Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-08
ECLI:NL:RBAMS:2025:2969
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,513 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1628
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. K. Cras),
en
de staatssecretaris Rechtsbescherming, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. A.M. Vroegop).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft op 11 maart 2025 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen van verzoeker. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van 11 maart 2025 tegen het besluit van 10 februari 2025 waarbij de staatssecretaris de aanvraag om een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) heeft afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft op 26 maart 2025 het verzoek ingetrokken omdat de minister toegezegd heeft dat er na de hoorzitting op 31 maart 2025 zo spoedig mogelijk zal worden beslist op het bezwaar. De voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De staatssecretaris heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen grond voor een veroordeling in de proceskosten ziet.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is de staatssecretaris aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Verzoeker geeft als reden voor de intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening dat het belang bij het treffen daarvan is vervallen, aangezien door de staatssecretaris is toegezegd dat er na de hoorzitting van 31 maart 2025 zo spoedig mogelijk zal worden beslist op het bezwaar. Verzoeker verzoekt daarbij om een vergoeding van de proceskosten en van het griffierecht, omdat mogelijk volledig tegemoet zal worden gekomen aan de eisen van verzoeken door toewijzing van de VOG in bezwaar.
5. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat niet geheel of gedeeltelijk aan het verzoek is tegemoetgekomen en dat er op grond van de Awb geen aanleiding is voor een veroordeling in de proceskosten. Verzoeker wilde met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij tot zes weken na bekendmaking van de (destijds nog) te nemen beslissing op bezwaar zou worden behandeld als ware hij in het bezit van een VOG voor de functie van aspirant medewerker V&S Groep N.V. te Utrecht. Het verzoek zag aldus op een toewijzing van een VOG voor de beoogde functie. Bij de brief van 8 april 2025 is inmiddels een beslissing op bezwaar genomen en is de VOG afgewezen.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker zijn verzoek op 26 maart 2025 heeft ingetrokken omdat op die dag de hoorzitting is gepland voor 31 maart 2025 en de staatssecretaris heeft toegezegd dat er na de hoorzitting zo spoedig mogelijk beslist zal worden op het bezwaar. Er is echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een in het kader van het verzoek om een voorlopige voorziening gedane toezegging tot een (tijdelijke) toewijzing van een VOG of opschorting van het besluit. Er is slechts sprake van een toezegging van de staatssecretaris om na de hoorzitting spoedig te beslissen op het bezwaar van verzoeker. Inmiddels is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en krijgt hij geen VOG. De voorzieningenrechter volgt de staatssecretaris dan ook dat geen sprake is van tegemoetkomingen en dit is reden om het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen. Vergoeding van het griffierecht is niet aan de orde.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.