Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2025:2806
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,596 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6936
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. M.F. Achekar),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (hierna: het college)
( [gemachtigden verweerder] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat sprake is van een sociale en medisch acute situatie. Ook doet eiser een beroep op de hardheidsclausule. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd omdat het college de afwijzing van de urgentieaanvraag niet op het GGD-advies mocht baseren. Eiser krijgt dus (deels) gelijk en het beroep is dus gegrond. Dit betekent echter niet dat eiser nu een urgentieverklaring krijgt. Het college moet namelijk een nieuw besluit nemen en zich opnieuw door de GGD laten adviseren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 november 2023 een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 mei 2024 afgewezen, omdat de medische problematiek van eiser niet van dien aard en ernst is dat een medische woonurgentie te rechtvaardigen is. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is 43-jarige alleenstaande man. Hij is op [medio februari] 2023 gescheiden van zijn ex-partner met wie hij drie minderjarige kinderen heeft. Uit het ouderschapsplan blijkt dat eiser en zijn ex-partner gezamenlijk gezag hebben en een zorg- en contactregeling hebben afgesproken. De minderjarige kinderen hebben hoofdverblijf bij de ex-partner van eiser. Eiser moest op 16 juni 2022 de gezamenlijke woning verlaten en is dakloos geworden, omdat aan zijn ex-partner het huurrecht is toegekend. Sinds februari 2023 verblijft eiser in het Passantenhotel van HVO-Querido, waar hij een eigen kamer heeft met eigen sanitair. Eiser heeft last van lichamelijke en psychische klachten die zijn verergerd sinds dat hij dakloos is geworden door de scheiding. Daarom heeft hij een urgentieverklaring aangevraagd.
3.1.
Het college heeft advies geraagd aan de GGD over de medische problemen van eiser. De GGD-arts heeft het advies gebaseerd op een gesprek met eiser op 2 april 2024, de brief van de anesthesioloog van 12 december 2023, de brief van de radioloog van 8 november 2023 en de brieven van de orthopedisch chirurg van 18 mei 2020 en 13 januari 2021. De GGD heeft het college geadviseerd de aanvraag van eiser af te wijzen, omdat de medische problematiek van eiser niet van dien aard en ernst is dat een medische urgentie te rechtvaardigen is en er nog behandelmogelijkheden zijn.
3.2.
Naar aanleiding van het GGD-advies heeft het college de aanvraag om een urgentieverklaring van eiser afgewezen. Het college heeft geen weigeringsgronden geconstateerd en de aanvraag getoetst aan artikel 2.10.8, eerste lid, onder b van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024. Het college heeft hierbij opgemerkt dat factoren als spanning, stress en/of psychische klachten samenhangend met de woonsituatie geen redenen zijn om een urgentieverklaring te verlenen. Ten aanzien van de sociale gronden heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser een aanvraag heeft ingediend voor medische gronden, dat hij als alleenstaande wordt beschouwd en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen gezinsleven met zijn kinderen mogelijk is. Ten slotte heeft het college overwogen dat geen sprake is van een acuut levensbedreigend probleem of van een zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende situatie die maakt dat de hardheidsclausule moet worden toegepast.
Standpunt van eiser
4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hij is van mening dat hij zowel medische als sociale dringende redenen heeft om op korte termijn passende woonruimte te krijgen. De weigering hem een urgentieverklaring te geven leidt redelijkerwijs bij hem en zijn kinderen wel degelijk tot een schrijnende (woon)situatie. Eiser kan geen gezinsleven met zijn kinderen uitoefenen en de zorgreling niet nakomen. De situatie is voor eiser onhoudbaar en uitzichtloos geworden. De lichamelijke klachten hebben veel invloed op zijn conditie en gezondheid en door zijn psychische klachten is zijn dagelijks leven volledig lam gelegd. Er is sprake van een levensbedreigende situatie, omdat hij geen structuur meer heeft in zijn leven en totaal is uitgeput. De acute woonsituatie heeft geleid tot het geheel disfunctioneren van het gezin en er wordt gevreesd voor de gezondheid en ontwikkeling van de kinderen alsmede de gezondheid van eiser.
Mocht verweerder de afwijzing op het GGD-advies baseren?
5. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het GGD-advies is gebaseerd op een gesprek met eiser en de brieven van de anesthesioloog, de radioloog en de orthopedisch chirurg. Uit de brief van GGZ InGeest van 14 november 2023 blijkt dat eiser naast zijn fysieke klachten gediagnosticeerd is met een depressieve stoornis en een angststoornis. Deze psychische stoornissen zijn in het GGD-advies niet kenbaar betrokken. Uit het GGD-advies blijkt ook niet waarom de arts dit niet heeft gedaan. Dit terwijl de aanvraag mede is gedaan vanwege zijn psychische klachten en de brief van GGZ InGeest bij de aanvraag is overgelegd. Nu de psychische stoornissen van eiser niet zijn betrokken, heeft de arts ook niet kunnen beoordelen in welke mate de psychische klachten van eiser als gevolg van zijn depressie en angststoornis levens ontwrichtend zijn.
5.3.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het GGD-advies niet voldoet aan de vereisten. Het college kan daarom de besluitvorming niet baseren op dit medisch advies. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank komt niet toe aan de beroepsgronden die zien op de hardheidsclausule.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf te beslissen over de vraag of eiser in aanmerking komt voor een urgentieverklaring.
6.1.
De rechtbank bepaalt dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat het college eiser opnieuw door een GGD-arts moet laten onderzoeken, waarbij ook de psychische klachten van eiser worden betrokken in het onderzoek. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 15 oktober 2024;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.E. Swinkels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.
Artikel 2.10.11 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1581 en van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:746.