Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2022-06-29
ECLI:NL:RBAMS:2022:3764
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,293 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751767-21 (EAB I)
RK nummer: 21/4115
Datum uitspraak: 29 juni 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 oktober 2018 door the 2nd Penal Division of the Regional Court in Elblag (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
Zitting 21 september 2021
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 september 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon – via een videoverbinding aanwezig op de zitting – is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 5 oktober 2021
Bij tussenuitspraak van 5 oktober 2021 is het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen.
Op grond van artikel 22ierde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met zestig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Verlenging beslistermijn in raadkamer
De raadkamer van de rechtbank heeft na de tussenuitspraak de beslistermijnen herhaaldelijk verlengd onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie. De rechtbank heeft laatstelijk in de raadkamer van 8 april 2022 de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd tot 12 juni 2022.
Zitting 2 juni 2022
De behandeling van de vordering is met toestemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon op 2 juni 2022 hervat in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip van de heropening en schorsing op 5 oktober 2021. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is niet verschenen, maar zijn gemachtigd raadsman is wel aanwezig geweest.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd aangehouden om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht dan wel om de rechtbank schriftelijk zijn standpunt te doen toekomen.
Op grond van artikel 22, vierde lid, OLW is de beslistermijn opnieuw verlengd met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 15 juni 2022
De behandeling van de vordering is met toestemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon op 15 juni 2022 hervat in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip van de aanhouding van het onderzoek op 2 juni 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. Mcgivern. De opgeëiste persoon heeft op 13 juni 2022 afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 5 oktober 2021
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 5 oktober 2021. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB en artikel 7 OLW al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in dat kader aangevoerd dat de opgeëiste persoon op de zitting van 21 september 2021 heeft verklaard dat hij in detentie in Polen vernederend is behandeld vanwege zijn geaardheid.
De rechtbank begrijpt dat dit verweer onder meer in het licht van artikel 11 OLW en de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de
Europese Unie is gevoerd.
De raadsman heeft met dit verweer echter geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – de hiervoor genoemde structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon. Er is daarom niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en er bestaat ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.
5
5. Detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld - kort samengevat - dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de detentieomstandigheden in Polen niet op orde zijn. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de verklaringen van de opgeëiste persoon op de zitting van 21 september 2021. De opgeëiste persoon heeft op die zitting naar voren gebracht dat hij vanwege zijn geaardheid het risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie. De opgeëiste persoon zat namelijk eerder in Polen gedetineerd en is toen naar eigen zeggen vernederend behandeld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen algemeen reëel gevaar voor mensenrechtenschendingen bestaat in Poolse detentie-instellingen.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the 2nd Penal Division of the Regional Court in Elblag (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en G.M. Beunk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.G. van der Want, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).