Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-31
ECLI:NL:RBAMS:2025:11420
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Bodemzaak
11,903 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11420 text/xml public 2026-04-13T15:38:29 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-31 C/13/750635 / HA ZA 24-518 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - meervoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11420 text/html public 2026-04-13T14:59:02 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11420 Rechtbank Amsterdam , 31-12-2025 / C/13/750635 / HA ZA 24-518 De rechtbank heeft in een eerder tussenvonnis geoordeeld dat gedaagden een non-concurrentiebeding hebben geschonden. In dit eindvonnis beslist zij over het aantal overtredingen en de hoogte van de hiervoor verschuldigde boete. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/750635 / HA ZA 24-518 Vonnis van 31 december 2025 in de zaak van [eiser] B.V. , te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. E.A. Buziau, tegen 1 [gedaagde 1] , te [woonplaats] , 2. [gedaagde 2] B.V. , te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partijen, hierna te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk ook [gedaagden] , advocaat: mr. M. Kalkwiek. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 oktober 2024, - het tussenvonnis van 16 juli 2025 en de daarin genoemde stukken (hierna: het tussenvonnis), - de antwoordakte van [gedaagden] van 9 september 2025, - de akte houdende voorwaardelijk verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissingen van [gedaagden] van 9 september 2025, - het bezwaar van [eiser] tegen voornoemde akte, - de antwoordakte van [eiser] van 8 oktober 2025, - het bezwaar van [gedaagden] tegen voornoemde akte. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. De rechtbank heeft in het tussenvonnis, samengevat, geoordeeld dat de zonen van [gedaagde 1] te gelden hebben als ‘Verbonden Partijen’, zij via B&O met AvéWé hebben geconcurreerd en dat [gedaagden] om die reden het non-concurrentiebeding hebben geschonden. De rechtbank heeft haar beslissingen over het aantal overtredingen van het non-concurrentiebeding en de hoogte van de verschuldigde boete aangehouden, omdat [gedaagden] zich eerst nog mochten uitlaten over stukken die [eiser] pas later in de procedure heeft ingediend. Het verzoek van [gedaagden] en de reactie hierop 2.2. [gedaagden] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt en daarbij ook een akte ingediend waarin zij de rechtbank verzoeken om terug te komen van bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis. De rechtbank zal eerst op dit verzoek ingaan. 2.3. Het verzoek van [gedaagden] ziet op een aantal rechtsoverwegingen met betrekking tot artikel 10.1 sub d van de overeenkomst: het onderdeel van het non-concurrentiebeding dat een verbod bevat om enige activiteit te ondernemen met betrekking tot afnemers van Avéwé (zie nummer 3.4 tussenvonnis). [gedaagden] hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat klanten van AvéWé afnemers zijn in de zin van voornoemd artikel (zie nummer 5.27 tussenvonnis). Volgens hen is dit juist wel in geschil en zijn klanten alleen afnemers in de zin van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst, als zij aan de daargenoemde cumulatieve voorwaarden voldoen: het moet gaan om (rechts)personen die (i) goederen en/of diensten afnemen, (ii) van AvéWé, (iii) minder dan een jaar voor de betreffende activiteit. Volgens [gedaagden] is de rechtbank daarnaast buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden met het oordeel dat uit de tekst van voornoemde verbodsbepaling eenduidig volgt dat het overnemen van klanten van AvéWé door B&O reeds een inbreuk oplevert (zie nummer 5.27 tussenvonnis). In het verlengde hiervan zou de rechtbank ook ten onrechte de afzonderlijk te beantwoorden vragen of B&O intermediairwijzigingen heeft doorgevoerd en vervolgens “enige activiteit” als bedoeld in voornoemde contractuele bepaling heeft ondernomen, hebben beperkt tot de enkele vraag of en, zo ja, hoeveel klanten van AvéWé naar B&O zijn overgestapt. 2.4. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek en wijst erop dat [gedaagden] door de rechtbank niet in de gelegenheid zijn gesteld om in een nadere akte nog aanvullende standpunten in te nemen. Volgens haar moet de akte daarom buiten beschouwing worden gelaten. Voor zover de rechtbank dat anders ziet, bestrijdt [eiser] dat er een grond is om terug te komen van voornoemde bindende eindbeslissingen. 2.5. Op hun beurt hebben [gedaagden] bezwaar gemaakt tegen de antwoordakte die [eiser] in reactie op het verzoek aan de rechtbank heeft doen toekomen. De beslissing op het verzoek 2.6. De rechtbank overweegt dat zij op verzoek van partijen of ambtshalve kan terugkomen van bindende eindbeslissingen in een tussenvonnis, voor zover partijen zich over het daartoe strekkende verzoek of voornemen hebben mogen uitlaten en de betreffende beslissingen berusten op een onjuiste juridische of niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen feitelijke grondslag. De rechtbank verwerpt om die reden het bezwaar van [eiser] en laat de aanvullende akte van [gedaagden] toe. Ook het bezwaar van [gedaagden] tegen de antwoordakte van [eiser] wordt verworpen. In het kader van hoor- en wederhoor staat het [eiser] vrij om op het verzoek te reageren en naar het oordeel van de rechtbank gaat de akte van [eiser] dat bestek ook niet te buiten. 2.7. Het verzoek zelf wordt afgewezen. De rechtbank ziet allereerst geen grond om terug te komen van haar vaststelling dat het tussen partijen niet in geschil is dat klanten van AvéWé “afnemer” zijn. Met [eiser] is de rechtbank eens dat [gedaagden] in hun conclusie van antwoord noch tijdens de zitting hebben bestreden dat de door [eiser] genoemde klanten “afnemers” in de zin van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst zijn, omdat deze klanten niet aan de daargenoemde cumulatieve criteria zouden voldoen. Dit volgt ook niet uit de door [gedaagden] aangehaalde randnummers 189 en 192 van de conclusie van antwoord. Zij bestrijden daarin slechts in het algemeen dat het door [eiser] overgelegde Excel-overzicht van overgestapte klanten juist is, betwisten verder dat deze personen producten of diensten van AvéWé hebben afgenomen of dat B&O voor elk van hen een intermediairwijziging heeft doorgevoerd. Dat klant en afnemer voor partijen kennelijk inwisselbare begrippen waren, volgt ook uit het feit dat [gedaagden] in hun conclusie van antwoord en spreekaantekeningen enkel het begrip “klant” hebben gebruikt – behoudens citaten uit de overeenkomst. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding voor het oordeel dat zij buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, met haar conclusie dat een intermediairwijziging naar B&O op grond van de tekst van de overeenkomst steeds meebrengt dat B&O ten aanzien van die persoon “enige activiteit” in de zin van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst is gaan ondernemen. Zij is met [eiser] eens dat [gedaagden] haar stellingen op dit punt niet hebben bestreden. [gedaagden] hebben zich niet op het standpunt gesteld dat na de vaststelling van een dergelijke intermediairwijziging vervolgens afzonderlijk moet worden beoordeeld of B&O ten aanzien van die persoon ook “enige activiteit” in de zin van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst heeft ondernomen. Het debat tussen partijen heeft zich dan ook niet gericht op de vraag wat (i.e. welke activiteit), maar slechts op wie (i.e. zijn de zonen Verbonden Partijen) onder de reikwijdte van de bewuste bepaling viel. 2.8. Hoewel reeds om die redenen geen aanleiding bestaat om van de door [gedaagden] genoemde vaststellingen terug te komen, kunnen [gedaagden] ook inhoudelijk niet worden gevolgd in hun stellingen. Dat het bij “afnemers” steeds moet gaan om personen die minder dan een jaar voorafgaand aan de ten aanzien van hen ondernomen activiteit nog goederen en/of diensten van AvéWé hebben afgenomen (zie nummer 2.3 hiervoor, onder (iii)), volgt niet uit de tekst van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11420 text/xml public 2026-04-13T15:38:29 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-31 C/13/750635 / HA ZA 24-518 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - meervoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11420 text/html public 2026-04-13T14:59:02 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11420 Rechtbank Amsterdam , 31-12-2025 / C/13/750635 / HA ZA 24-518 De rechtbank heeft in een eerder tussenvonnis geoordeeld dat gedaagden een non-concurrentiebeding hebben geschonden. In dit eindvonnis beslist zij over het aantal overtredingen en de hoogte van de hiervoor verschuldigde boete. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/750635 / HA ZA 24-518 Vonnis van 31 december 2025 in de zaak van [eiser] B.V. , te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. E.A. Buziau, tegen 1 [gedaagde 1] , te [woonplaats] ,2. [gedaagde 2] B.V. , te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partijen, hierna te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk ook [gedaagden] , advocaat: mr. M. Kalkwiek. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 oktober 2024, - het tussenvonnis van 16 juli 2025 en de daarin genoemde stukken (hierna: het tussenvonnis), - de antwoordakte van [gedaagden] van 9 september 2025, - de akte houdende voorwaardelijk verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissingen van [gedaagden] van 9 september 2025, - het bezwaar van [eiser] tegen voornoemde akte, - de antwoordakte van [eiser] van 8 oktober 2025, - het bezwaar van [gedaagden] tegen voornoemde akte. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. De rechtbank heeft in het tussenvonnis, samengevat, geoordeeld dat de zonen van [gedaagde 1] te gelden hebben als ‘Verbonden Partijen’, zij via B&O met AvéWé hebben geconcurreerd en dat [gedaagden] om die reden het non-concurrentiebeding hebben geschonden. De rechtbank heeft haar beslissingen over het aantal overtredingen van het non-concurrentiebeding en de hoogte van de verschuldigde boete aangehouden, omdat [gedaagden] zich eerst nog mochten uitlaten over stukken die [eiser] pas later in de procedure heeft ingediend. Het verzoek van [gedaagden] en de reactie hierop 2.2. [gedaagden] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt en daarbij ook een akte ingediend waarin zij de rechtbank verzoeken om terug te komen van bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis. De rechtbank zal eerst op dit verzoek ingaan. 2.3. Het verzoek van [gedaagden] ziet op een aantal rechtsoverwegingen met betrekking tot artikel 10.1 sub d van de overeenkomst: het onderdeel van het non-concurrentiebeding dat een verbod bevat om enige activiteit te ondernemen met betrekking tot afnemers van Avéwé (zie nummer 3.4 tussenvonnis). [gedaagden] hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat klanten van AvéWé afnemers zijn in de zin van voornoemd artikel (zie nummer 5.27 tussenvonnis). Volgens hen is dit juist wel in geschil en zijn klanten alleen afnemers in de zin van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst, als zij aan de daargenoemde cumulatieve voorwaarden voldoen: het moet gaan om (rechts)personen die (i) goederen en/of diensten afnemen, (ii) van AvéWé, (iii) minder dan een jaar voor de betreffende activiteit. Volgens [gedaagden] is de rechtbank daarnaast buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden met het oordeel dat uit de tekst van voornoemde verbodsbepaling eenduidig volgt dat het overnemen van klanten van AvéWé door B&O reeds een inbreuk oplevert (zie nummer 5.27 tussenvonnis). In het verlengde hiervan zou de rechtbank ook ten onrechte de afzonderlijk te beantwoorden vragen of B&O intermediairwijzigingen heeft doorgevoerd en vervolgens “enige activiteit” als bedoeld in voornoemde contractuele bepaling heeft ondernomen, hebben beperkt tot de enkele vraag of en, zo ja, hoeveel klanten van AvéWé naar B&O zijn overgestapt. 2.4. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek en wijst erop dat [gedaagden] door de rechtbank niet in de gelegenheid zijn gesteld om in een nadere akte nog aanvullende standpunten in te nemen. Volgens haar moet de akte daarom buiten beschouwing worden gelaten. Voor zover de rechtbank dat anders ziet, bestrijdt [eiser] dat er een grond is om terug te komen van voornoemde bindende eindbeslissingen. 2.5. Op hun beurt hebben [gedaagden] bezwaar gemaakt tegen de antwoordakte die [eiser] in reactie op het verzoek aan de rechtbank heeft doen toekomen. De beslissing op het verzoek 2.6. De rechtbank overweegt dat zij op verzoek van partijen of ambtshalve kan terugkomen van bindende eindbeslissingen in een tussenvonnis, voor zover partijen zich over het daartoe strekkende verzoek of voornemen hebben mogen uitlaten en de betreffende beslissingen berusten op een onjuiste juridische of niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen feitelijke grondslag. De rechtbank verwerpt om die reden het bezwaar van [eiser] en laat de aanvullende akte van [gedaagden] toe. Ook het bezwaar van [gedaagden] tegen de antwoordakte van [eiser] wordt verworpen. In het kader van hoor- en wederhoor staat het [eiser] vrij om op het verzoek te reageren en naar het oordeel van de rechtbank gaat de akte van [eiser] dat bestek ook niet te buiten. 2.7. Het verzoek zelf wordt afgewezen. De rechtbank ziet allereerst geen grond om terug te komen van haar vaststelling dat het tussen partijen niet in geschil is dat klanten van AvéWé “afnemer” zijn. Met [eiser] is de rechtbank eens dat [gedaagden] in hun conclusie van antwoord noch tijdens de zitting hebben bestreden dat de door [eiser] genoemde klanten “afnemers” in de zin van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst zijn, omdat deze klanten niet aan de daargenoemde cumulatieve criteria zouden voldoen. Dit volgt ook niet uit de door [gedaagden] aangehaalde randnummers 189 en 192 van de conclusie van antwoord. Zij bestrijden daarin slechts in het algemeen dat het door [eiser] overgelegde Excel-overzicht van overgestapte klanten juist is, betwisten verder dat deze personen producten of diensten van AvéWé hebben afgenomen of dat B&O voor elk van hen een intermediairwijziging heeft doorgevoerd. Dat klant en afnemer voor partijen kennelijk inwisselbare begrippen waren, volgt ook uit het feit dat [gedaagden] in hun conclusie van antwoord en spreekaantekeningen enkel het begrip “klant” hebben gebruikt – behoudens citaten uit de overeenkomst. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding voor het oordeel dat zij buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, met haar conclusie dat een intermediairwijziging naar B&O op grond van de tekst van de overeenkomst steeds meebrengt dat B&O ten aanzien van die persoon “enige activiteit” in de zin van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst is gaan ondernemen. Zij is met [eiser] eens dat [gedaagden] haar stellingen op dit punt niet hebben bestreden. [gedaagden] hebben zich niet op het standpunt gesteld dat na de vaststelling van een dergelijke intermediairwijziging vervolgens afzonderlijk moet worden beoordeeld of B&O ten aanzien van die persoon ook “enige activiteit” in de zin van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst heeft ondernomen. Het debat tussen partijen heeft zich dan ook niet gericht op de vraag wat (i.e. welke activiteit), maar slechts op wie (i.e. zijn de zonen Verbonden Partijen) onder de reikwijdte van de bewuste bepaling viel. 2.8. Hoewel reeds om die redenen geen aanleiding bestaat om van de door [gedaagden] genoemde vaststellingen terug te komen, kunnen [gedaagden] ook inhoudelijk niet worden gevolgd in hun stellingen. Dat het bij “afnemers” steeds moet gaan om personen die minder dan een jaar voorafgaand aan de ten aanzien van hen ondernomen activiteit nog goederen en/of diensten van AvéWé hebben afgenomen (zie nummer 2.3 hiervoor, onder (iii)), volgt niet uit de tekst van artikel 10.1 sub d van de overeenkomst.
Volledig
Zoals [eiser] terecht stelt, staat daar dat het gaat om personen die goederen en/of diensten van AvéWé afnemen of dat minder dan een jaar geleden hebben gedaan. Hierdoor is dus juist sprake van een ruimer klantbegrip en vallen ook oud-klanten onder de bepaling, voor zover zij binnen voornoemde periode nog goederen of diensten van AvéWé hebben afgenomen. Bij goederen of diensten gaat het onweersproken om de activiteiten die AvéWé als intermediair voor die klanten (heeft) verricht. Dat een intermediairwijziging niet reeds meebrengt dat B&O voor die klanten “enige activiteit” is gaan verrichten, staat haaks op het eigen standpunt van [gedaagden] dat een intermediair vanaf een dergelijke wijziging bij iedere betaling van de verzekeringspremie door die klant een gedeelte daarvan als provisie ontvangt (zie nummer 21 van de spreekaantekeningen). Dat B&O deze provisie zou ontvangen zonder dat zij daarvoor “enige activiteit” hoeft te verrichten is niet aannemelijk en verdraagt zich bovendien niet met wettelijke voortdurende (zorg)plichten die voor intermediairs gelden. Het aantal inbreuken 2.9. De rechtbank komt daarmee toe aan de verdere inhoudelijke beoordeling in deze zaak. [eiser] stelt dat [gedaagden] 200 afzonderlijke inbreuken op het non-concurrentiebeding heeft begaan, die de rechtbank in het tussenvonnis heeft ingedeeld in drie categorieën: (i) inbreuk 1, concurrerende activiteiten (artikel 10.1 sub a), (ii) inbreuk 2 tot en met 193, overname van klanten (artikel 10.1 sub d) en (iii) inbreuk 194 tot en met 200, benaderen van klanten (artikel 10.1 sub d). (i) concurrerende activiteiten 2.10. Als het om de eerste categorie gaat, heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagden] één voortdurende inbreuk op het non-concurrentiebeding hebben gepleegd. Die inbreuk duurde vanaf de dag dat B&O voor het eerst haar activiteiten verrichtte tot de dag dat de zonen niet meer betrokken waren bij B&O en resulteert op grond van de overeenkomst in een boetebedrag van € 515.000,00 (zie nummer 5.46 tussenvonnis). (ii) overname van klanten 2.11. Haar oordeel over de overige gestelde inbreuken heeft de rechtbank aangehouden, omdat [eiser] haar stellingen voor die inbreuken mede heeft gebaseerd op producties waarover [gedaagden] zich nog mochten uitlaten. Voor wat betreft de stelling dat B&O 192 klanten heeft overgenomen, gaat dat om de volgende stukken: i) een verklaring van verzekeraar Nh1816, dat 169 klanten van AvéWé naar andere intermediairs zijn overgestapt waarvan 162 naar één specifieke intermediair; ii) zeventien afzonderlijke intermediairwijzigingen van Nh1816 op naam van de verzekeringnemer, met verklaringen van werknemers van AvéWé en/of een e-mail van de desbetreffende verzekeringnemer dat die naar B&O is overgestapt; en iii) negentien afzonderlijke intermediairwijzigingen van overige verzekeraars, met verklaringen van werknemers van AvéWé ten aanzien van elf verzekeringsnemers en/of een e-mail van de desbetreffende verzekeringnemer dat die naar B&O is overgestapt en/of correspondentie tussen B&O en de verzekeraar. 2.12. In hun akte na het tussenvonnis hebben [gedaagden] onder meer bestreden dat uit voornoemde stukken blijkt dat het om afnemers van AvéWé gaat, dat B&O enige activiteit ten aanzien van die personen heeft ondernomen en hebben zij verder aangevoerd dat de verklaringen van eigen werknemers van [eiser] onvoldoende betrouwbaar zijn om bij te dragen aan het bewijs van haar stelling. De rechtbank overweegt als volgt. Over het door [gedaagden] betoogde onderscheid tussen “afnemer” en klant, is reeds hiervoor in nummer 2.8 geoordeeld. Als het gaat om de bij Nh1816 verzekerde personen die overgestapt zijn naar een andere intermediair, heeft de rechtbank geen reden om eraan te twijfelen dat al deze personen via AvéWé bij Nh1816 verzekerd waren en dus klant van AvéWé waren. Dit volgt uit de verklaring van deze verzekeraar, die geen partij is bij dit geding en ten aanzien van wie [gedaagden] verder niet hebben aangevoerd waarom niet kan worden uitgegaan van de juistheid van haar verklaring. Uit de verklaring volgt niet naar welke specifieke intermediair 162 van de 169 oud-klanten van AvéWé zijn overgestapt. Dit kan de rechtbank echter opmaken uit de stukken die [eiser] bij de onder (ii) genoemde afzonderlijke intermediairwijzingen heeft overgelegd. Ook bij die afzonderlijke intermediairwijzigingen van bij Nh1816 verzekerde oud-klanten van AvéWé staat niet de naam van de nieuwe intermediair genoemd. Dat dit B&O is volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de overgelegde verklaringen van werknemers van AvéWé. Anders dan [gedaagden] hebben aangevoerd acht de rechtbank deze verklaringen voldoende betrouwbaar. Hierbij is van belang dat in deze verklaringen gedetailleerd wordt verklaard over de inhoud van de gesprekken die met de overgestapte klanten zijn gevoerd. Daarnaast worden deze verklaringen ondersteund door een zestal e-mails van de oud-klanten zelf, waarin staat dat zij naar B&O zijn overgestapt. Bij één van de onder (ii) genoemde afzonderlijke intermediairwijzigingen is verder een e-mail van een medewerker van AvéWé gevoegd, waarin deze medewerker op 11 januari 2024 – en dus voordat dit geschil speelde – aan twee andere collega’s schrijft dat de met deze (oud-)klant geplande onderhoudsafspraak niet doorgaat omdat deze (oud-)klant telefonisch heeft laten weten naar “ [naam 2] ” (naar de rechtbank begrijpt: [naam 2] en daarmee B&O) over te stappen. Hiermee heeft [eiser] voldoende gemotiveerd dat in ieder geval zeventien klanten die bij Nh1816 waren verzekerd naar B&O zijn overgestapt, en heeft zij dus terecht betoogd dat de door Nh1816 genoemde specifieke intermediair B&O moet zijn. [eiser] heeft daarmee voldoende gemotiveerd dat in ieder geval sprake is van 162 klanten die door B&O zijn overgenomen. 2.13. Als de rechtbank kijkt naar de stukken die [eiser] bij de onder (iii) genoemde afzonderlijke intermediairwijzigingen van andere verzekeraars heeft gevoegd, ziet zij dat de acht overgelegde verklaringen van AvéWe werknemers (ten aanzien van elf voormalige klanten) eveneens worden ondersteund door een verklaring van B&O zelf en een e-mail van AvéWé van 5 februari 2024 – dus voordat dit geschil is ontstaan - waarin zij aan een klant de overstap naar B&O heeft bevestigd. Hiermee heeft [eiser] ten aanzien van elf klanten die niet bij Nh1816 verzekerd zijn, voldoende gemotiveerd dat zij naar B&O zijn overgestapt. Dat geldt niet voor de acht klanten waarvoor geen verklaring van een AvéWé medewerker of andere stukken zijn overgelegd. Ten aanzien van die klanten heeft [eiser] niet aan haar stelplicht voldaan en zal zij dus ook niet tot nader bewijs worden toegelaten. (iii) benaderen van klanten 2.14. [eiser] heeft haar stelling dat B&O daarnaast zeven klanten zou hebben benaderd die uiteindelijk niet zijn overgestapt, onderbouwd met drie verklaringen van werknemers van AvéWé. De rechtbank ziet in lijn met haar oordeel onder nummer 2.12 hiervoor, geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen. Hiermee heeft [eiser] haar stelling dat B&O drie klanten van AvéWé zou hebben benaderd en [gedaagden] ook om die reden het non-concurrentiebeding hebben overtreden, voldoende onderbouwd. Dat geldt niet voor de vier klanten waarvoor geen verklaring van een AvéWé medewerker of andere stukken zijn overgelegd. Ten aanzien van die klanten heeft [eiser] niet aan haar stelplicht voldaan en zal zij dus ook niet tot nader bewijs worden toegelaten. Tussenconclusie 2.15. Dit alles leidt ertoe, dat de rechtbank kan vaststellen dat 173 klanten van AvéWé zijn overgestapt naar B&O als intermediair. Dat B&O hiertoe volgens [gedaagden] niet steeds het initiatief heeft genomen, doet er niet toe. Dit heeft de rechtbank reeds in nummer 5.27 van het tussenvonnis bepaald. Ook het verweer van [gedaagden] dat zij zelf geen invloed op dit alles hebben gehad, passeert de rechtbank onder verwijzing naar haar oordeel in nummer 5.29 van het tussenvonnis.
Volledig
Zoals [eiser] terecht stelt, staat daar dat het gaat om personen die goederen en/of diensten van AvéWé afnemen of dat minder dan een jaar geleden hebben gedaan. Hierdoor is dus juist sprake van een ruimer klantbegrip en vallen ook oud-klanten onder de bepaling, voor zover zij binnen voornoemde periode nog goederen of diensten van AvéWé hebben afgenomen. Bij goederen of diensten gaat het onweersproken om de activiteiten die AvéWé als intermediair voor die klanten (heeft) verricht. Dat een intermediairwijziging niet reeds meebrengt dat B&O voor die klanten “enige activiteit” is gaan verrichten, staat haaks op het eigen standpunt van [gedaagden] dat een intermediair vanaf een dergelijke wijziging bij iedere betaling van de verzekeringspremie door die klant een gedeelte daarvan als provisie ontvangt (zie nummer 21 van de spreekaantekeningen). Dat B&O deze provisie zou ontvangen zonder dat zij daarvoor “enige activiteit” hoeft te verrichten is niet aannemelijk en verdraagt zich bovendien niet met wettelijke voortdurende (zorg)plichten die voor intermediairs gelden. Het aantal inbreuken 2.9. De rechtbank komt daarmee toe aan de verdere inhoudelijke beoordeling in deze zaak. [eiser] stelt dat [gedaagden] 200 afzonderlijke inbreuken op het non-concurrentiebeding heeft begaan, die de rechtbank in het tussenvonnis heeft ingedeeld in drie categorieën: (i) inbreuk 1, concurrerende activiteiten (artikel 10.1 sub a), (ii) inbreuk 2 tot en met 193, overname van klanten (artikel 10.1 sub d) en (iii) inbreuk 194 tot en met 200, benaderen van klanten (artikel 10.1 sub d). (i) concurrerende activiteiten 2.10. Als het om de eerste categorie gaat, heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagden] één voortdurende inbreuk op het non-concurrentiebeding hebben gepleegd. Die inbreuk duurde vanaf de dag dat B&O voor het eerst haar activiteiten verrichtte tot de dag dat de zonen niet meer betrokken waren bij B&O en resulteert op grond van de overeenkomst in een boetebedrag van € 515.000,00 (zie nummer 5.46 tussenvonnis). (ii) overname van klanten 2.11. Haar oordeel over de overige gestelde inbreuken heeft de rechtbank aangehouden, omdat [eiser] haar stellingen voor die inbreuken mede heeft gebaseerd op producties waarover [gedaagden] zich nog mochten uitlaten. Voor wat betreft de stelling dat B&O 192 klanten heeft overgenomen, gaat dat om de volgende stukken: i) een verklaring van verzekeraar Nh1816, dat 169 klanten van AvéWé naar andere intermediairs zijn overgestapt waarvan 162 naar één specifieke intermediair; ii) zeventien afzonderlijke intermediairwijzigingen van Nh1816 op naam van de verzekeringnemer, met verklaringen van werknemers van AvéWé en/of een e-mail van de desbetreffende verzekeringnemer dat die naar B&O is overgestapt; en iii) negentien afzonderlijke intermediairwijzigingen van overige verzekeraars, met verklaringen van werknemers van AvéWé ten aanzien van elf verzekeringsnemers en/of een e-mail van de desbetreffende verzekeringnemer dat die naar B&O is overgestapt en/of correspondentie tussen B&O en de verzekeraar. 2.12. In hun akte na het tussenvonnis hebben [gedaagden] onder meer bestreden dat uit voornoemde stukken blijkt dat het om afnemers van AvéWé gaat, dat B&O enige activiteit ten aanzien van die personen heeft ondernomen en hebben zij verder aangevoerd dat de verklaringen van eigen werknemers van [eiser] onvoldoende betrouwbaar zijn om bij te dragen aan het bewijs van haar stelling. De rechtbank overweegt als volgt. Over het door [gedaagden] betoogde onderscheid tussen “afnemer” en klant, is reeds hiervoor in nummer 2.8 geoordeeld. Als het gaat om de bij Nh1816 verzekerde personen die overgestapt zijn naar een andere intermediair, heeft de rechtbank geen reden om eraan te twijfelen dat al deze personen via AvéWé bij Nh1816 verzekerd waren en dus klant van AvéWé waren. Dit volgt uit de verklaring van deze verzekeraar, die geen partij is bij dit geding en ten aanzien van wie [gedaagden] verder niet hebben aangevoerd waarom niet kan worden uitgegaan van de juistheid van haar verklaring. Uit de verklaring volgt niet naar welke specifieke intermediair 162 van de 169 oud-klanten van AvéWé zijn overgestapt. Dit kan de rechtbank echter opmaken uit de stukken die [eiser] bij de onder (ii) genoemde afzonderlijke intermediairwijzingen heeft overgelegd. Ook bij die afzonderlijke intermediairwijzigingen van bij Nh1816 verzekerde oud-klanten van AvéWé staat niet de naam van de nieuwe intermediair genoemd. Dat dit B&O is volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de overgelegde verklaringen van werknemers van AvéWé. Anders dan [gedaagden] hebben aangevoerd acht de rechtbank deze verklaringen voldoende betrouwbaar. Hierbij is van belang dat in deze verklaringen gedetailleerd wordt verklaard over de inhoud van de gesprekken die met de overgestapte klanten zijn gevoerd. Daarnaast worden deze verklaringen ondersteund door een zestal e-mails van de oud-klanten zelf, waarin staat dat zij naar B&O zijn overgestapt. Bij één van de onder (ii) genoemde afzonderlijke intermediairwijzigingen is verder een e-mail van een medewerker van AvéWé gevoegd, waarin deze medewerker op 11 januari 2024 – en dus voordat dit geschil speelde – aan twee andere collega’s schrijft dat de met deze (oud-)klant geplande onderhoudsafspraak niet doorgaat omdat deze (oud-)klant telefonisch heeft laten weten naar “ [naam 2] ” (naar de rechtbank begrijpt: [naam 2] en daarmee B&O) over te stappen. Hiermee heeft [eiser] voldoende gemotiveerd dat in ieder geval zeventien klanten die bij Nh1816 waren verzekerd naar B&O zijn overgestapt, en heeft zij dus terecht betoogd dat de door Nh1816 genoemde specifieke intermediair B&O moet zijn. [eiser] heeft daarmee voldoende gemotiveerd dat in ieder geval sprake is van 162 klanten die door B&O zijn overgenomen. 2.13. Als de rechtbank kijkt naar de stukken die [eiser] bij de onder (iii) genoemde afzonderlijke intermediairwijzigingen van andere verzekeraars heeft gevoegd, ziet zij dat de acht overgelegde verklaringen van AvéWe werknemers (ten aanzien van elf voormalige klanten) eveneens worden ondersteund door een verklaring van B&O zelf en een e-mail van AvéWé van 5 februari 2024 – dus voordat dit geschil is ontstaan - waarin zij aan een klant de overstap naar B&O heeft bevestigd. Hiermee heeft [eiser] ten aanzien van elf klanten die niet bij Nh1816 verzekerd zijn, voldoende gemotiveerd dat zij naar B&O zijn overgestapt. Dat geldt niet voor de acht klanten waarvoor geen verklaring van een AvéWé medewerker of andere stukken zijn overgelegd. Ten aanzien van die klanten heeft [eiser] niet aan haar stelplicht voldaan en zal zij dus ook niet tot nader bewijs worden toegelaten. (iii) benaderen van klanten 2.14. [eiser] heeft haar stelling dat B&O daarnaast zeven klanten zou hebben benaderd die uiteindelijk niet zijn overgestapt, onderbouwd met drie verklaringen van werknemers van AvéWé. De rechtbank ziet in lijn met haar oordeel onder nummer 2.12 hiervoor, geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen. Hiermee heeft [eiser] haar stelling dat B&O drie klanten van AvéWé zou hebben benaderd en [gedaagden] ook om die reden het non-concurrentiebeding hebben overtreden, voldoende onderbouwd. Dat geldt niet voor de vier klanten waarvoor geen verklaring van een AvéWé medewerker of andere stukken zijn overgelegd. Ten aanzien van die klanten heeft [eiser] niet aan haar stelplicht voldaan en zal zij dus ook niet tot nader bewijs worden toegelaten. Tussenconclusie 2.15. Dit alles leidt ertoe, dat de rechtbank kan vaststellen dat 173 klanten van AvéWé zijn overgestapt naar B&O als intermediair. Dat B&O hiertoe volgens [gedaagden] niet steeds het initiatief heeft genomen, doet er niet toe. Dit heeft de rechtbank reeds in nummer 5.27 van het tussenvonnis bepaald. Ook het verweer van [gedaagden] dat zij zelf geen invloed op dit alles hebben gehad, passeert de rechtbank onder verwijzing naar haar oordeel in nummer 5.29 van het tussenvonnis.
Volledig
In het verlengde van haar oordeel in nummer 2.8 hiervoor, moet het ervoor worden gehouden dat B&O na deze intermediairwijzigingen “enige activiteit” is gaan ondernemen ten aanzien van die oud-klanten van AvéWé. Ten aanzien van de drie klanten waarvan is vastgesteld dat zij door B&O zijn benaderd, bestaat die activiteit uit het benaderen van deze klanten, waarbij de rechtbank verwijst naar nummer 5.27 van het tussenvonnis. Daarmee is sprake van 176 inbreuken op artikel 10.1 sub d van de overeenkomst. Nu echter [gedaagden] terecht hebben aangevoerd dat de door [eiser] als productie 12 overgelegde lijst met naar B&O overgestapte voormalige klanten van AvéWé negen dubbeltellingen bevat en daaruit de onbetwiste conclusie trekken dat deze negen hoe dan ook op het aantal vastgestelde inbreuken in mindering moeten worden gebracht, zal de rechtbank daartoe overgaan. Dit betekent dat toepassing van het boetebeding leidt tot een boetebedrag van € 12.525.000,00 (167 x € 75.000,00). De hoogte van de boete 2.16. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank op basis van de overeenkomst tot een boetebedrag komt van € 13.040.000,00 (€ 515.000,00 + € 12.525.000,00). [gedaagden] hebben een beroep op matiging van dit boetebedrag gedaan. Zij hebben hiertoe een aantal omstandigheden aangevoerd, die de rechtbank hierna zal betrekken. 2.17. De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, meebrengt dat zij enkel van haar bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Het gaat daarbij niet alleen om de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook mede om de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (zie onder meer ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). 2.18. De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat de toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat leidt. Zij heeft bij dit oordeel allereerst rekening gehouden met de daadwerkelijk geleden schade. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat zij € 200.000,00 aan schade per jaar lijdt door de overgestapte klanten en dat een klant gemiddeld negen jaar aan haar verbonden is. Omdat niet is gebleken dat iedere overgestapte klant aan het begin van die negen jaar stond, schat de rechtbank de daadwerkelijk geleden schade daarmee op 5 (mediaan van 9 jaar) x € 200.000,00 = € 1.000.000,00. Het op grond van de overeenkomst verschuldigde boetebedrag zou het dertienvoudige hiervan zijn. Gelet op de aard van de overeenkomst in deze zaak, heeft de rechtbank daarnaast rekening gehouden met de verhouding tussen het boetebedrag en de betaalde koopsom. Zij stelt vast dat [eiser] € 6.596.795,00 aan [gedaagden] heeft betaald om (de aandelen in) AvéWé over te nemen. Deze koopsom is onder meer gebaseerd op de behaalde omzet van AvéWé. Het non-concurrentiebeding diende ertoe om het klantenbestand en daarmee de toekomstige omzet van AvéWé te beschermen, zodat [eiser] achteraf niet een te hoge koopsom zou hebben betaald. Volledige toekenning van het boetebedrag zou er echter toe leiden dat [eiser] , als koper, onder aan de streep – en na aftrek van voornoemde schade – ruim zes miljoen euro toe krijgt na de overname. Hoewel de rechtbank niets wil afdoen aan de door beide partijen onderkende noodzaak voor een dergelijk beding in een sector waarin klantrelaties belangrijk zijn, streeft onverkorte toepassing van het contractueel beding dit doel ver voorbij en zou dit leiden tot een onbillijk resultaat. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de door [eiser] niet weersproken verstrekkende financiële gevolgen voor [gedaagden] van de volledige toekenning van de contractuele boete en het handelen van [gedaagden] rondom de overtredingen. De rechtbank constateert met [gedaagden] dat het feitelijk gaat om een risicoaansprakelijkheid voor het handelen van derden (Verbonden Partijen), ten aanzien van wie voor de toepassing van het non-concurrentiebeding is overeengekomen dat zij binnen de risico- en invloedsfeer van [gedaagden] als verkoper vallen. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen hoever de invloed van [gedaagden] daadwerkelijk reikte en [gedaagden] niet gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat hun geen enkel verwijt te maken is, staat wel vast dat zij er onmiddellijk zorg voor hebben gedragen dat die derden met de overtredingen staakten toen [gedaagden] hierop door [eiser] zijn aangesproken. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat, vanwege het inwinnen van juridisch advies door [eiser] , enige tijd verstreken is tussen de eerste constatering van de overtredingen en het aanspreken van [gedaagden] hierop, waardoor de boete is opgelopen. Al deze omstandigheden in hun onderlinge samenhang in aanmerking genomen, leidt toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. De rechtbank matigt het boetebedrag om die reden tot € 1.500.000,00. Conclusie 2.19. De rechtbank komt na matiging van het contractueel verschuldigde boetebedrag op een bedrag van € 1.500.000,00 dat [gedaagden] moet betalen aan [eiser] . Buitengerechtelijke kosten 2.20. [eiser] maakt daarnaast aanspraak op buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 6.775,00 op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Zij is daarbij uitgegaan van het in het Rapport Voor-werk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht. Nu niet is gebleken dat dit in deze zaak anders is en de kosten voor de verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden in redelijkheid zijn gemaakt, zal dit bedrag met de daarover gevorderde wettelijke rente worden toegewezen. Proceskosten 2.21. [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Onder de proceskosten vallen ook de beslagkosten. De beslagkosten zijn gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De kosten worden vastgesteld op: - kosten deurwaardersexploten € 3.544,85 - griffierecht € 688,00 - salaris advocaat € 543,00 (1,0 punt × € 543,00) Totaal € 4.775,85 2.22. De proceskosten van [eiser] worden verder begroot op: - dagvaardingskosten € 112,37 - griffierecht € 5.929,00 - salaris advocaat € 10.892,50 (2,5 punten × € 4.357,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 17.111,87 2.23. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.500.000,00, 3.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,00, 3.3. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van (i) 4.775,85 (beslagkosten) en (ii) 17.111,87, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 3.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over voornoemde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, voorzitter, mr. R.P.F. de Groot en mr. B.J. Blok, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
Volledig
In het verlengde van haar oordeel in nummer 2.8 hiervoor, moet het ervoor worden gehouden dat B&O na deze intermediairwijzigingen “enige activiteit” is gaan ondernemen ten aanzien van die oud-klanten van AvéWé. Ten aanzien van de drie klanten waarvan is vastgesteld dat zij door B&O zijn benaderd, bestaat die activiteit uit het benaderen van deze klanten, waarbij de rechtbank verwijst naar nummer 5.27 van het tussenvonnis. Daarmee is sprake van 176 inbreuken op artikel 10.1 sub d van de overeenkomst. Nu echter [gedaagden] terecht hebben aangevoerd dat de door [eiser] als productie 12 overgelegde lijst met naar B&O overgestapte voormalige klanten van AvéWé negen dubbeltellingen bevat en daaruit de onbetwiste conclusie trekken dat deze negen hoe dan ook op het aantal vastgestelde inbreuken in mindering moeten worden gebracht, zal de rechtbank daartoe overgaan. Dit betekent dat toepassing van het boetebeding leidt tot een boetebedrag van € 12.525.000,00 (167 x € 75.000,00). De hoogte van de boete 2.16. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank op basis van de overeenkomst tot een boetebedrag komt van € 13.040.000,00 (€ 515.000,00 + € 12.525.000,00). [gedaagden] hebben een beroep op matiging van dit boetebedrag gedaan. Zij hebben hiertoe een aantal omstandigheden aangevoerd, die de rechtbank hierna zal betrekken. 2.17. De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, meebrengt dat zij enkel van haar bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Het gaat daarbij niet alleen om de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook mede om de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (zie onder meer ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). 2.18. De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat de toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat leidt. Zij heeft bij dit oordeel allereerst rekening gehouden met de daadwerkelijk geleden schade. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat zij € 200.000,00 aan schade per jaar lijdt door de overgestapte klanten en dat een klant gemiddeld negen jaar aan haar verbonden is. Omdat niet is gebleken dat iedere overgestapte klant aan het begin van die negen jaar stond, schat de rechtbank de daadwerkelijk geleden schade daarmee op 5 (mediaan van 9 jaar) x € 200.000,00 = € 1.000.000,00. Het op grond van de overeenkomst verschuldigde boetebedrag zou het dertienvoudige hiervan zijn. Gelet op de aard van de overeenkomst in deze zaak, heeft de rechtbank daarnaast rekening gehouden met de verhouding tussen het boetebedrag en de betaalde koopsom. Zij stelt vast dat [eiser] € 6.596.795,00 aan [gedaagden] heeft betaald om (de aandelen in) AvéWé over te nemen. Deze koopsom is onder meer gebaseerd op de behaalde omzet van AvéWé. Het non-concurrentiebeding diende ertoe om het klantenbestand en daarmee de toekomstige omzet van AvéWé te beschermen, zodat [eiser] achteraf niet een te hoge koopsom zou hebben betaald. Volledige toekenning van het boetebedrag zou er echter toe leiden dat [eiser] , als koper, onder aan de streep – en na aftrek van voornoemde schade – ruim zes miljoen euro toe krijgt na de overname. Hoewel de rechtbank niets wil afdoen aan de door beide partijen onderkende noodzaak voor een dergelijk beding in een sector waarin klantrelaties belangrijk zijn, streeft onverkorte toepassing van het contractueel beding dit doel ver voorbij en zou dit leiden tot een onbillijk resultaat. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de door [eiser] niet weersproken verstrekkende financiële gevolgen voor [gedaagden] van de volledige toekenning van de contractuele boete en het handelen van [gedaagden] rondom de overtredingen. De rechtbank constateert met [gedaagden] dat het feitelijk gaat om een risicoaansprakelijkheid voor het handelen van derden (Verbonden Partijen), ten aanzien van wie voor de toepassing van het non-concurrentiebeding is overeengekomen dat zij binnen de risico- en invloedsfeer van [gedaagden] als verkoper vallen. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen hoever de invloed van [gedaagden] daadwerkelijk reikte en [gedaagden] niet gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat hun geen enkel verwijt te maken is, staat wel vast dat zij er onmiddellijk zorg voor hebben gedragen dat die derden met de overtredingen staakten toen [gedaagden] hierop door [eiser] zijn aangesproken. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat, vanwege het inwinnen van juridisch advies door [eiser] , enige tijd verstreken is tussen de eerste constatering van de overtredingen en het aanspreken van [gedaagden] hierop, waardoor de boete is opgelopen. Al deze omstandigheden in hun onderlinge samenhang in aanmerking genomen, leidt toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. De rechtbank matigt het boetebedrag om die reden tot € 1.500.000,00. Conclusie 2.19. De rechtbank komt na matiging van het contractueel verschuldigde boetebedrag op een bedrag van € 1.500.000,00 dat [gedaagden] moet betalen aan [eiser] . Buitengerechtelijke kosten 2.20. [eiser] maakt daarnaast aanspraak op buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 6.775,00 op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Zij is daarbij uitgegaan van het in het Rapport Voor-werk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht. Nu niet is gebleken dat dit in deze zaak anders is en de kosten voor de verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden in redelijkheid zijn gemaakt, zal dit bedrag met de daarover gevorderde wettelijke rente worden toegewezen. Proceskosten 2.21. [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Onder de proceskosten vallen ook de beslagkosten. De beslagkosten zijn gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De kosten worden vastgesteld op: - kosten deurwaardersexploten € 3.544,85 - griffierecht € 688,00 - salaris advocaat € 543,00 (1,0 punt × € 543,00) Totaal € 4.775,85 2.22. De proceskosten van [eiser] worden verder begroot op: - dagvaardingskosten € 112,37 - griffierecht € 5.929,00 - salaris advocaat € 10.892,50 (2,5 punten × € 4.357,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 17.111,87 2.23. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.500.000,00, 3.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,00, 3.3. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van (i) 4.775,85 (beslagkosten) en (ii) 17.111,87, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 3.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over voornoemde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, voorzitter, mr. R.P.F. de Groot en mr. B.J. Blok, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.