Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-24
ECLI:NL:RBAMS:2024:6497
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,465 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-122019-24
Datum uitspraak: 24 oktober 2024
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 17 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 december 2014 door the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 11 juni 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 juni 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft de gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing bevolen.
Tussenuitspraak 25 juni 2024
Onder verwijzing naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 en 6 juni 2024 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 25 juni 2024 geconcludeerd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen.
In de tussenuitspraak van 25 juni 2024 is in deze zaak het onderzoek heropend en vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank heeft in deze uitspraak de officier van justitie verzocht om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het remand regime is aangenomen, dit gevaar – al dan niet met een individuele detentiegarantie – voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit meent dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon binnen het remand regime kan worden weggenomen, heeft de rechtbank verzocht om antwoord op vijf vragen over de detentieomstandigheden in het Huis van Bewaring, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.
De rechtbank heeft ook de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid (oud), OLW), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) vrijheidsbeneming (artikel 27, derde lid, OLW).
Raadkamer van 17 juli en 4 september 2024
Op de raadkamerzittingen van 17 juli en 4 september 2024 is – in afwachting van nadere informatie uit Polen omtrent de detentieomstandigheden – de beslistermijn telkens verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid (oud), OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) vrijheidsbeneming grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 10 oktober 2024
Op de zitting van 10 oktober 2024 is behandeling van het EAB met toestemming van de raadsvrouw en de officier van justitie voortgezet in de stand van zaken op 11 juni 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is (met voorafgaande toestemming van de rechtbank) niet verschenen op de zitting.
De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort die door haar cliënt is gemachtigd.
De rechtbank heeft de termijn die gelet op artikel 22, tweede lid, OLW op 3 juli 2024 is aangevangen en waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tegelijkertijd is de (geschorste) vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak 25 juni 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 25 juni 2024 waarin zij heeft geoordeeld over (onder 3) de grondslag en inhoud van het EAB, (onder 4) de strafbaarheid, (onder 5) de gelijkstelling en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW en (onder 6) artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. De oordelen en daaraan ten grondslag liggende overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 25 juni 2024.
De rechtbank heeft in de hiervoor genoemde tussenuitspraken van 5 en 6 juni 2024 een algemeen gevaar aangenomen van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vragen geformuleerd om te kunnen beoordelen of er gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen op schending van zijn grondrechten gezien het vastgestelde algemene gevaar voor gedetineerden in het Poolse remand regime. De overwegingen uit voornoemde uitspraken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Zoals hiervoor bij de procesgang is vermeld, heeft de rechtbank in de tussenuitspraak van 25 juni 2024 in deze zaak de officier van justitie verzocht dezelfde vragen te stellen.
Het openbaar ministerie heeft na de tussenuitspraak van 25 juni 2024 ervoor gekozen om de vragen over het onderzoek naar een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon in deze zaak (en in vele andere zaken) niet direct aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, maar deze vragen voor te leggen in één overleveringszaak (niet zijnde de zaak van de opgeëiste persoon). Dit met het doel de beantwoording overzichtelijk te houden, in de hoop dat een centrale autoriteit in Polen antwoorden zou kunnen verstrekken die voor alle vergelijkbare zaken van belang zouden zijn.
In die bewuste zaak heeft de rechtbank op 1 oktober 2024 uitspraak gedaan. De rechtbank heeft in die zaak geoordeeld dat – nadat op 7 augustus 2024 was vastgesteld dat voor die opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat – geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon alsnog is uitgesloten. De rechtbank had in deze zaak op 7 augustus 2024 de redelijke termijn als bedoeld in artikel 11, vierde lid, OLW vastgesteld op 60 dagen. Op 1 oktober 2024 is daarom geen gevolg gegeven aan het EAB en is de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard in de vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting op 22 november 2024 of uiterlijk 10 dagen daarna.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, zesde lid, OLW met 60 dagen.
VERLENGT de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
Rechtbank Amsterdam, 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.
Rechtbank Amsterdam, 25 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3877.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Rechtbank Amsterdam 1 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6015.
Rechtbank Amsterdam 7 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4912.
Vergelijk Hof van Justitie, 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857, punt 75 (Dorobantu).