaliseerd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de verzorgingstermijn van artikel 1:228 lid 1 sub f BW. 4.13. Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat aan het gestelde in de artikelen 1:227 en 1:228 BW is voldaan. Tevens staat vast en is voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien dat [minderjarige 3] niets meer van haar geboortemoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzochte adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige 3] is en zal het verzoek toewijzen. 4.14. Op grond van artikel 1:229 lid 3 BW blijft de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van die ouder de minderjarige adopteert. Terugwerkende kracht adoptie 4.15. De wensouders verzoeken aan de adoptie terugwerkende kracht toe te kennen. Het is in het belang van [minderjarige 3] dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte. Nu zij niet is geboren binnen de relatie van de wensouders kan de wensmoeder geen beroep doen op artikel 1:230 tweede lid van het BW. Nu de wensouders nog geen andere juridische mogelijkheid hebben om voor de geboorte te verzoeken tot adoptie, verzoeken zij dit artikel ook op hen toe te passen. Als zij geen beroep kunnen doen op dit artikel komt dit naar het oordeel van de wensouders in strijd met artikel 8 in samenhang met artikel 14 EVRM. 4.16. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 of 14 EVRM zal de rechtbank dit verzoek wel toewijzen, daartoe overweegt zij als volgt. Door geen terugwerkende kracht toe te kennen aan de adoptiebeslissing wordt er naar het oordeel van de rechtbank evenwel geen recht gedaan aan de intentie van alle partijen om het kind geboren te laten worden voor de wensouders. Partijen hebben gebruik gemaakt van een draagmoederschapsconstructie. De familierechtelijke aspecten van het draagmoederschap zijn (nog) niet in de wet geregeld. In het BW is tot op heden nog geen artikel te vinden over draagmoederschap. Wel is er op dit moment een wetsvoorstel aanhangig, namelijk het “Wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming”. Dit wetsvoorstel voorziet in een wettelijke regeling voor nationaal en internationaal draagmoederschap. Het is onduidelijk of en wanneer dit voorstel behandeld zal worden. Het voorgaande betekent dat de positie van de draagmoeder, de eiceldonor en de wensouders juridisch niet zijn geregeld of beschermd. Er is in Nederland geen wetgeving die het mogelijk maakt om wensouders direct bij de geboorte juridisch ouders te laten zijn. Daarvoor moeten partijen naar de rechter. Pas na de geboorte van het kind kan het ouderschap juridisch worden overgedragen aan de wensouders. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat het in het belang van het kind wordt geacht dat het een juridische band heeft met de personen die hem verzorgen en opvoeden, nog ongeacht of het een genetische band heeft. Daarbij is het in het belang van het kind dat de periode van onzekerheid over de juridische relatie met de wensouder(s) slechts van korte duur is. De rechtbank zal, gelet op de intentie van partijen, het ontbreken van wettelijke waarborgen op dit punt en het belang van het kind aan deze adoptiebeslissing dan ook terugwerkende kracht verlenen (vgl. ECLI:NL:RBAMS:2021:6139; ECLI:NL:RBAMS:2022:7803). Gezamenlijk gezag 4.17. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:229 lid 4 BW oefenen de adoptiefouders die niet met elkaar zijn gehuwd of door een geregistreerd partnerschap zijn verbonden door adoptie het gezag over de geadopteerde gezamenlijk uit. Hieruit volgt dat op het moment dat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan, over drie maanden, de wensouders van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 3] uitoefenen. 4.18. De wensouders verzoeken echter per direct samen met het gezag te worden belast. 4.19. Ingevolge artikel 1:253t BW kan indien het gezag over een kind bij één ouder berust, de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge lid 2 van dit artikel wordt in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad. Deze periode stemt overeen met de periode van verzorging die vereist is voor adoptie (art. 1:228 lid 1 onderdeel f). Daarnaast dient de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast te zijn. 4.20. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 3] dat de wensouders, totdat de beslissing ten aanzien van de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, reeds samen belast zullen zijn met het gezamenlijk ouderlijk gezag. De rechtbank zal het verzoek om voor deze periode de wensmoeder op grond van artikel 1:253t BW tevens te belasten met het ouderlijk gezag daarom toewijzen en daarbij voorbij gaan aan de vereisten van lid 2. De rechtbank is van oordeel dat deze termijnen in deze situatie geen redelijk doel dienen, mede gelet op het feit dat de wensouders nadat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan, van rechtswege belast zullen zijn met de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Daar komt bij dat deze termijnen niet zijn bedoeld voor dit soort gevallen, zoals overwogen in overweging 4.12. Akte van berusting en inschrijving van de beslissingen bij de registers burgerlijke stand 4.21. De wensouders willen de beslissingen van de rechtbank zo spoedig mogelijk registreren in de registers van de burgerlijke stand.