Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-15
ECLI:NL:RBAMS:2025:7150
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,419 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/753559 / FA RK 24-4534
Beschikking van 15 juli 2025
in de zaak van:
[verzoeker 1] ,hierna te noemen verzoeker [verzoeker 1] ,
en
[verzoeker 2],hierna te noemen verzoeker [verzoeker 2] ,
samen mede te noemen de wensouders,
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A.C. Bouma te Amsterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de draagmoeder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de draagmoeder,
advocaat mr. J.H. van der Tol te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,[geboorteplaats 2] -Dordrecht,hierna te noemen: de Raad.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoek van de wensouders, ingekomen op 9 juli 2024;
- het F9-formulier van de draagmoeder, ingekomen op 10 december 2024;
- het F9-formulier van de wensouders, met bijlagen, ingekomen op 10 december 2024;
- het advies van de Raad, ingekomen op 25 maart 2025;
- het F9-formulier van de wensouders, ingekomen op 14 april 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025.
Hierbij zijn verschenen:
- de wensouders met hun advocaat;
- de draagmoeder met haar advocaat.
De Raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
2.1.
De draagmoeder heeft twee kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De draagmoeder beschouwt haar gezin als voltooid.
2.2.
De wensouders hebben sinds juni 2011 een relatie, wonen sinds 12 juli 2017 samen en zijn op 30 maart 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan.
2.3.
De draagmoeder is een nicht van verzoeker [verzoeker 2] .
2.4.
Op [geboortedatum 1] 2022 is [minderjarige 3] geboren uit een eerste draagmoederschapstraject tussen partijen. Bij beschikking van deze rechtbank van 26 juni 2023 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de draagmoeder over [minderjarige 3] beëindigd en verzoeker [verzoeker 1] met het gezag over haar belast. Ook heeft de rechtbank de adoptie door verzoeker [verzoeker 2] van haar uitgesproken.
2.5.
De wensouders wilden daarna graag nog een tweede kind. De draagmoeder wilde hen graag nog een keer helpen.
2.6.
De draagmoeder is opnieuw via zelfinseminatie zwanger geworden van verzoeker [verzoeker 1] . De draagmoeder heeft daarbij een eigen eicel ter beschikking gesteld.
2.7.
Voorafgaand aan het zwangerschapstraject hebben de wensouders en de draagmoeder met elkaar een draagmoederovereenkomst opgesteld met behulp van hun advocaten. Deze overeenkomst is op 4 november 2024 door hen ondertekend. Hierna heeft de zelfinseminatie plaatsgevonden.
2.8.
Op [geboortedatum 2] 2024 is [minderjarige 4] geboren te [geboorteplaats 1] . Verzoeker [verzoeker 1] heeft haar voorafgaand aan de geboorte erkend. Op de geboorteakte zijn de draagmoeder en verzoeker [verzoeker 1] als ouders vermeld.
2.9.
[minderjarige 4] verblijft sinds haar geboorte met toestemming van de draagmoeder onafgebroken bij de wensouders en wordt door hen verzorgd en opgevoed.
2.10.
Alle betrokkenen en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.
3Het verzoek
3.1.
De wensouders verzoeken de rechtbank:
- te bepalen dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd en dat de wensouders samen met het gezag over [minderjarige 4] worden belast en een en ander uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
- de adoptie uit te spreken van de minderjarige door verzoeker [verzoeker 2] en te verklaren dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte en dat de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoeker [verzoeker 1] en [minderjarige 4] in stand blijven na de adoptie;
- te verstaan dat de wensouders na de adoptie gezamenlijk met het gezag over de minderjarige zijn belast en daarvan een aantekening te laten maken in het gezagsregister.
Tijdens de zitting hebben de wensouders het verzoek aangevuld in die zin dat zij de rechtbank hebben verzocht in de overwegingen op te nemen ‘dat de beslissing, zodra partijen een akte van berusting hebben ingediend, kan worden ingeschreven door de ambtenaar van de burgerlijke stand.’ De draagmoeder onderschrijft dit verzoek.
Beoordeling
Het standpunt van de draagmoeder tijdens de zitting
4.1.
De draagmoeder heeft tijdens de mondelinge behandeling onder meer meegedeeld dat zij heel graag en vol overtuiging dit tweede traject met de wensouders is aangegaan. Het is goed verlopen. Ook [minderjarige 1] , haar oudste zoon, heeft zijn toestemming gegeven en dit bewust meegemaakt. Er is heel goed contact met de wensouders. Het is heel mooi dat de wens van de wensouders in vervulling is gegaan, aldus de draagmoeder.
Het standpunt van de Raad
4.2.
De Raad heeft in het advies van 24 maart 2025 de rechtbank geadviseerd om het gezag van de draagmoeder over de minderjarige te beëindigen en verzoeker [verzoeker 1] te belasten met het gezag. De wensouders verzorgen [minderjarige 4] en voeden haar op. Het is nooit de intentie van de draagmoeder geweest dit zelf te gaan doen. De Raad adviseert ook het verzoek tot adoptie toe te wijzen. Het is aan de rechtbank of die voorbijgaat aan de verzorgingstermijn van één jaar, aldus de Raad.
Bevoegdheid
4.3.
Nu partijen uitdrukkelijk kiezen voor de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam en wensen dat de zaak niet wordt verwezen naar de relatief bevoegde rechtbank, acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het verzoek.
Gezag
4.4.
De wensouders hebben de rechtbank verzocht het gezag over [minderjarige 4] te wijzigen in die zin dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd en de wensouders met het gezag over haar worden belast, in die zin dat verzoeker [verzoeker 1] met het gezag over haar wordt belast en direct daarna, op grond van artikel 1:253t BW, verzoeker [verzoeker 2] samen met hem, welke beslissingen dan uitvoerbaar worden verklaard.
4.5.
De draagmoeder heeft geen bezwaar tegen toewijzing van dit verzoek. De Raad heeft in haar advies geadviseerd het gezag van de draagmoeder te beëindigen en verzoeker [verzoeker 1] met het gezag over [minderjarige 4] te belasten.
Gezag verzoeker [verzoeker 1]
4.6.
Het verzoek met betrekking tot het gezag ten aanzien van verzoeker [verzoeker 1] is gebaseerd op artikel 1:253c BW. Dit artikel bepaalt – voor zover hier van belang – dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag te belasten. Wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
4.7.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige 4] vlak na de geboorte is opgenomen in het gezin van de wensouders en dat zij sindsdien door hen wordt opgevoed en verzorgd. De zwangerschap van de draagmoeder was vanaf het begin gericht op ouderschap voor de wensouders. De rechtbank is dan ook – met de Raad – van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 4] wenselijk is dat verzoeker [verzoeker 1] met het eenhoofdig gezag over haar belast zal worden. De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen en uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De griffier zal worden opgedragen hiervan aantekening te maken in het gezagsregister.
Adoptie
4.8.
Het gaat hier om een Nederlands adoptieverzoek. De artikelen 1:227, 228 en 230 van het BW zijn op dit verzoek van toepassing.
4.9.
De draagmoeder stemt blijkens het F9-formulier van 10 december 2024 en het tijdens de mondelinge behandeling meegedeelde in met het verzoek tot adoptie van [minderjarige 4] door verzoeker [verzoeker 2] . De Raad adviseert ook het verzoek tot adoptie toe te wijzen.
4.10.
Verzoeker [verzoeker 2] voldoet aan de in deze artikelen gestelde voorwaarden met uitzondering van het vereiste van artikel 1:228, eerste lid onder f, BW. Ingevolge artikel 1:228, lid 1 onder f BW geldt er een wettelijke verzorgingstermijn van één jaar.
4.11.
Hij heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat deze wettelijke verzorgingstermijn in strijd is met het non-discriminatiebeginsel en het recht op eerbiediging van zijn privé-, familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 EVRM. Verzoeker [verzoeker 2] verwijst daarbij naar eerdere uitspraken van rechtbanken over dit onderwerp.
4.12.
De rechtbank overweegt dat de in artikel 1:228, lid 1 onder f, BW gestelde termijn met name is bedoeld om in het belang van de te adopteren minderjarige de bestendigheid van de verzorging en opvoeding van de minderjarige door de adoptiefouders te toetsen. In deze zaak is echter naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie waarbij de wettelijke verzorgingstermijn geen redelijk doel meer dient. Verzoeker [verzoeker 1] is biologisch gezien de ouder van [minderjarige 4] en heeft haar reeds voor de geboorte erkend. De wensouders hebben vanaf haar geboorte gezamenlijk de verzorging en opvoeding op zich genomen. Bovendien is het steeds de intentie geweest van de draagmoeder dat verzoeker [verzoeker 2] [minderjarige 4] zou adopteren. De rechtbank ziet daarom niet in waarom het verstrijken van de vereiste verzorgingstermijn van een jaar afgewacht zou moeten worden. Het is in het belang van [minderjarige 4] dat de feitelijke situatie, waarin de wensouders [minderjarige 4] als ouders verzorgen en opvoeden, juridisch wordt geformaliseerd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de verzorgingstermijn van artikel 1:228 lid 1 sub f BW.
4.13.
Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat aan het gestelde in de artikelen 1:227 en 1:228 BW is voldaan. Tevens staat vast en is voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien dat [minderjarige 4] niets meer van haar geboortemoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzochte adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige 4] is en zal het verzoek toewijzen.
4.14.
Op grond van artikel 1:229 lid 3 BW blijft de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van die ouder de minderjarige adopteert.
Terugwerkende kracht adoptie
4.15.
De wensouders verzoeken aan de adoptie terugwerkende kracht toe te kennen. Het is in het belang van [minderjarige 4] dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte. Nu zij niet is geboren binnen zijn relatie met verzoeker [verzoeker 1] kan verzoeker [verzoeker 2] geen beroep doen op artikel 1:230 tweede lid van het BW. Nu de wensouders nog geen andere juridische mogelijkheid hebben om voor de geboorte te verzoeken tot adoptie, verzoeken zij dit artikel ook op hen toe te passen. Als zij geen beroep kunnen doen op dit artikel komt dit naar het oordeel van de wensouders in strijd met artikel 8 in samenhang met artikel 14 EVRM. Immers, een lesbisch stel wordt de toegang tot de rechter niet ontzegd op basis van dat artikel en een homopaar dat geen kinderen kan baren wel. Daarbij wordt er ook nog een ongeoorloofd onderscheid gemaakt tussen de (niet genetische of biologisch verwante) lesbische meemoeder en de (eveneens niet genetische) homo meevader, aldus de wensouders.
4.16.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 of 14 EVRM zal de rechtbank dit verzoek wel toewijzen, daartoe overweegt zij als volgt.
Dictum
De rechtbank:
- beëindigt het ouderlijk gezag van de draagmoeder [de draagmoeder] en belast de wensouders [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , samen met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige:
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 1] ,
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
- verklaart deze beslissing ten aanzien van het gezag uitvoerbaar bij voorraad;
- spreekt uit de adoptie door [verzoeker 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1985 te [geboorteplaats 2] , van [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 1] ;
- bepaalt dat genoemde adoptie terugwerkt tot de geboorte van de minderjarige;
- verstaat dat de familierechtelijke betrekking met [verzoeker 1] in stand blijft;
- draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats 2] ;
- draagt de griffier op aantekening te maken in het gezagsregister dat de wensouders per heden gezamenlijk met het gezag zijn belast;
- wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. M. Mellema, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.M.M.P. Westbroek, griffier, op 15 juli 2025.
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Beoordeling
Door geen terugwerkende kracht toe te kennen aan de adoptiebeslissing wordt er naar het oordeel van de rechtbank geen recht gedaan aan de intentie van alle partijen om het kind geboren te laten worden voor de wensouders. Partijen hebben gebruik gemaakt van een draagmoederschapsconstructie. De familierechtelijke aspecten van het draagmoederschap zijn (nog) niet in de wet geregeld. In het BW is tot op heden nog geen artikel te vinden over draagmoederschap. Wel is er op dit moment een wetsvoorstel aanhangig, namelijk het “Wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming”. Dit wetsvoorstel voorziet in een wettelijke regeling voor nationaal en internationaal draagmoederschap. Het is onduidelijk of en wanneer dit voorstel behandeld zal worden. Het voorgaande betekent dat de positie van de draagmoeder, de eiceldonor en de wensouders juridisch niet zijn geregeld of beschermd. Er is in Nederland geen wetgeving die het mogelijk maakt om wensouders direct bij de geboorte juridisch ouders te laten zijn. Daarvoor moeten partijen naar de rechter. Pas na de geboorte van het kind kan het ouderschap juridisch worden overgedragen aan de wensouders. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat het in het belang van het kind wordt geacht dat het een juridische band heeft met de personen die hem verzorgen en opvoeden, nog ongeacht of het een genetische band heeft. Daarbij is het in het belang van het kind dat de periode van onzekerheid over de juridische relatie met de wensouder(s) slechts van korte duur is. De rechtbank zal, gelet op de intentie van partijen, het ontbreken van wettelijke waarborgen op dit punt en het belang van het kind aan deze adoptiebeslissing dan ook terugwerkende kracht verlenen (vgl. ECLI:NL:RBAMS:2021:6139; ECLI:NL:RBAMS:2022:7803).
Gezamenlijk gezag
4.17.
De adoptiefouders oefenen het gezag over de geadopteerde vanaf de adoptie gezamenlijk uit. Hieruit volgt dat op het moment dat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan, over drie maanden, de wensouders van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 4] uitoefenen.
4.18.
De wensouders verzoeken echter per direct samen met het gezag te worden belast.
4.19.
Ingevolge artikel 1:253t BW kan indien het gezag over een kind bij één ouder berust, de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge lid 2 van dit artikel wordt in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad. Deze periode stemt overeen met de periode van verzorging die vereist is voor adoptie (art. 1:228 lid 1 onderdeel f). Daarnaast dient de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast te zijn.
4.20.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 4] dat de wensouders, totdat de beslissing ten aanzien van de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, reeds samen belast zullen zijn met het gezamenlijk ouderlijk gezag. De rechtbank zal het verzoek om [verzoeker 2] op grond van artikel 1:253t BW tevens te belasten met het ouderlijk gezag daarom toewijzen en daarbij voorbij gaan aan de vereisten van lid 2. De rechtbank is van oordeel dat deze termijnen in deze situatie geen redelijk doel dienen, mede gelet op het feit dat de wensouders nadat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan, van rechtswege belast zullen zijn met de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Daar komt bij dat deze termijnen niet zijn bedoeld voor dit soort gevallen, zoals overwogen in overweging 4.12.
Akte van berusting en inschrijving van de beslissingen bij de registers burgerlijke stand
4.21.
De wensouders willen de beslissingen van de rechtbank zo spoedig mogelijk registreren in de registers van de burgerlijke stand. Zij verzoeken daarom de rechtbank om in de beschikking op te nemen ‘dat de beslissing, zodra partijen een akte van berusting hebben ingediend, kan worden ingeschreven door de ambtenaar van de burgerlijke stand.’
4.22.
De draagmoeder stemt in met het verzoek.
4.23.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de mededelingen van partijen tijdens de zitting blijkt dat alle belanghebbenden het eens zijn met het verzoek van de wensouders. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen bezwaren. De rechtbank zal dit toelichten.
4.24.
Artikel 1:20 lid 1 BW bepaalt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere vermeldingen toevoegt van rechterlijke uitspraken waarvan de dagtekening ten minste drie maanden oud is en die inhouden een ontkenning van het vaderschap, een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap en adoptie. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de drie maanden termijn samenhangt met de mogelijkheid van hoger beroep en het in kracht van gewijsde gaan van beslissingen (zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/109). Uit artikel 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat tegen eindbeschikkingen in verzoekschriftprocedures behoudens berusting hoger beroep open staat. Als alle belanghebbenden berusten in een eindbeschikking van de rechtbank, staat dus geen hoger beroep meer open. De eindbeschikking gaat dan direct in kracht van gewijsde. Gelet hierop hoeft naar het oordeel van de rechtbank in het geval alle belanghebbenden berusten in de eindbeschikking van de rechtbank, de drie maanden termijn door de ambtenaar van de burgerlijke stand niet te worden afgewacht.
De rechtbank overweegt dan ook, conform het verzoek van de wensouders, dat de beslissing ten aanzien van de adoptie, zodra partijen een akte van berusting hebben ingediend, door de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4.25.
Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.