Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:1694
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,830 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-302450-24
Datum uitspraak: 19 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 31 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 augustus 2024 door the District Court in Krosno, 2nd Criminal Division in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 2 januari 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 januari 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz (waarnemend voor mr. L. de Leon), advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 16 januari 2025
In de tussenuitspraak van 16 januari 2025 heeft de rechtbank – onder meer – stilgestaan bij de detentieomstandigheden in de gevangenis van Barczewo in Polen. Kortgezegd heeft de rechtbank vastgesteld dat zij er in het verleden ten onrechte vanuit is gegaan dat geografische aspecten doorslaggevend zijn bij de plaatsing van een veroordeelde in het Poolse gevangeniswezen, waardoor niet langer kan worden uitgesloten dat een opgeëiste persoon in de gevangenis in Barczewo wordt geplaatst. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op het rapport van the Commissioner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment van 2022 (hierna: het NMPT-rapport), dat blijk geeft van een zorgelijke situatie met betrekking tot de detentieomstandigheden in de Barczewo gevangenis.
In het licht van deze zorgen heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en direct geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, ter beoordeling van de vraag of er ten aanzien van de gevangenis is Barczewo sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2016.
Tot slot heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen opnieuw met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid, OLW), onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
Zitting van 5 februari 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van de partijen – hervat op de zitting van 5 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is opnieuw bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen opnieuw met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid, OLW), onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon opnieuw verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3De tussenuitspraak van 16 januari 2025
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 16 januari 2025, waarin zij heeft geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (rubriek 3), de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW (rubriek 4), de dubbele strafbaarheid van het in het EAB vermelde feit (rubriek 5), de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW (rubriek 6), de weigeringsgrond van artikel 13 OLW (rubriek 7) en artikel 11 OLW in het licht van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de EU (rubriek 8). Deze overwegingen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd
4Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Barczewo
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in rubriek 9 van de voornoemde tussenuitspraak van 16 januari 2025. De overwegingen in deze rubriek dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak heeft stilgestaan bij enkele passages uit het hierboven in rubriek 1 aangehaalde NMPT-rapport over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo in Polen. Kort samengevat heeft de rechtbank overwogen dat het NMPT in zijn rapport spreekt van fysieke mishandelingen in de gevangenis in Barczewo en ook van andere vormen van wangedrag jegens gedetineerden met een structureel karakter. Gelet op de ernst van de in het rapport geschetste misstanden heeft de rechtbank, ondanks dat het bezoek waarover in het rapport wordt gerapporteerd al van ruim twee jaar geleden is, geoordeeld dat het onderzoek ter zitting moest worden heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De antwoorden op deze vragen dienen ter beoordeling van de vraag of er ten aanzien van de gevangenis in Barczewo sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2016.
De voor te leggen vragen luidden als volgt:
1. Klopt het dat de geografische afstand tot de plaats van veroordeling en/of de woonplaats van de veroordeelde, met uitzondering van de laatste zes maanden van detentie, geen doorslaggevende rol speelt bij de beslissing in welke detentie-instelling de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf zal plaatsvinden?
2. In welke gevangenis zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid geplaatst worden na zijn eventuele overlevering naar Polen?
3. Het NMPT rapporteert in het 'Report of the Commissioner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in Poland in 2022’ (pagina ’s 46 t/m 48) over ernstige en structurele misstanden in de gevangenis van Barczewo, in het bijzonder met betrekking tot geweld door gevangenisbewaarders jegens gedetineerden en het aanzetten tot en tolereren van geweld tussen gedetineerden onderling aldaar. Hoe is de situatie in de gevangenis van Barczewo op dit moment? Welke maatregelen zijn er inmiddels getroffen ter verbetering van de situatie?
Op 22 januari 2025 heeft een rechter van de Regional Court in Krosno de volgende aanvullende informatie verstrekt:
the choice of a specific prison in which the convicted person is to serve the prison sentence is made first of all on the basis of determining the type of prison which will allow to implement the appropriate system of serving the prison sentence.
Beoordeling
De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 14 februari 2025 in een andere overleveringszaak, waarin de vragen zoals hiervoor onder de inleiding zijn weergegeven aan een andere uitvaardigende justitiële autoriteit zijn voorgelegd en waarin door deze autoriteit, in samenwerking met de Deputy Director of the Prison Service in Polen, aanvullende informatie is verstrekt over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo. Kort samengevat heeft de rechtbank geoordeeld dat op basis van de in deze aanvullende informatie en het NMPT-rapport vervatte gegevens niet kan worden vastgesteld dat een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van grondrechten wanneer een opgeëiste persoon in deze gevangenis zou worden gedetineerd. In de onderhavige zaak is niets aangevoerd wat tot een ander oordeel leidt.
Gelet op het voorgaande is de vraag in welke gevangenis de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst na overlevering niet langer relevant en behoeft het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit op deze vraag geen verdere bespreking. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Krosno, 2nd Criminal Division in Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal. griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Rb. Amsterdam 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:322.
Hof van Justitie van de Europese Unie 5 april 2016, gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU (Aranyosi and Căldăraru), ECLI:EU:C:2016:198.
Zie: https://bip.brpo.gov.pl/sites/default/files/2023-12/NMPT_Annual_Report_2022.pdf.
Hof van Justitie van de Europese Unie 5 april 2016, gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU (Aranyosi and Căldăraru), ECLI:EU.C:2016:198.
Rb. Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909.
Rb. Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909, r.o. 4.4.7.