Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-10
ECLI:NL:RBAMS:2024:7847
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,394 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-208218-24
Datum uitspraak: 10 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 1 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 mei 2020 door the Circuit Court in Katowice V Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Polen)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
gedetineerd in de [P.I.]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 21 augustus 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen, advocaat in Eindhoven en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 4 september 2024
Onder verwijzing naar een tussenuitspraak van 5 juni 2024 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 september 2024 in deze zaak geconcludeerd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen.
In laatstgenoemde tussenuitspraak is het onderzoek heropend en vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het remand regime is aangenomen, dit gevaar – al dan niet met een individuele detentiegarantie – voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit meent dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon binnen het remand regime kan worden weggenomen, heeft de rechtbank verzocht om antwoord op vijf vragen over de detentieomstandigheden in het Huis van Bewaring, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.
De rechtbank heeft ook de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid (oud), OLW), onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming (artikel 27, derde lid, OLW).
Zitting 10 oktober 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 10 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen, advocaat in Eindhoven. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
De rechtbank heeft de termijn die gelet op artikel 22, tweede lid, OLW op 3 juli 2024 is aangevangen en waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tegelijkertijd is de vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW verlengd.
Tussenuitspraak van 24 oktober 2024
De rechtbank heeft geoordeeld dat ook in het individuele geval van de opgeëiste persoon sprake is van een gevaar van schending van zijn grondrechten wanneer hij na zijn overlevering in het remand regime in Polen terechtkomt, nu er door de Poolse autoriteiten geen antwoorden zijn gegeven op aanvullende vragen van de officier van justitie in het kader van het individueel gevaar voor de opgeëiste persoon.
Het onderzoek is heropend en geschorst en waarbij de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW heeft aangehouden alsmede de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn heeft vastgesteld op maximaal
30 dagen.
Daarnaast is de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW met 60 dagen verlengd en onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 26 november 2024
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB - met toestemming van partijen - in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 26 november 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 4 september 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 4 september 2024 waarin zij heeft geoordeeld over (onder 3) de grondslag en inhoud van het EAB, (onder 4) de strafbaarheid, (onder 5) de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, (onder 6) de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW en (onder 7) de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW en onder over de Poolse rechtsstaatproblematiek. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: Detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 8.2 van de tussenuitspraak van 4 september 2024 en onder punt 4. van de tussenuitspraak van 24 oktober 2024, welke overwegingen hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd en waarin staat uiteengezet en toegelicht dat de rechtbank oordeelt dat sprake is van een algemeen en van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen.
De rechtbank heeft geconstateerd dat op 17 oktober 2024 aanvullende informatie is gestuurd door de Poolse autoriteiten naar aanleiding van de door het Openbaar Ministerie op 7 oktober 2024 gestelde vragen. Het onderzoek ter zitting was op dat moment reeds gesloten.
Bij de tussenuitspraak van 24 oktober 2024 is door de rechtbank een redelijke termijn gesteld omdat het mogelijk is dat omstandigheden nog wijzigen die het gevaar voor opgeëiste persoon op schending van zijn grondrechten kan wegnemen. Naast de genoemde informatie van 17 oktober 2024 is geen nadere informatie van de Poolse autoriteiten meer ontvangen.
Standpunten
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het EAB geen gevolg moet worden gegeven. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De Poolse autoriteiten hebben op 17 oktober 2024 onder meer de volgende informatie verstrekt:
“1. If Mr [opgeëiste persoon] will be be transfered by plane, will be located at first in Detention Facility in Warsaw Służewiec (Areszt Śledczy Warszawa Służewiec).
Conclusie
Nu is vastgesteld dat de opgeëiste persoon bij overlevering het risico loopt op schending van zijn grondrechten wordt op grond van artikel 11, vierde lid OLW in samenhang met artikel 28, derde lid, OLW geen gevolg gegeven aan het EAB.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.
Dictum
VERKLAART de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW.
HEFT OP de overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
Rechtbank Amsterdam, 4 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5612.
Zie artikel 22, vijfde lid, OLW.
Rechtbank Amsterdam 4 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5612.
Rechtbank Amsterdam 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6503
Zie artikel 28, derde lid, OLW.