Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-08-14
ECLI:NL:RBAMS:2025:5985
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,404 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/382894-24
Datum uitspraak: 14 augustus 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 10 juni 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 maart 2024 door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción (Rechtbank van eerste aanleg en onderzoek) N.2 in el Puerto de Santa Maria, Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.H.M. Nijsten, advocaat in Cadier en Keer.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van 2 maart 2023. In het A-formulier staat dat dit arrestatiebevel is uitgevaardigd door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción 2 del Puerto
de Santa María.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Spaans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Genoegzaamheid
4.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering enkel dient te worden toegestaan voor de verdenking van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en niet voor de deelneming aan een criminele organisatie. Weliswaar is bij beide lijstfeiten een kruisje gezet, maar in het EAB en de aanvullende informatie van 6 augustus 2025 worden geen feiten en omstandigheden genoemd waaruit zou blijken dat er sprake is van de deelname van de opgeëiste persoon aan een criminele organisatie .
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Uit de omschrijving van het strafbare feit in het EAB en de voornoemde aanvullende informatie volgt voldoende duidelijk voor welke feiten de overlevering wordt gevraagd en dat dit ook de deelname aan een criminele organisatie betreft.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank duidelijk dat het EAB ook ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon voor de deelneming aan een criminele organisatie. Uit de feitomschrijving in het EAB én het A-formulier volgen de pleegplaats, pleegdatum, de rol van de opgeëiste persoon (perpetrator) en een specificatie van de hoeveelheid marihuana die in de door hem bestuurde vrachtwagen is gevonden en waarvan de waarde op meer dan één miljoen euro wordt geschat. Er is sprake van een verzoek om vervolgingsoverlevering, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in Spanje wordt verdacht en zijn precieze rol, ook ten aanzien van de criminele organisatie, zal later in Spanje moeten blijken.
Gezien het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de omschrijving van de feiten, waarvoor de overlevering wordt verzocht, in het EAB en de voornoemde aanvullende informatie genoegzaam is.
5Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Spanje een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Juzgado de Primera Instancia e Instrucción N° 2 de El Puerto de Santa María heeft bij brief van 6 augustus 2025 de volgende garantie gegeven:
“In relation to Article 44 of the European Union Mutual Recognition of Criminal Decisions Act and Article 5.3 of Framework Decision 2002/584/JHA of June 13, 2002, regarding any prison sentence imposed on [opgeëiste persoon] , a formal guarantee is offered to the Netherlands that, if he is extradited to Spain and is effectively sentenced to prison, the sentence will be served in the Netherlands.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
7Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in Spanje
7.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat, gezien het ontbreken van een specialistische medische behandeling voor de specifieke klachten van de opgeëiste persoon in de Spaanse gevangenis, een gevaar bestaat dat de grondrechten van de opgeëiste persoon worden geschonden indien de rechtbank zijn overlevering aan Spanje zou toestaan.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción (Rechtbank van eerste aanleg en onderzoek) N.2 in el Puerto de Santa Maria (Spanje) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 augustus 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.