Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:2895
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,932 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7026
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
10 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Diemen, de heffingsambtenaar.
Procesverloop
Met het besluit van 7 november 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Met de uitspraak op bezwaar van 29 november 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2025. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn zoon. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [heffingsambtenaar] .
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op 2 november 2024 stond de auto van eiser, met kenteken [kentekennummer] stil in een parkeervak ter hoogte van [adres] te Diemen. Om 14:56 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Diemen geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
3. Volgens eiser is de naheffingsaanslag onterecht opgelegd. Eiser stelt dat er sprake is van een situatie van onmiddellijk uitstappen van personen. Hij heeft namelijk zijn zoon afgezet bij het winkelcentrum [naam] . Eiser is in de parkeerhaven stil gaan staan. Zijn zoon is onmiddellijk uitgestapt, heeft zijn tas uit de auto gehaald en is naar het winkelcentrum gelopen. Eiser is daarop meteen vertrokken uit de parkeerhaven en is teruggereden naar [woonplaats] . Ter onderbouwing heeft eiser een getuigenverklaring overgelegd van zijn zoon en een overzicht van de registratiesystemen van [naam systeem 1] en [naam systeem 2] . Uit de rittenadministratie van [naam systeem 2] blijkt dat eiser arriveerde om 15:00 uur en ook om 15:00 uur weer wegreed. Volgens eiser zijn de scanfoto’s gemaakt op het moment waarop de auto tot stilstand kwam, maar nog voordat zijn zoon uitstapte. Eiser zet namelijk bij stilstand van de auto meteen de parkeerrem erop. Hierdoor worden de motor en alle elektrische systemen (zoals de verlichting) uitgeschakeld. Op de scanfoto’s is zichtbaar dat de portiergrepen nog ingeklapt zijn. Bij het openen van één deur springen alle vier de portiergrepen uit de deuren naar buiten. Bovendien zijn de spiegels van de auto uitgeklapt. Bij eventueel uitstappen en weglopen van de bestuurder vergrendelt de auto automatisch en worden de spiegels ingeklapt.
4. De heffingsambtenaar voert aan dat uit de scanfoto’s blijkt dat het voertuig stil staat, dat de lichten uit zijn, dat de deuren en kofferbak gesloten zijn en dat er geen personen in en rond het voertuig te zien zijn. Er zijn daarom geen aanwijzingen dat er sprake was van onmiddellijk uitstappen. De overgelegde ritadministratie maakt het voorgaande niet anders, nu hieruit niet volgt dat er daadwerkelijk werd uitgestapt en [naam systeem 2] de mogelijkheid biedt om handmatig een datum of tijdstip toe te voegen. Daarbij merkt de heffingsambtenaar nog op dat het kenteken op 2 november 2024 om 14:56 uur is gescand door de scanauto, terwijl op de rittenadministratie van [naam systeem 2] een tijd staat van 15:00 uur.
5. In geschil is of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag heeft opgelegd aan eiser. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van onmiddellijk in- en uitstappen van personen ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag.
6. De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet wordt onder parkeren verstaan ‘het gedurende een aangesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.’ De Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2023 kent eenzelfde definitiebepaling. Onder het begrip ‘onmiddellijk in- en uitstappen’ worden slechts handelingen verstaan die een daadwerkelijk in- of uitstappen vormen. Deze uitzondering wordt strikt uitgelegd. Indien naast het in- en/of uitstappen activiteiten plaatsvinden die daarmee geen direct verband houden en waardoor de periode van het stilstaan wordt verlengd, is geen sprake van het onmiddellijk in- en uitstappen. De bewijslast dat sprake was van in- en/of uitstappen rust op eiser.
7. De rechtbank stelt vast dat op de foto’s van de scanauto is te zien dat de auto van eiser in een parkeervak staat, dat de deuren van de auto gesloten zijn en dat de voor- en achter verlichting van de auto is uitgeschakeld. Echter is de rechtbank van oordeel dat door de weerspiegeling en de deels geblindeerde ramen van de auto niet te zien is of er zich personen in de auto bevinden. In overeenstemming met het verhaal van eiser ziet de rechtbank wel dat de deurhendels van de auto nog zijn ingeklapt en dat de spiegels van de auto nog zijn uitgeklapt. De rechtbank acht aannemelijk dat hieruit volgt dat nog niemand is uitgestapt. Tezamen met de rittenadministratie en de getuigenverklaring staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser in de parkeerhaven stil is gaan staan, zodat zijn zoon kon uitstappen, waarna eiser is vertrokken. Eiser heeft dus niet geparkeerd en is derhalve geen parkeerbelasting verschuldigd.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. De rechtbank neemt zelf een beslissing en bepaalt dat de naheffingsaanslag wordt vernietigd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en de naheffingsaanslag niet hoeft te betalen. Als hij de naheffingsaanslag al heeft betaald moet de heffingsambtenaar het betaalde bedrag aan eiser terugbetalen.
10. Het Besluit proceskosten bestuursrecht geeft een limitatieve opsomming van de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Portokosten behoren daar niet toe. Het bedrag van € 14,60 aan reiskosten komt wel voor vergoeding in aanmerking. De heffingsambtenaar dient daarnaast het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden en het bedrag van € 14,60 aan reiskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier, op 10 april 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10729.