Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-01
ECLI:NL:RBAMS:2025:2131
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,719 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4502
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,
hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring, op grond van Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv).
1.1.
Op 9 januari 2024 doet eiser een urgentieaanvraag op medische gronden. Hij heeft lymfeklierkanker en benauwdheidsklachten, zijn vrouw heeft de ziekte van Behcet (een vorm van reuma). Hij woont met zijn vrouw en hun vier kinderen, waarvan drie minderjarig, in een woning van 49 vierkante meter op de [adres] in Amsterdam. De woning is van origine een tweekamer appartement maar door een stuk uitbouw aan de achterzijde is er een extra slaapkamer gecreëerd waar eiser en zijn vrouw slapen. De slaapkamer heeft geen ramen en kan dus slecht worden geventileerd. Zijn minderjarige kinderen slapen met zijn drieën op de andere slaapkamer.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 maart 2024 afgewezen omdat er sprake is van drie algemene weigeringsgronden. Met het bestreden besluit van 28 juni 2024 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de urgentieaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van algemene weigeringsgronden?
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid de drie algemene weigeringsgronden, namelijk de b-grond, de c-grond en de d-grond, aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Daartoe overweegt zij als volgt.
3.2.
Eiser is van mening dat de woning van onvoldoende kwaliteit is omdat hij niet genoeg kan worden geventileerd. Er zitten geen ramen in de slaapkamer waardoor er te weinig frisse lucht binnenkomt. Door de gezondheidsklachten van eiser en zijn vrouw is dit problematisch.
3.3.
De rechtbank overweegt dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de kwaliteit van de woning een verantwoordelijkheid voor de verhuurder of eigenaar is. Dit betekent dat de (slechte) kwaliteit van de woning geen reden kan zijn om een urgentieverklaring toe te kennen. In de nadere regels is dat nadrukkelijk opgenomen. Eiser heeft geen documenten of onderbouwing overlegd die tot een ander oordeel leiden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.4.
De tweede algemene weigeringsgrond die aan eiser wordt tegengeworpen is dat het huisvestingprobleem redelijkerwijs te voorkomen of op te lossen was. Het college redeneert als volgt. Eiser is in 2010 op zijn huidige adres komen wonen. Hij had toen al twee kinderen. Vervolgens heeft hij zijn gezin twee keer uitgebreid. Nu is de woning niet meer geschikt. Eisers argument dat het huisvestingsprobleem niet aan de grootte maar de gezondheid van eiser en zijn vrouw te wijten is, maakt deze beoordeling niet anders.
3.5.
De rechtbank kan dit standpunt van het college volgen. Eiser stelt dat hij last heeft van de slechte ventilatie in zijn huis. De rechtbank overweegt dat een gebrek aan ventilatie onlosmakelijk verbonden is met de grootte van een gezin. Eiser kon natuurlijk niet overzien dat hij en zijn vrouw ziek zouden worden, en dat zijn zoon astma zou krijgen. Dit wordt hem ook niet verweten. Maar feit blijft dat meer personen op hetzelfde aantal vierkante meters betekent dat er meer behoefte is aan ventilatie. Om die reden heeft het college de gezinsuitbreiding aan eiser mogen tegenwerpen, in de zin dat het geen grondslag vormt voor een urgentieverklaring.
3.6.
Ook de laatste algemene weigeringsgrond dat eiser gebruik kon maken van een voorziening die gelet op aard en doel passend wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingprobleem, mocht het college in redelijkheid aan eiser tegenwerpen. Uit de Nadere regels volgt dat eiser een juridische procedure kan starten tegen de verhuurder als hij last heeft van het woongenot. Eiser heeft geen juridische procedure gestart. Op zich begrijpt de rechtbank dat, nu eiser de woning huurt van zijn moeder. Maar eiser heeft aangetoond dat de indeling van het huis niet kan worden veranderd, of dat er geen andere mogelijkheden (voorzieningen) zijn om het huis te verbeteren. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt mogen stellen dat er nog andere voorzieningen voorliggen die het huisvestingsprobleem mogelijk zouden kunnen oplossen.
Slaagt het beroep op de hardheidsclausule?
4.1.
Eiser doet een beroep op de hardheidsclausule. De rechtbank oordeelt dat er op dit punt sprake is van een gebrek in het bestreden besluit. Daarin staat namelijk dat het besluit van het college is gebaseerd op een medisch advies. Er zit geen medisch advies gevoegd in het dossier. In het bestreden besluit staat:
“In een overleg met de GGD is uw situatie voorgelegd. Naar aanleiding van het bestuderen van uw medische problematiek, heeft de GGD geoordeeld dat frisse lucht geen positieve invloed zou hebben op uw medische problematiek. Een nader onderzoek is door de GGD niet nodig bevonden.”
4.2.
Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat er overleg met de GGD heeft plaatsgevonden. Dit oordeel van de GGD is niet opgenomen in het dossier en is dus ook niet bekend bij eiser en de rechtbank. De rechtbank overweegt dat het niet duidelijk is welke informatie het college heeft voorgelegd aan de GGD en hoe de GGD tot deze conclusie kwam. In elk geval staat vast dat de GGD eiser niet heeft betrokken bij het advies. Omdat het college zich wel baseert op het advies van de GGD, is het besluit gebrekkig tot stand gekomen. Het advies dat ten grondslag ligt aan de besluitvorming, is niet inzichtelijk. Het voldoet hierdoor niet aan de vereisten die worden gesteld aan een deskundigenadvies. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd. De GGD zal dus een nader gemotiveerd medisch advies moeten uitbrengen in het kader van de hardheidsclausule.
Nadere stukken
5. Eiser heeft in beroep ook nog een aantal stukken overlegd ter onderbouwing van de situatie van de kinderen. Deze stukken vallen buiten de medische aanvraag van eiser. De rechtbank neemt de stukken nu dan ook niet mee in de beoordeling. De rechtbank overweegt dat het welzijn van de kinderen (en de astma van de zoon) niet wordt genoemd in de aanvraag en ook niet in bezwaar. Het college heeft geen kans gekregen om deze stukken of deze gronden mee te nemen in de beoordeling.
Conclusie
6.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Alegemene wet bestuursrecht (Awb) ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
6.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat het college eiser door een GGD-arts moet laten onderzoeken. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
6.3.
Omdat beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden
Dictum
De rechtbank;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 28 juni 2024;
draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr.W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Versie 1 januari 2024.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b van de Hvv, artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder c van de Hvv en artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder d van de Hvv.
Nadere regels, paragraaf 3, aanhef en onder b, punt 1.
Nadere regels, paragraaf 3, aanhef en onder c, punt 2.
Versie 1 januari 2024.
Nadere regels, paragraaf 3, aanhef en onder c, punt 2.
ECLI:NL:CRVB:2024:1124