Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:1564
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,234 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/1811
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring, op grond van Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 november 2023 afgewezen (het primaire besluit). Met het besluit van 21 februari 2024 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en eiser heeft op 5 en 9 december 2024 nadere (medische) stukken overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer D. El Haddouchi als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van verweerder.
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser (34 jaar) heeft op 20 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring door medische problemen. Eiser is alleenstaand en woont sinds 2017 in Amsterdam en sinds 22 februari 2023 in een zelfstandige woning op het adres [adres] . Het betreft een tweekamerwoning van 41 m2 op de vierde etage. Eiser heeft de aanvraag ingediend omdat hij door een long- en luchtwegaandoening beperkt wordt in het traplopen. Verder worden eisers ademhalingsproblemen verergerd door schimmelvorming en vocht in de woning. Hij is daarom op zoek naar een andere woning zonder trappen.
2.1.
Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag de GGD om advies gevraagd. De GGD-arts heeft het advies gebaseerd op een gesprek met eiser op 8 november 2023 en brieven van specialisten van 12 oktober 2022, 15 juni 2023 en 26 juni 2023. De GGD heeft op 14 november 2023 negatief advies uitgebracht (het GGD-advies) omdat (1) eisers gezondheidsprobleem intermitterend van aard is - dat wil zeggen dat eiser het grootste deel van de tijd geen klachten heeft bij inspanning, (2) er nog aanvullende (medicamenteuze) behandeling mogelijk is, (3) verbetering van de gezondheid te bereiken is door het saneren van de woning en (4) uit de medische informatie onvoldoende blijkt dat betrokkene niet in staat is om trappen te lopen.
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag, onder verwijzing naar het GGD-advies, afgewezen, omdat de medische problematiek van eiser niet van levensbedreigende of levensontwrichtende aard is. Hierdoor komt eiser niet in aanmerking voor een urgentie op medische gronden. De aanvraag is daarom afgewezen op grond van artikel 2.10.5, vierde lid, van de Hvv in combinatie met artikel 2.10.8, eerste lid, onder b, van de Hvv.
2.3.
Verweerder is in bezwaar bij de afwijzing gebleven op de grond dat de GGD-arts in voldoende mate heeft gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft in bezwaar geen nieuw onderzoek bij GGD aangevraagd omdat eiser geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd waaruit zou blijken dat eiser naar een laaggelegen woning of woning met lift moet verhuizen. Indien en voor zover er sprake is van vocht of schimmel in de woning heeft verweerder gewezen op de mogelijkheid dit bij de verhuurder te melden.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de urgentieaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond omdat verweerder het bestreden besluit niet op het advies van de GGD mocht baseren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht verweerder de afwijzing op het GGD-advies baseren?
5. Eiser voert aan dat verweerder het bestreden besluit niet op het GGD-advies mocht baseren. Het onderzoek van de GGD is onzorgvuldig en onvolledig geweest omdat het advies tot stand is gekomen op basis van een zeer kort gesprek op 8 november 2023, waarbij eiser niet is geobserveerd bij het traplopen naar zijn woning op de vierde etage. Hierdoor heeft de arts eiser ook niet de acht keer tien treden zien lopen naar zijn woning om te beoordelen hoe beperkt eiser is bij het traplopen. De GGD erkent dat eiser medische aandoeningen ondervindt waarvoor hij onder specialistische behandeling is en medicatie gebruikt. Tevens erkent de GGD dat eisers aandoeningen kunnen leiden tot een verminderde inspanningstolerantie maar stelt dat de klachten zich intermitterend manifesteren. Eiser betwist dit en stelt dat deze conclusie van de GGD onjuist is. Eiser heeft verder in beroep aanvullende medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat de schimmelproblematiek in de woning van eiser een negatief effect heeft op zijn gezondheid.
5.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij het bestreden besluit op het GGD-advies kon baseren omdat het advies zorgvuldig is. Dat het gesprek met de GGD-arts kort duurde, wil niet zeggen dat het advies daarom onzorgvuldig tot stand is gekomen. Op basis van de beschikbare informatie heeft de GGD-arts geconcludeerd dat eiser het grootste deel van de tijd klachtenvrij is als het gaat om traplopen. Ook is het GGD-advies niet tegenstrijdig. Ook wanneer er al een indirecte samenhang zou zijn tussen de vocht- en schimmelproblematiek en het traplopen dan nog geldt dat de GGD-arts inzichtelijk heeft geconcludeerd dat de medische problemen van eiser niet dermate ernstig en chronisch zijn dat ze een urgentieverklaring op medische gronden rechtvaardigen.
5.2.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder de afwijzing van de urgentie niet op het GGD-advies mocht baseren en overweegt hiertoe als volgt.
5.3.
Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit uitgaan van het advies van een deskundige, als dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is en begrijpelijk is gemotiveerd, de zogenaamde vergewisplicht.Zijn er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren gebracht, dan mag niet zonder meer van het advies van de deskundige worden uitgegaan.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich er niet van heeft vergewist dat het medisch onderzoek zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. Allereerst is het GGD-onderzoek gebaseerd op een gesprek met eiser en brieven van specialisten, maar eiser is niet door de arts geobserveerd tijdens het traplopen naar zijn woning op de vierde etage. Uit het GGD-advies blijkt ook niet waarom de arts dit niet heeft gedaan. Dit, terwijl de aanvraag is gedaan vanwege ademhalingsklachten bij het belopen van acht trappen van ongeveer tien treden naar de woning van eiser. Nu eiser niet geobserveerd is bij het belopen van deze trappen, heeft de arts ook niet kunnen beoordelen in welke mate eiser beperkingen ervaart en hoe beperkt de inspanningstolerantie is bij het traplopen. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek reeds hierom onzorgvuldig en onvolledig is geweest.
5.5.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het GGD-advies ook niet inzichtelijk en concludent is. De arts concludeert namelijk dat eisers klachten zich intermitterend manifesteren, dat wil zeggen dat hij het grootste deel van de tijd geen klachten heeft bij inspanning. Uit het advies valt niet op te maken waar deze conclusie op gebaseerd is, terwijl eiser de conclusie in bezwaar reeds heeft betwist. Gelet op de medisch stukken die eiser bij de aanvraag heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiser te kampen heeft met zware long- en luchtwegproblematiek, lag het op de weg van verweerder om hier nadere vragen over te stellen aan de GGD-arts. Tot slot kan de rechtbank verweerder niet volgen in het standpunt dat de GGD-arts niet kon vaststellen dat eiser geen trappen kan lopen omdat dit niet uit de aangeleverde medische informatie blijkt. In hoeverre eiser in staat is om de trappen naar zijn woning te lopen is juist wat de GGD-arts zelf had moeten onderzoeken.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de afwijzing van de urgentieaanvraag niet op het GGD-advies mocht baseren omdat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet inzichtelijk en concludent is. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden.
5.7.
Wat betreft de schimmelproblematiek in de woning van eiser en het effect hiervan op zijn gezondheid is op zitting gebleken dat eiser via zijn gemachtigde daarin stappen jegens de verhuurder aan het nemen is. Dit speelt verder in deze procedure geen rol meer.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en 3:9 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de vraag of eiser in aanmerking komt voor een urgentieverklaring.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat verweerder eiser opnieuw door een GGD-arts moet laten onderzoeken, waarbij eiser in ieder geval wordt geobserveerd bij het belopen van de trappen naar zijn woning. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
6.2.
Omdat beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 februari 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.E. Swinkels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het bestreden besluit is gebaseerd op de Hvv (versie van 16 januari 2023) en Hoofdstuk 1 'urgenties', paragraaf II, onder 3 en 24 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (versie van 16 januari 2023).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2541, en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 22 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1124.
Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1437 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), van 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:570 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/) en van 9 december 2020 ECLI:NL:RVS:2020:2907.
Algemene wet bestuursrecht.