Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-07-11
ECLI:NL:RBAMS:2023:7349
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,534 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/118670-23
Datum uitspraak: 11 juli 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 11 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2019 door the Regional Court in Warsaw, VIII penal division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1974,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 juni 2023, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.F.C. Hoogendoorn, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of the district court for Warszawa-Śródmieście in Warsaw of 28.12.2012, files number X K 993/12, by which [opgeëiste persoon] was sentenced to the penalty of imprisonment of 1 year conditionally in its execution for the probation period of 5 years. Carrying out of the 1 year imprisonment was ordered by a decision of the District Court for Warszawa-Śródmieście in Warsaw of 9.03.2016, file no X Ko 94/16.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat de overlevering op grond van dit artikel dient te worden geweigerd. De opgeëiste persoon was weliswaar aanwezig op de zitting die heeft geleid tot de oplegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf, maar niet op de zitting waar die voorwaardelijke vrijheidsstraf is omgezet in een onvoorwaardelijke. Hij was niet op de hoogte van die zitting en heeft derhalve zijn verdedigingsrechten niet kunnen uitvoeren en er kan niet worden geconcludeerd dat hij daar stilzwijgend afstand van heeft gedaan. De raadsman heeft gerefereerd aan de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in de zaken LU en PH.
Subsidiair heeft de raadsman om aanhouding van de behandeling verzocht ten behoeve van het stellen van nadere vragen.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gesteld dat het verweer van de raadsman is gestoeld op een verkeerde lezing van de door hem genoemde jurisprudentie. De opgeëiste persoon was aanwezig op de zitting die heeft geleid tot de voorwaardelijke vrijheidsstraf. Op die zitting is over schuld en straf geoordeeld en die zitting dient daarom te worden getoetst aan artikel 12 OLW. Hetgeen het HvJ EU in de arresten LU en PH heeft beslist geldt in het geval de tenuitvoerlegging wordt bevolen vanwege nieuwe strafbare feiten. Dat is hier niet aan de orde. De tenuitvoerlegging is bevolen omdat de opgeëiste persoon zich niet aan bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Zodoende hoeft in dit geval slechts aansluiting te worden gezocht bij de Ardic-jurisprudentie.
Beoordeling
Ten aanzien van de beslissing van 28 december 2012, waarbij de executie van de voorwaardelijke straf van 9 maart 2016 is bevolen, overweegt de rechtbank dat uit het arrest van het HvJ EU van 22 december 2017 (Ardic)volgt dat die beslissing niet onder de reikwijdte van artikel 4 bis van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ valt. Artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.
In het arrest van het HvJ EU van 23 maart 2023 in de zaak LU (C514/21) en PH (C515/21), (ECLI:EU:C:2023:235), waar de raadsman aan refereert, vormt een veroordeling voor een triggerend strafbaar feit, dat wil zeggen een veroordeling wegens een nieuw strafbaar feit, de reden voor de beslissing tot de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. Die veroordeling valt wél onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ, voor zover deze veroordeling bij verstek is gewezen. In dit geval stelt de rechtbank vast dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf is bevolen omdat de opgeëiste persoon de opgelegde voorwaarden niet is nagekomen. Aan deze omzettingsbeslissing lag geen nieuw strafbaar feit (triggerend feit) aan ten grondslag. Zodoende zijn de arresten LU en PH in dit geval niet van toepassing.
De rechtbank hecht eraan op te merken dat het arrest LU en PH niet dient te worden geïnterpreteerd als een herroeping van het Ardic-arrest, doch als een bevestiging voor zover het de beslissing tot herroeping van een voorwaardelijke straf betreft en als een aanvulling voor zover het de veroordeling voor een triggerend feit bij verstek betreft, wat in deze zaak niet het geval is.
Gelet hierop dient het proces dat tot de beslissing van 28 december 2012 heeft geleid, waar de voorwaardelijke straf is opgelegd, te worden getoetst aan artikel 12 OLW. Nu de opgeëiste persoon op die zitting aanwezig was, is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.
5Genoegzaamheid
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft erop gewezen dat in aanvullende informatie wordt meegedeeld dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf op 20 mei 2015 is bevolen, terwijl in het EAB als datum van die beslissing 9 maart 2016 wordt genoemd. De raadsman concludeert dat onduidelijk is wanneer de beslissing tot tenuitvoerlegging is genomen, zodat het EAB op dit punt ongenoegzaam is nu niet wordt voldaan aan artikel 2 lid 2 sub c OLW.
De officier van justitie heeft, wijzend op hetgeen zij hiervoor al heeft betoogd, dat de datum van de tenuitvoerlegging niet relevant is, nu de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing dient te worden beoordeeld, niet de beslissing tot tenuitvoerlegging.
De rechtbank constateert met de raadsman dat in de aanvullende informatie een andere datum van de beslissing tot tenuitvoerlegging wordt genoemd dan in het EAB. Zij zal hieraan echter geen gevolgen verbinden nu, gelet op het EAB en de aanvullende informatie, geen twijfel bestaat over het feit dat een beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf is genomen. Aan het EAB ligt derhalve een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis ten grondslag.
6Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
voortgezette handeling van diefstal
en
diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht
door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 56, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Warsaw, VIII penal division (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en R.A. Sipkens, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juli 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026.
Zie r.o. 62-63, ECLI:EU:C:2023:235.