Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:3601
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,462 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-074201-25
Datum uitspraak: 28 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 17 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 februari 2025 door de Circuit Court of Zielona Góra (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van de Circuit Court of Zielona Góra van 26 april 2019 (referentie: II K 28/19).
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 9 mei 2025 blijkt dat bij beslissing van 19 september 2019 de tenuitvoerlegging van de bij voormeld vonnis opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf gelast is door de Circuit Court of Zielona Góra (referentie: II 2 Ko 101/24) omdat de opgeëiste persoon zich niet had gehouden aan de aan hem opgelegde voorwaarde om in contact te blijven met de reclassering.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 26 april 2019.
Het hiervoor genoemde vonnis van 26 april 2019 betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Artikel 12 OLW
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd nu de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting waarbij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is gelast.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen het vonnis van 26 april 2019 getoetst moet worden aan artikel 12 OLW. De beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van 19 september 2019 hoeft niet aan artikel 12 OLW te worden getoetst omdat de opgeëiste persoon geen nieuw strafbaar feit heeft gepleegd.
Oordeel van de rechtbank
Zoals hierboven vermeld is de vrijheidsstraf aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van de Circuit Court of Zielona Góra van 19 september 2019 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Dat is hier niet het geval, nu uit de stukken volgt dat de reden van tenuitvoerleggingsbeslissing was gelegen in de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden.
Dictum
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis van de Circuit Court of Zielona Góra van 26 april 2019 (referentie: II K 28/19) heeft geleid. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde is.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon kan worden gelijk gesteld met een Nederlander zoals bedoeld in artikel 6a, eerste en negende lid, OLW en heeft ter onderbouwing meerdere documenten overlegd. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren, met bevel dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf door Nederland wordt overgenomen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld, aangezien de opgeëiste persoon niet op grond van objectieve stukken heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan het eerste vereiste, omdat niet is aangetoond dat hij gedurende een periode van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon heeft van 26 september 2019 tot 4 november 2021 ingeschreven gestaan in de Basisregistratie Personen (BRP), en van 14 september 2023 tot heden. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling of uit de overgelegde getuigenverklaring blijkt dat de opgeëiste persoon in de periode waarin hij niet stond ingeschreven in de BRP niettemin in Nederland verbleef. Er ontbreken namelijk stukken over zijn inkomen en gelet daarop kan niet worden vastgesteld dat hij gedurende een periode van vijf jaar voldoende inkomsten had om in zijn levensonderhoud te voorzien. Nu niet aan de eerste voorwaarde is voldaan, behoeft de tweede voorwaarde geen bespreking meer.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Court of Zielona Góra (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B. van Galen en J.E. van Bruggen rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.