Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-05-07
ECLI:NL:GHARL:2025:2860
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
2,511 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2417
uitspraakdatum: 7 mei 2025
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 26 juni 2023, nummer AWB 22/5853, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 28 juli 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Arnhem opgelegd ten bedrage van € 2,90, waarbij tevens een bedrag van € 61,00 aan kosten in rekening is gebracht.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingezonden.
1.6.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 17 april 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord: [naam1] en [naam2] namens de heffingsambtenaar. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Belanghebbende is bij aangetekende brief van 26 februari 2025 uitgenodigd voor de zitting. Deze brief is op 27 februari 2025 afgehaald bij een PostNL-punt. Het Hof gaat daarom ervan uit dat belanghebbende op rechtmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting.
Feiten
Belanghebbende heeft op 28 juli 2022 de auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) laten stilstaan op een parkeerplaats aan de Steenstraat in Arnhem. Op die parkeerplaats en op dat tijdstip was sprake van betaald parkeren. De naheffingsaanslag is om 17:29 uur aan belanghebbende opgelegd.
Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
Overwegingen
4.1.
Op grond van artikel 225, lid 1, aanhef en onder a, van de Gemeentewet, kan een belasting worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze. In het tweede lid van dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat voor de toepassing van het eerste lid onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. In de onderhavige Verordening parkeren en parkeerbelastingen gemeente Arnhem 2022 wordt hierbij aangesloten.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto op 28 juli 2022 omstreeks 17.29 uur heeft stilgestaan op een plaats voor ‘betaald parkeren’ in de Steenstraat te Arnhem, zonder dat daarvoor parkeerbelasting was voldaan.
4.3.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag niettemin ten onrechte is opgelegd, omdat volgens hem geen sprake was van ‘parkeren’ maar van ‘onmiddellijk in- en uitstappen van personen’. Nu de heffingsambtenaar dit betwist, rust op belanghebbende de last de feiten die aan zijn stelling van ‘onmiddellijk in- en uitstappen’ ten grondslag liggen, aannemelijk te maken (vgl. HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:90, r.o. 4.4).
4.4.
De Rechtbank heeft in haar in hoger beroep bestreden uitspraak onder meer het volgende overwogen:
‘‘7. Naar vaste rechtspraak worden onder onmiddellijk in- en uitstappen slechts die handelingen verstaan die een daadwerkelijk in- of uitstappen vormen. Als naast het in- en/of uitstappen activiteiten plaatsvinden die daarmee geen direct verband houden en daardoor de periode van het stilstaan wordt verlengd, is geen sprake meer van onmiddellijk in- en uitstappen. Wel moet een passagier een redelijke tijd krijgen voor het in- of uitstappen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. In zoverre is "onmiddellijk" een relatief begrip. De bewijslast dat sprake was van in- en/of uitstappen rust op belanghebbende.
8. Niet in geschil is dat de auto stilstond aan de Steenstraat op een plek die is aangewezen voor betaald parkeren en dat belanghebbende geen parkeerbelasting heeft voldaan. Op de door de heffingsambtenaar overgelegde foto’s zijn geen personen en is geen hond te zien bij de auto van belanghebbende, zodat op grond van die foto’s niet geconcludeerd kan worden dat er sprake was van onmiddellijk in- of uitstappen. De stelling van belanghebbende dat hij tijdens het stilstaan alleen bezig is geweest om zijn vrouw en haar hulphond uit de auto te helpen, wordt dus niet ondersteund door de overgelegde foto’s.
9. De rechtbank acht het een geloofwaardig scenario dat het volgende zich heeft afgespeeld, gelet op de foto's en het e-mailbericht van belanghebbende van 13 oktober 2022. Belanghebbende heeft zijn vrouw en de hond geholpen met uitstappen, heeft hen daarna begeleid naar voormalig grand café Metropole en is vervolgens teruggekeerd naar zijn auto. Uit de foto's leidt de rechtbank af dat belanghebbende heeft geparkeerd voor Juwelier Velthuizen aan de Steenstraat 64. Dit pand is hooguit 25 meter verwijderd van Metropole. Niettemin heeft het enige tijd in beslag genomen om heen en weer te lopen. In die tijd zullen de foto's zijn genomen, waarop geen personen en geen hond te zien is.
10. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake moet zijn geweest van activiteiten die geen direct verband houden met het in- en of uitstappen. Daarom moet aangenomen worden dat er sprake was van parkeren en dat parkeerbelasting verschuldigd was.’’
4.5.
Het Hof acht het in r.o. 7 van de uitspraak van de Rechtbank verwoorde juridische kader juist, zodat het Hof hierbij aansluit. Voorts verenigt het Hof zich met het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is geweest van ‘onmiddellijk in- en uitstappen’ maar van ‘parkeren’ en met de door de Rechtbank voor dat oordeel gebezigde gronden. Het Hof maakt de beslissing van de Rechtbank en de overwegingen daartoe daarom tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, doet hieraan niet af.
4.6.
Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar terecht de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, lid van de tiende enkelvoudige
belastingkamer, in tegenwoordigheid van A. Tax als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
(A. Tax) (R. den Ouden)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Gerechtshof Den Haag 19 april 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:657.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10729.