Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:4042
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,108 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-086233-25
Datum uitspraak: 11 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 24 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 februari 2025 door The District Court in Wrocław, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 juni 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering verlengd tot 17 juni 2025.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final and valid judgement of the Regional Court for Wrocław-Krzyki in Wroclaw of 13 August 2021, reference symbol of documents: VII K 550/21.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, acht maanden en één dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse autoriteiten te vragen of de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld en navraag te doen naar de eventuele status van die procedure. De opgeëiste persoon stelt dat hij destijds hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 13 augustus 2021. De raadsman heeft geen stukken ter onderbouwing van deze stelling.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat dient te worden uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. In het EAB staat onder sectie F dat er geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van 13 augustus 2021. Het vonnis is 8 dagen na het wijzen ervan definitief geworden. De enkele stelling van de opgeëiste persoon dat hij hoger beroep heeft ingesteld, is onvoldoende om aan de juistheid van de informatie ut het EAB te twijfelen. Daar komt nog bij dat er onvoldoende tijd is om binnen de beslistermijn antwoorden van de Poolse autoriteiten hieromtrent te kunnen verwachten.
Oordeel van de rechtbank
Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de zitting die tot de beslissing heeft geleid. In het EAB staat verder, onder sectie F, dat er geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van 13 augustus 2021 en dat het vonnis acht dagen na het wijzen ervan definitief is geworden. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is en dat de opgeëiste persoon hoger beroep tegen het vonnis heeft ingesteld. De enkele stelling daarvan door opgeëiste persoon is daartoe onvoldoende.
De opgeëiste persoon is in persoon verschenen op de zitting die tot de beslissing heeft geleid. Dat betekent dat artikel 12 OLW niet van toepassing is op dit vonnis.
4Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan The District Court in Wrocław, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en G.S. Haas, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ÁG5131217866252È
G513121786625
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).