Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-26
ECLI:NL:RBAMS:2025:1375
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,760 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-391370-24
Datum uitspraak: 26 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 24 december 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 november 2024 door de District Court in Koszalin II Criminal Department in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 februari 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Koszalin van 5 mei 2023 (kenmerk: II K 41/22).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, acht maanden en zeven dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft
5Artikel 11 OLW; artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in Barczewo
Inleiding
De rechtbank heeft op 16 januari 2025 uitspraken gedaan in zaken die, net als deze zaak, EAB’s uit Polen betreffen, die zien op tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen. De rechtbank heeft in die uitspraken overwogen dat in het ‘Report of the Commissioner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in Poland in 2022’ (pagina’s 46 t/m 48) wordt gerapporteerd over ernstige en structurele misstanden in de gevangenis van Barczewo, in het bijzonder met betrekking tot geweld door gevangenisbewaarders jegens gedetineerden en het aanzetten tot en tolereren van geweld tussen gedetineerden onderling aldaar. Gelet op deze constatering heeft de rechtbank vragen gesteld in die zaken over de omstandigheden in de gevangenis van Barczewo en navraag gedaan over waar de opgeëiste personen in die zaken naar alle waarschijnlijkheid zouden worden gedetineerd in Polen. De rechtbank heeft ervoor gekozen om deze vragen alleen voor te leggen in de zaken waarin op 16 januari 2025 uitspraak is gedaan, met het doel de beantwoording overzichtelijk te houden en van een centrale autoriteit in Polen antwoorden te verkrijgen.
In deze zaak heeft het openbaar ministerie bij e-mail van 21 januari 2025 de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:
1. In which prison will the requested person most likely be detained after his surrender to Poland?
2. Furthermore, could you confirm that, given the answer to question 1, it is unlikely that the requested person will be detained in the prison of Barczewo?
Op 22 januari 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“The District Court in Koszalin, II Criminal Department, in response to the email sent on 21 January 2025, indicates that after [opgeëiste persoon] is transferred by air, he will initially be detained in the Warszawa Służewiec Detention Center, from where he will be transported within 14 days to the target unit closest to his last place of residence in Poland. In the case of [opgeëiste persoon] , whose last place of residence is [woonplaats] in the town of [naam stad] , the prison facility where the wanted person will most likely serve his sentence is the Jastrzębie-Zdrój Prison Facility, or another penitentiary unit within the given district, i.e..
- Cieszyn Prison/External Ward in Bielsko-Biała
- Herby Prison Facility /External Ward in Lubliniec
- Racibórz Prison Facility,
- Wojkowice Prison Facility.
Due to the above, it is very unlikely that the wanted, [opgeëiste persoon] , will be imprisoned in the Barczewo Prison Facility, because this unit does not belong to the indicated district and is not appropriate according to the zoning determined according to the place of residence.”
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, aangezien de aanvullende informatie afdoende garantie biedt dat de opgeëiste persoon niet in de detentie-instelling in Barczewo zal worden geplaatst.
Beoordeling
De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 14 februari 2025 in een andere Poolse overleveringszaak, waarin de in de inleiding bedoelde vragen over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo zijn voorgelegd. In die zaak heeft de rechtbank – kort samengevat – geoordeeld dat op basis van het geheel van gegevens waarover de rechtbank beschikt niet kan worden gesproken van een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten voor opgeëiste personen die na hun overlevering in de gevangenis in Barczewo worden gedetineerd.
Gelet op het voorgaande is de vraag in welke gevangenis de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst na overlevering niet langer relevant en behoeft het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit op deze vraag geen verdere bespreking. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 47 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, voor het feit zoals dit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie Rb. Amsterdam van 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:320, Rb. Amsterdam 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:321, Rb Amsterdam 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:322, Rb Amsterdam 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:324 en Rb Amsterdam 16 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:326.
Rb. Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909, r.o. 4.4.7.