Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-27
ECLI:NL:RBAMS:2024:686
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
88,577 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummers: 13/997072-17 (zaak A), 13/997083-18 (zaak B) en 13/997006-19 (zaak C)
Datum uitspraak: 27 februari 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
gedetineerd.
Inhoudsopgave
1Onderzoek
1.1
Onderzoek ter terechtzitting
1.2
Inleidende opmerkingen
1.2.1
Werkwijze van de rechtbank
1.2.2
Start van het onderzoek
1.2.3
Procesdossier Marengo
2Tenlastelegging
3Voorvragen
3.1
Algemeen kader vormverzuimen
3.2.
De kroongetuige
3.2.1
Inleiding
3.2.2
Totstandkoming van de overeenkomst
3.2.3
Verweren betreffende de rechtmatigheid van de overeenkomst
3.2.4
Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overeenkomst
3.2.4.1 Onjuiste toepassing kroongetuigenregeling?
3.2.4.2 Zijn er ongeoorloofde toezeggingen gedaan?
3.2.4.3 Samenvatting en conclusie
3.2.5
Betrouwbaarheid van de kroongetuige
3.2.5.1 Verweer van de verdediging
3.2.5.2 Oordeel van de rechtbank
3.2.6
Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU?
3.3
PGP-bewijs
3.3.1
Inleiding
3.3.1.1 Algemene uitgangspunten
3.3.1.2 Toetsingskader
3.3.2
Feitelijke gang van zaken
3.3.2.1 Ennetcom-data (onderzoek De Vink)
3.3.2.2 PGP-safe-data (onderzoek Sassenheim)
3.3.2.3 Hansken/Marengo-dataset
3.3.2.4 Controle geheimhouders Marengo-dataset
3.3.3
Gevoerde verweren
3.3.3.1 Verwerving
3.3.3.2 Verwerking
3.3.4
Oordeel van de rechtbank
3.3.4.1 Toepasselijkheid Unierecht bij de verwerving
3.3.4.2 Grondslag van de verkrijging van de data
3.3.4.3 Verwerking van de PGP-data in de onderzoeken Ennetcom en PGP-safe
3.3.4.4 Doorverstrekking van de PGP-data aan andere onderzoeken
3.3.5
Geheimhoudersbelangen bij verkrijging en verwerking van de PGP-data
3.3.5.1 Verweer van de verdediging
3.3.5.2 Oordeel van de rechtbank
3.3.6
Tactische en technische verwerking van de PGP-data
3.3.6.1 Verweren van de verdediging
3.3.6.2 Oordeel van de rechtbank
3.3.6.2.1 Inzage in brondata
3.3.6.2.2 Inzage in Marengo-dataset
3.3.6.2.3 Controle en contra-expertise Hansken
3.3.6.2.4 Hansken is geen (buitenwettelijk) technisch hulpmiddel
3.3.6.2.5 Onvolledigheid van de PGP-data
3.3.6.2.6 Forensische onbetrouwbaarheid van de PGP-data
3.3.6.2.6.1 Hashwaarden
3.3.6.2.6.2 Integriteit en betrouwbaarheid van de PGP-data
3.3.6.2.6.3 PGP-e-mailadres (mede) bij een ander in gebruik
3.3.6.2.7 Yüksel Yalçinkaya tegen Turkije
3.3.7
Voorwaardelijke verzoeken
3.3.7.1 Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU
3.3.7.2 Aanhouden van de zaak
3.3.7.3 Overige voorwaardelijke verzoeken
3.4
Eerlijk proces ex artikel 6 EVRM?
3.4.1
Dubai-observatie
3.4.1.1 Feitelijke gang van zaken
3.4.1.2 Verweren
3.4.1.2.1 Verweer in de zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]
3.4.1.2.2 Verweer in de zaak van [verdachte]
3.4.1.3 Oordeel van de rechtbank
3.4.1.3.1 Gestelde onrechtmatigheden
3.4.1.3.2 Conclusie
3.4.2 26
Koper-beschuldigingen aan adres verdediging [verdachte]
3.4.3
Beschuldigingen rechters-commissarissen aan adres verdediging [verdachte]
3.4.4
Overige beperkingen en schendingen verdedigingsbelangen
3.4.4.1 Standpunt van de verdediging
3.4.4.2 Oordeel van de rechtbank
3.5
Conclusie
4Waardering van het bewijs
4.1
PGP-identificatie
4.1.1
Identificatie e-mailadressen verdachten Marengo
4.1.2
Identificatie e-mailadressen overige gebruikers
4.1.3
Identificatie e-mailadressen [verdachte]
4.2
Zaaksdossier Kreta
4.2.1
Inleiding
4.2.2
Standpunten
4.2.3
Voorgeschiedenis
4.2.4
Verklaringen van [medeverdachte 5]
4.2.5
Duiding van de PGP-berichten in relatie tot voorbereiding moord
4.2.5.1 Periode van oktober tot en met december 2015
4.2.5.2 Periode van december 2015 tot en met januari 2016
4.2.5.3 Periode van 17 tot en met 19 april 2016
4.2.5.4 Periode van 20 mei tot en met 1 juni 2016
4.2.6
Duiding van de PGP-berichten en overige gegevens met betrekking tot (verdere) voorbereiding van moord en de uiteindelijke liquidatie van [slachtoffer 1]
4.2.7
Onderzoek naar de liquidatie van [slachtoffer 1]
4.2.8
Wegmaken van sporen
4.2.9
Betrouwbaarheid van [medeverdachte 5]
4.2.10
Oordeel van de rechtbank
4.2.10.1 Voorbereiding moord op [slachtoffer 1] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
4.2.10.1.1 Juridisch kader voorbereiding
4.2.10.1.2 Voorbereidingsmiddelen
4.2.10.1.3 Conclusie
4.2.10.2 Moord op [slachtoffer 1]
4.2.10.2.1 Verweren van de verdediging
4.2.10.2.2 Oordeel van de rechtbank
4.3
Zaaksdossier Roos/Doorn
4.3.1
Inleiding
4.3.2
Standpunten
4.3.3
Feiten
4.3.3.1 Telefoonnummers
4.3.3.2 Auto’s regelen
4.3.3.3 [betrokkene 4] invalide maken
4.3.3.4 [betrokkene 4] naar de hel sturen
4.3.3.5 7 januari 2017
4.3.3.6 8 januari 2017
4.3.3.7 Avond van 9 januari en nacht van 9 op 10 januari 2017
4.3.3.8 Periode van 10 en 11 januari 2017
4.3.3.9 Nacht van 11 op 12 januari 2017
4.3.3.10 Avond van 12 januari 2017
4.3.3.11 13 januari 2017
4.3.3.12 Auto herkend
4.3.3.13 Gesprek [medeverdachte 5] met familie [slachtoffer 2]
4.3.3.14 Incident 14 januari 2017
4.3.3.15 Loods in Landsmeer
4.3.3.16 Aantreffen Seat Ibiza
4.3.3.17 Ontmoeting [medeverdachte 5] met [betrokkene 8]
4.3.4
Oordeel van de rechtbank
4.3.4.1 Betrouwbaarheid verklaringen van [medeverdachte 5]
4.3.4.2 Berust de moord op [slachtoffer 2] op een vergissing?
4.3.4.3 Rol van [verdachte]
4.4
Zaaksdossier 140 Sr (criminele organisatie)
4.4.1
Standpunten
4.4.2
Oordeel van de rechtbank
4.4.2.1 Juridisch kader artikel 140 Sr
4.4.2.2 Gepleegde misdrijven
4.4.2.3 Wagenpark
4.4.2.4 Onderzoek Koper
4.4.2.5 Aangetroffen administraties
4.4.2.6 Verklaringen van [medeverdachte 5]
4.4.2.7 Conclusie ten aanzien van de criminele organisatie
4.4.2.8 Deelname aan de criminele organisatie
5Bewezenverklaring
6Strafbaarheid van de feiten
7Strafbaarheid van verdachte
Motivering
8.1
Eis van het Openbaar Ministerie
8.2
Standpunt van de verdediging
8.3
Oordeel van de rechtbank
8.3.1
Ernst van de feiten en persoon van de verdachte
8.3.2
Redelijke termijn
8.3.3
Wet straffen en beschermen
8.3.4
Conclusie
9Beslag
9.1
Standpunten
9.2
Oordeel van de rechtbank
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Bijlage 1 – Tenlastelegging
Bijlage 2 – Overzicht PGP-e-mailadressen en gebruikers
Bijlage 3 – Feitenvaststelling overige zaaksdossiers
Bijlage 4 – Bewijsoverwegingen criminele organisatie ten aanzien van de medeverdachten
Bijlage 5 – Standpunten en toelichting Openbaar Ministerie met betrekking tot beslag
1Onderzoek
1.1
Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 28 november 2018, 6 februari 2019, 18 april 2019, 10, 11 en 12 juli 2019, 24 september 2019, 12 en 13 december 2019, 27 en 28 februari 2020, 19 en 28 mei 2020, 11, 12, 13 en 27 augustus 2020, 3 september 2020, 28 en 29 oktober 2020, 3 november 2020, 10 december 2020, 13, 14 en 15 januari 2021, 11, 12 en 22 maart 2021, 7, 12 en 16 april 2021, 11, 21, 25, 29 en 30 juni 2021, 14, 15, 21 en 22 september 2021, 13 oktober 2021, 7, 9, 14, 16, 17, 20 en 22 december 2021, 1, 21 en 29 maart 2022, 17 en 20 mei 2022, 8, 9, 13, 14, 16, 20, 21, 23 en 28 juni 2022, 13 september 2022, 14, 15 en 17 november 2022, 6, 9 en 12 december 2022, 18 januari 2023, 22 februari 2023, 27 en 29 maart 2023, 15 en 17 mei 2023, 14 juli 2023, 6 oktober 2023, 21 december 2023, 6 en 14 februari 2024.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie) en van wat verdachte en zijn verdediging (hierna: de verdediging) naar voren hebben gebracht.
1.2
Inleidende opmerkingen
1.2.1
Werkwijze van de rechtbank
Het onderzoek Marengo heeft betrekking op zeventien verdachten. Zestien van hen worden verdacht van betrokkenheid bij een of meer moorden, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. Alle verdachten worden beschuldigd van betrokkenheid bij dezelfde criminele organisatie die gericht was op moorden, vuurwapendelicten en gekwalificeerde diefstal. In dit vonnis zijn de overwegingen en beslissingen opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. De rechtbank wijst vandaag ook vonnis in de zaken van de zestien andere verdachten die (grotendeels) gelijktijdig terecht hebben gestaan.
De rechtbank zal in plaats van de term ‘verdachte’ steeds de namen van de verdachten gebruiken: [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [verdachte] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 16] en [medeverdachte 4] . De rechtbank gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere verdachten in het dossier dezelfde achternaam hebben en de hele voornaam als ze ook dezelfde voorletter hebben.
Omdat in de zaak van [medeverdachte 5] het onderzoek ter terechtzitting al was aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland treedt de rechtbank in zijn zaak op als de rechtbank Midden-Nederland. In de zaak van [medeverdachte 1] was het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot het onderzoek Zeilboot al aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland op het moment dat de zaak Marengo aanving bij de rechtbank Amsterdam. Dat is de reden dat er in de zaak van [medeverdachte 1] separate vonnissen worden gewezen.
Het onderzoek Marengo bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken die onderling met elkaar verweven zijn, door de daarop gebaseerde verdenking van het leidinggeven aan dan wel de deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte in zal gaan, maar waar nodig ook hetgeen is aangevoerd in de zaken van de andere verdachten (ambtshalve) in haar oordeel zal betrekken.
1.2.2
Start van het onderzoek
Op 14 januari 2017 heeft [medeverdachte 5] zich na overleg met zijn advocaat laten aanhouden en vanaf dat moment is een kroongetuigetraject gaan lopen. [medeverdachte 5] heeft in 41 kluisverklaringen verklaard over een aantal moorden of pogingen daartoe waar hij deels zelf bij betrokken is geweest. Op 27 december 2017 is dit uitgemond in een overeenkomst met [medeverdachte 5] als kroongetuige. Door zijn verklaringen en door ontsleutelde PGP-berichten is een groot aantal verdachten in beeld gekomen die ervan verdacht worden te behoren tot een organisatie die verantwoordelijk is voor tot op dat moment grotendeels onopgeloste levensdelicten. Het onderzoek dat hieruit voortkwam kreeg de naam Marengo. [medeverdachte 5] was op 5 september 2017, dus al voordat hij de overeenkomst sloot, als verdachte aangehouden in de zaak Roos/Doorn. Op 18 december 2017 is [verdachte] , op wie de nacht daarvoor een aanslag was gepleegd waarbij hij gewond is geraakt, als eerste verdachte aangehouden in het onderzoek Marengo. In de loop van 2018, 2019 en 2020 zijn de overige verdachten in het onderzoek Marengo aangehouden.
1.2.3
Procesdossier Marengo
Het procesdossier bevat (zoveel mogelijk chronologisch) de volgende deelonderzoeken:
Rudolf: de moord op [slachtoffer 3] op 9 september 2015 en het beramen van een ontploffing in de spyshop te Nieuwegein in de periode van 15 augustus 2015 tot en met 19 oktober 2015;
Ster: de moord op [slachtoffer 4] op 17 april 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 4] en [betrokkene 5] in de periode van 1 maart 2016 tot en met 17 april 2016;
Aker: de moord op [slachtoffer 5] op 9 mei 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 5] in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 januari 2016;
Kreta: de moord op [slachtoffer 1] op 22 juni 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de periode van 17 april 2016 tot en met 22 juni 2016;
Tennis: de poging tot moord op [betrokkene 6] op 11 oktober 2016;
Plato: de poging tot moord op [betrokkene 7] op 5 december 2016;
Zeilboot/Raspvijl: de poging tot moord en de moord op [slachtoffer 6] op 8 december 2016 en de poging tot moord op [slachtoffer 6] op 2 juli 2016;
Roos/Doorn: de moord op [slachtoffer 2] op 12 januari 2017 en het beramen van de moord op [betrokkene 4] in de periode 1 december 2016 tot en met 14 januari 2017;
De criminele organisatie in de periode van 16 juli 2015 tot en met 14 januari 2017.
Daarnaast bevat het dossier het onderzoek Alpine, dat gaat over een witwasverdenking tegen [medeverdachte 15] .
In het strafdossier van iedere verdachte is, behalve het gehele Marengo-dossier (met bovengenoemde negen deelonderzoeken), tevens gevoegd:
10.
Beoordeling
3.3.6.2.3 Controle en contra-expertise Hansken
De verdediging betoogt dat zij onvoldoende mogelijkheden heeft gehad om de werking van Hansken te controleren en de software van Hansken aan een contra-expertise te onderwerpen. Zij heeft daartoe tijdens regiezittingen en bij pleidooi gewezen op de rapporten van de in het kader van het onderzoek Tandem II ingeschakelde deskundige [naam deskundige 1] van 15 januari 2018 en 4 maart 2018 waarin [naam deskundige 1] concludeert dat die controlemogelijkheden met betrekking tot de rol en functionaliteit van Hansken in het digitaal forensische onderzoeksproces onvoldoende zijn.
Onder verwijzing naar de vonnissen van 21 september 2021 van de rechtbank Rotterdam in de zaken tegen Ennetcom en haar middellijk bestuurder – waarin een soortgelijk verweer is gevoerd – onderkent de rechtbank het door de verdediging geschetste gevaar dat bij de analyse van bulkdata door complexe algoritmische systemen de resultaten van het systeem leidend worden zonder dat de achterliggende algoritmen kunnen worden gecontroleerd. In het kader van het recht op een eerlijk proces (en dus gelijke proceskansen) moet de verdediging kunnen controleren of de door Hansken geproduceerde resultaten betrouwbaar zijn. Daartoe mag van de verdediging echter wel worden verwacht dat zij concreet maakt op welke punten deze controle moet plaatsvinden. Het in algemene zin stellen dat ‘de controlemogelijkheden onvoldoende zijn’ kan niet als zodanig gelden. Het voorgaande klemt temeer nu in het Marengo-dossier stukken zijn gevoegd waarin is ingegaan op de werking van Hansken. Gewezen wordt het rapport van deskundige [naam deskundige 2] (hierna: [naam deskundige 2] ) van 5 februari 2018 in datzelfde onderzoek Tandem II, waarin hij vragen van de verdediging in die zaak over de betrouwbaarheid en volledigheid van Hansken als selectietool beantwoordt. [naam deskundige 2] is vervolgens op 12 februari 2018 in dat onderzoek gehoord door de rechter-commissaris en de verdediging in de zaak Tandem II heeft daar in aanwezigheid van haar eigen deskundige [naam deskundige 1] vragen kunnen stellen aan [naam deskundige 2] . Ook dat proces-verbaal van verhoor is toegevoegd aan het procesdossier. Verder geldt dat over principes en de werking van Hansken peer-reviewed artikelen zijn verschenen. De verdediging heeft gesteld dat [naam deskundige 2] – nu hij niet rechtstreeks betrokken was bij het gebruik van Hansken ten aanzien van de Ennetcom-data (het antwoord op vraag 2 van de verdediging in het rapport van 5 februari 2018) – vragen niet heeft kunnen beantwoorden, maar zij heeft daarbij onvoldoende concreet gemaakt wat zij nog wil controleren en/of onderzoeken. [naam deskundige 2] heeft in zijn beantwoording bovendien gezegd, en het Openbaar Ministerie heeft hierop ook herhaaldelijk gewezen, dat bij twijfel over de volledigheid van een bericht altijd extra controles uitgevoerd kunnen worden in Hansken zelf of met analysemogelijkheden buiten Hansken. De mogelijkheid tot controle en contra-expertise heeft dus wel degelijk bestaan, zij het dat de verdediging dan wel moet laten weten wat, op welke wijze en door wie onderzocht moet worden. De verdediging heeft dit op de speciale PGP-regiezitting van 11 maart 2021 niet, althans onvoldoende, concreet gemaakt. Ook later heeft zij dit niet gedaan. De rechtbank onderschrijft dan ook niet dat de verdediging geen effectieve controlemogelijkheden heeft gehad.
De verdediging heeft bij pleidooi nog verwezen naar Europese jurisprudentie waaruit volgens haar volgt dat zij recht heeft een contra-expertise. De rechtbank is echter van oordeel dat de verwijzing naar die jurisprudentie niet opgaat omdat Hansken en de met Hansken verkregen resultaten niet aan te merken zijn als deskundigenrapportages.
Bij pleidooi heeft de verdediging gewezen op voorbeelden van ‘fouten’ in Hansken. Deze voorbeelden zijn echter eerder op regiezittingen besproken en – voor zover nodig – verduidelijkt en opgehelderd. Zo heeft de verdediging wederom verwezen naar het in het onderzoek De Vink uitgebrachte NFI-rapport van 16 juni 2020. Het gaat in dat rapport echter niet om een fout in Hansken, maar om een verandering van de naam ‘email from’ naar ‘mailbox name’, welke verandering is ingegeven door voortschrijdend inzicht voor wat betreft de benaming van dat ‘veld’. Het hoe en waarom van die verandering wordt in het rapport van 16 juni 2020 verder uitgelegd. Ook heeft de verdediging wederom verwezen naar ‘fouten’ in de exportfunctie naar de Excelbestanden. De verdediging doelt hier, zo begrijpt de rechtbank, op de brief van 14 september 2020 in het onderzoek Himalaya. Ook die brief gaat niet over fouten in Hansken, maar over een geconstateerd verschil tussen de weergave in Hansken en de weergave in het ten behoeve van de inzage gemaakte Excel-bestand. Het NFI heeft dit geconstateerd en hersteld.
De verdediging heeft nog gesteld dat de werking van Hansken beperkingen kent, zoals het niet kunnen zoeken op minder dan drie tekens waardoor zij niet kan zoeken naar woorden met een ‘y’, zoals ‘hy’ in verband met de aan [medeverdachte 4] toegeschreven schrijfwijze. De rechtbank stelt echter vast dat deze beperking evenzeer geldt voor het Openbaar Ministerie, zodat in zoverre geen sprake is van ongelijke proceskansen. De conclusie van de verdediging dat deze beperking verdachte in zijn verdedigingsrechten heeft geschaad volgt de rechtbank niet, alleen al omdat de verdediging ook op langere woorden met een ‘y’ kon zoeken.
3.3.6.2.4 Hansken is geen (buitenwettelijk) technisch hulpmiddel
De rechtbank is in navolging van eerdere uitspraken van rechtbanken van oordeel dat Hansken niet kan worden aangemerkt als een technisch hulpmiddel in de zin van artikel 126ee aanhef en onder a Sv. De eisen zoals genoemd in het Besluit zijn daarom niet van toepassing. Die eisen zien namelijk op technische hulpmiddelen die worden ingezet bij een stelselmatige observatie, het opnemen van vertrouwelijke communicatie of het opnemen van telecommunicatie en daarvoor wordt Hansken niet gebruikt. Hansken is ook niet aan te merken als een buitenwettelijk technisch hulpmiddel. Het wordt namelijk niet gebruikt voor het verkrijgen van bewijs. Hansken wordt ingezet ten behoeve van het bekijken van bewijs, nadat het is verkregen. De verdediging heeft nog gesteld dat de werking van de Hansken-software heeft bepaald welke PGP-berichten ter kennis kwamen van het onderzoeksteam zodat de uitgangspunten uit de wetsgeschiedenis van artikel 126ee Sv voor Hansken van belang zijn. Die stelling maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het citaat uit de wetsgeschiedenis waar de verdediging naar verwijst benadrukt het belang van waarborgen aangaande de kwaliteit en de onschendbaarheid van de met technische hulpmiddelen vastgestelde waarnemingen die (immers) in de plaats komen van eigen waarnemingen door verbalisanten. De PGP-data zelf zijn echter niet vastgelegd met Hansken, zodat overeind blijft dat Hansken niet is gebruikt voor het verkrijgen van bewijs.
3.3.6.2.5 Onvolledigheid van de PGP-data
De verdediging heeft uitvoerig uiteengezet dat de PGP-data onvolledig zijn. Voor zover de verdediging hieraan het verweer heeft gekoppeld dat de PGP-berichten niet of in onvoldoende mate kunnen bijdragen aan het bewijs overweegt de rechtbank als volgt.
De PGP-berichten dienen te worden aangemerkt als andere geschriften in de zin van artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. Dit betekent dat deze berichten alleen voor het bewijs kunnen worden gebruikt in samenhang met andere bewijsmiddelen.
Bij het gebruik van de PGP-berichten voor het bewijs past behoedzaamheid. De rechtbank is zich ervan bewust dat veelal sprake is van incomplete PGP-communicatie.
Conclusie
Voor zover in het voorgaande al vormverzuimen of (andere) onrechtmatigheden zijn vastgesteld leiden deze noch op zichzelf, noch gezamenlijk tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. De conclusie van de rechtbank is daarom dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.
Verder is de dagvaarding geldig, is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
PGP-identificatie
4.1.1
Identificatie e-mailadressen verdachten Marengo
De rechtbank heeft op basis van de processen-verbaal van identificatie – en in voorkomende gevallen op basis van overige informatie in het dossier en/of wat is besproken ter terechtzitting – vastgesteld wie de gebruiker van een PGP-e-mailadres was. Ook is op basis daarvan vastgesteld of, en zo ja onder welke bijnamen een bepaalde gebruiker bekend stond of werd opgeslagen. In bijlage 2 bij dit vonnis is een overzicht opgenomen van deze PGP-e-mailadressen en de gebruikers met hun eventuele bijnamen.
De rechtbank zal hierna ten aanzien van [verdachte] aan de hand van de vindplaats in het dossier weergeven op grond waarvan is vastgesteld dat hij de gebruiker van een bepaald e-mailadres was. Als die verwijzing naar de vindplaats in het dossier – waar de feiten en omstandigheden die leiden tot de identificatie zijn beschreven – nog tot een inhoudelijke reactie nopen, naar aanleiding van hetgeen door de verdediging is aangevoerd of ambtshalve is geconstateerd, zal de rechtbank daarop hierna ook ingaan.
4.1.2
Identificatie e-mailadressen overige gebruikers
Het dossier bevat een aantal processen-verbaal van identificatie met betrekking tot e-mailadressen die door het Openbaar Ministerie aan andere personen, niet zijnde verdachten in Marengo, worden toegeschreven. In sommige gevallen is de identificatie van de gebruiker(s) van die overige e-mailadressen van belang voor de beoordeling en duiding van conversaties uit de zaaksdossiers en/of voor de koppeling van e-mailadressen aan (Marengo-)verdachten. Om die reden is de rechtbank nagegaan of de identificatie op basis van de in die processen-verbaal van identificatie genoemde feiten en omstandigheden gerechtvaardigd is. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit het geval is. Om die reden zijn ook deze overige gebruikers van e-mailadressen in de genoemde bijlage bij dit vonnis opgenomen.
4.1.3
Identificatie e-mailadressen [verdachte]
De rechtbank stelt op basis van de processen-verbaal van identificatie vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het e-mailadres ezfk116w@pgpsafe.net, gebruikt in de periode december 2016 en januari 2017 en het e-mailadres intz327x@pgpsafe.net, gebruikt in april 2016. De rechtbank stelt verder vast dat het e-mailadres gvsy826n@pgpsafe.net aan [verdachte] kan worden toegeschreven op basis van de verklaring van [medeverdachte 5] . Dit nummer staat onder de contactnaam ‘Panter’ in de BlackBerry van [medeverdachte 5] opgeslagen. [medeverdachte 5] heeft hierover verklaard dat dit het nummer van [verdachte] is dat hij ( [verdachte] ) heeft van een maand voordat [medeverdachte 5] vast kwam te zitten (de rechtbank begrijpt: het nummer dat [verdachte] vanaf een maand vóór 14 januari 2017 gebruikte).
4.2
Zaaksdossier Kreta
Op 22 juni 2016 rond 21:52 uur is [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) beschoten op de [adres] te Utrecht. Hij is ter plaatse overleden als gevolg van een groot aantal schotverwondingen. Uit onderzoek is gebleken dat sprake is geweest van een gerichte aanslag op het leven van [slachtoffer 1] .
[medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [verdachte] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] worden allen vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] en voor het medeplegen van de voorbereiding van moord op [slachtoffer 1] in de periode van 17 april 2016 tot en met 22 juni 2016. Daarnaast is de verdenking gerezen dat ook [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) doelwit waren van te plegen aanslagen. Met uitzondering van [medeverdachte 5] worden voornoemde verdachten ook vervolgd voor het medeplegen van de voorbereiding van moord op hen in de periode van 17 april 2016 tot en met 22 juni 2016.
4.2.1
Inleiding
Het onderzoek naar de gewelddadige dood van [slachtoffer 1] is indertijd gestart als TGO Kreta. Nadien heeft [medeverdachte 5] (kluis)verklaringen afgelegd en zijn PGP-berichten beschikbaar gekomen die beide in relatie tot dat onderzoek staan. Voor de bewijswaardering acht de rechtbank de volgende onderwerpen van belang: een schets van de voorgeschiedenis, de (kluis)verklaringen van [medeverdachte 5] in relatie tot het onderzoek Kreta, relevante PGP-berichten en andere onderzoeksbevindingen. Hieronder volgt een (beknopte) weergave en de duiding daarvan. Het overzicht met PGP-berichten is chronologisch en begint met het oog op de begrijpelijkheid op een eerder tijdstip dan de ten laste gelegde periode.
4.2.2
Standpunten
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het medeplegen van moord op [slachtoffer 1] en het medeplegen van voorbereiding van moord op [slachtoffer 1] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] kan worden bewezen.
De verdediging bepleit dat [verdachte] ten aanzien van beide feiten wordt vrijgesproken.
4.2.3
Voorgeschiedenis
[betrokkene 1] is op 24 juni 2015 door de politie gewaarschuwd dat zijn leven gevaar liep en dat er (mogelijk) een baken onder zijn huurauto heeft gezeten. Hij is door de politie als getuige gehoord op 27 juni 2015 en 7 september 2015. Op 12 juli 2016 is hij bij de rechter-commissaris als getuige gehoord in het onderzoek Koper. De bijnaam van [betrokkene 1] is Chino.
[betrokkene 3] heeft op 27 juni 2015 aangifte gedaan van bedreiging. Hij heeft verklaard dat hij enkele maanden daarvoor in België is gevolgd. Een van de drie inzittenden van de achtervolgende auto, een negroïde man, heeft hij herkend als iemand die volgens hem liquidaties pleegt voor [medeverdachte 4] . In de aangifte verklaart [betrokkene 3] dat een vriend, [betrokkene 1] , eerder die week is gewaarschuwd. Volgens [betrokkene 3] heeft dat ermee te maken dat [betrokkene 1] wordt gebruikt om bij hem te komen of om hem, [betrokkene 3] , een signaal te geven dat hij aan de beurt komt. [betrokkene 3] verklaart verder dat [medeverdachte 11] ook voor [medeverdachte 4] werkt. Hij zou [medeverdachte 4] aangeven waar een mogelijk slachtoffer is en hij zou ook mensen hebben die voor hem uitkijken naar personen. Als zij die persoon zien, dan geven zij dat door aan [medeverdachte 11] en hij stuurt dat dan met een PGP-bericht door aan [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] laat dan de negroïde man weten waar en wie degene is die dood moet. Op 9 oktober 2015 heeft [betrokkene 3] verklaard deze negroïde man te kennen als [betrokkene 16] , die in juli 2015 is aangehouden in verband met de wapenvondst van Nieuwegein.
Dictum
alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Marengo-verdachten (met uitzondering van de processen-verbaal van de terechtzittingen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten en de processen-verbaal van de terechtzittingen waarin enkel is gepleit of gedupliceerd; deze processen-verbaal maken slechts deel uit van het strafdossier van de desbetreffende verdachte);
10. alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van een of meer van de verdachten zijn opgemaakt.
Alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de terechtzittingen maken dus deel uit van het procesdossier, ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het procesdossier voor elke verdachte (afgezien van de persoonsdossiers) gelijkluidend is.
2Tenlastelegging
De tenlasteleggingen in de zaken A en B zijn op de zitting van 27 augustus 2020 nader omschreven. De tenlastelegging in zaak C is op die zitting gewijzigd. [verdachte] wordt kort gezegd beschuldigd van het volgende.
Zaak A (13/997072-17)
Feit 1: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 2] , gepleegd op 12 januari 2017 in Utrecht (ZD Roos);
Feit 2: Betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord op [betrokkene 4] , gepleegd in de periode van 1 december 2016 tot en met 14 januari 2017 in Zaandam en/of Amsterdam en/of Utrecht (ZD Doorn).
Zaak B (13/997083-18)
Deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk moord, gekwalificeerde diefstal en/of het bezit van vuurwapens en munitie in de periode van 1 januari 2016 tot en met 14 januari 2017 (ZD 140 Sr);.
Zaak C (13/997006-19)
Feit 1: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 1] op 22 juni 2016 in Utrecht (ZD Kreta);
Feit 2: Betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1] en/of [betrokkene 1] en of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] in de periode van 17 april 2016 tot en met 22 juni 2016 in Utrecht (ZD Kreta).
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1, die aan dit vonnis is gehecht. Die bijlage geldt als hier ingevoegd.
3Voorvragen
De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De rechtbank zal hier in het navolgende op ingaan.
3.1
Algemeen kader vormverzuimen
Als bij het voorbereidend onderzoek sprake is van onherstelbare vormverzuimen, kan de rechter daaraan gevolgen verbinden. Uit de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het moet gaan om vormverzuimen die zijn begaan in het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. De rechter kan ook gevolgen verbinden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. Een rechtsgevolg kan dan op zijn plaats zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit.
De consequenties die de rechter aan schending van een vormverzuim kan verbinden zijn, in oplopende zwaarte: de enkele constatering van de schending van een vormverzuim, strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
In het algemeen geldt dat hoe groter de ernst van het vormgebrek en de gevolgen daarvan zijn, des te zwaarder het rechtsgevolg is dat de rechter daaraan kan verbinden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de zwaarste sanctie voor een vormverzuim, de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn. In zijn arrest van 1 december 2020 heeft de Hoge Raad over de aan te leggen maatstaf overwogen:
‘De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden.
Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239).’
Bij de beoordeling of sprake is van vormverzuimen waaraan de rechter een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan verbinden dient, zoals hiervoor vermeld, te worden nagegaan of sprake is van de situatie dat “the proceedings as a whole were not fair”, met andere woorden: heeft de verdachte een oneerlijk proces gehad? Onderdeel van een eerlijk proces is dat de rechter die over de zaak oordeelt het onderzoek in de zaak onafhankelijk en onpartijdig, zonder vooringenomenheid, uitvoert en daarna een gemotiveerd oordeel geeft. Onderdeel van een eerlijk proces is ook dat de verdediging tegen het onderzoeksmateriaal en de beschuldigingen kan inbrengen wat zij daartegen wil inbrengen en daartoe het door haar gewenste onderzoek kan uitvoeren. Daarvoor moet de verdediging ook voldoende tijd en gelegenheid worden gegund. Of sprake is van een eerlijk proces is niet alleen afhankelijk van de mate waarin rekening wordt gehouden met de belangen van de verdachte, maar ook met de gerechtvaardigde belangen van anderen die bij het strafproces zijn betrokken, zoals slachtoffers en nabestaanden. Ook dient daarbij rekening te worden gehouden met het publieke belang bij het onderzoek en bestraffing van de specifieke strafbare feiten die het betreft. De beoordeling of sprake is geweest van een eerlijk proces kan in beginsel pas achteraf worden gemaakt. Dan kan namelijk pas worden bezien of de rechter alle betrokken belangen juist heeft afgewogen en beoordeeld. Dit betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, al vooruit moet kijken naar haar beoordeling over de eerlijkheid van dit proces in zijn geheel.
Beoordeling
Dit komt in de eerste plaats doordat op de servers niet alle communicatie meer te vinden was vanwege het retentiebeleid van de aanbieder van de dienst. In het geval van PGP-safe geldt bovendien dat niet alle servers zijn gekopieerd, maar dat de keuze is gemaakt voor het kopiëren van de apparatuur uit de serverkast die vanaf 2012 werd gehuurd. De apparatuur die in de vanaf 2016 gehuurde serverkast stond, is dus niet gekopieerd. Het kopiëren bij PGP-safe is bovendien op enig moment door de Costa Ricaanse autoriteiten beëindigd toen die servers nog niet volledig waren gekopieerd. Daar komt bij dat in het dossier die berichten terecht zijn gekomen die het Openbaar Ministerie uit de Marengo-dataset als relevant heeft geselecteerd. Hierbij past overigens de kanttekening dat de verdediging inzage heeft gehad in de Marengo-dataset en zij zelf ook heeft kunnen verzoeken om voeging van berichten die zij relevant vond.
Verder geldt dat de meeste verdachten hebben ontkend de (enige) gebruiker van een bepaald PGP-account te zijn, dan wel zich op hun zwijgrecht hebben beroepen. Slechts enkele verdachten hebben duiding gegeven aan de inhoud van de berichten. In de berichten wordt soms onduidelijk gesproken. In sommige gevallen zijn conversaties onvolledig. In een deel van de conversaties ontbreken zelfs alle berichten van een van de deelnemers. De context van de berichten is dan ook niet steeds duidelijk. Daar staat tegenover dat voor de bewijswaarde relevant is dat personen die een versleutelde berichtendienst gebruikten zich onbespied waanden en vaak openlijk communiceerden over waar ze mee bezig waren, zonder pogingen dit te verhullen. Ook dat weegt de rechtbank mee bij de beoordeling.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat weliswaar met behoedzaamheid naar de PGP-berichten voor het bewijs moet worden gekeken, maar dat het niet zo is dat de PGP-berichten in algemene zin niet of in onvoldoende mate aan het bewijs kunnen bijdragen vanwege hun onvolledigheid.
3.3.6.2.6 Forensische onbetrouwbaarheid van de PGP-data
De verdediging betoogt dat de PGP-data niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden omdat deze forensisch onbetrouwbaar zijn.
3.3.6.2.6.1 Hashwaarden
De rechtbank stelt voorop dat in het dossier is verantwoord dat de data zoals die in Canada en Costa Rica zijn veiliggesteld en gekopieerd ook de data zijn die in Nederland zijn gebruikt. Die vaststelling kon worden gedaan aan de hand van een vergelijking van de zogenoemde hashwaarden van die data.
3.3.6.2.6.2 Integriteit en betrouwbaarheid van de PGP-data
De verdediging heeft herhaaldelijk gesteld dat zich bij Ennetcom integriteitsproblemen en storingen hebben voorgedaan die mogelijk van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van het PGP-materiaal. Met name rond en op de PGP-regiezittingen van 11 en 12 maart 2021 is hierover het debat gevoerd tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft vervolgens op 1 april 2021 het verzoek van de verdediging om een deskundige te benoemen en getuigen te horen in verband met deze integriteitsproblemen en storingen afgewezen. De verdediging heeft bij pleidooi opnieuw aandacht gevraagd voor dezelfde gestelde integriteitsproblemen en storingen.
De rechtbank overweegt in navolging van het arrest van 11 februari 2022 van het gerechtshof Amsterdam het volgende. Bij elk ICT-systeem dat is aangesloten op het internet, en dus ook bij het Ennetcom-systeem, bestaat de mogelijkheid dat de data worden gewijzigd, bijvoorbeeld door een hack of door een technisch gebrek. Deze omstandigheid is echter onvoldoende om aan te nemen dat de Ennetcom-data onbetrouwbaar zijn. Daarbij is van belang dat duizenden gebruikers jarenlang (kennelijk naar tevredenheid) gebruik hebben gemaakt van de diensten van Ennetcom. Overheidsdiensten bleken lange tijd niet in staat om de communicatie die via dit systeem werd gevoerd te onderscheppen en de daarbij behorende PGP-telefoons te ‘kraken’. Uit de verklaring die de bestuurder van Ennetcom op 7 juni 2021 als getuige heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt verder dat Ennetcom in zijn bedrijfsvoering aandacht had voor onregelmatigheden in het communicatiesysteem, voorzorgsmaatregelen nam om dergelijke onregelmatigheden te voorkomen en ook maatregelen trof bij incidenten. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het verhoor bij de rechter-commissaris van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2019 van de bij Ennetcom van december 2014 tot januari 2016 werkzame service- en supportmanager. Deze verklaart onder andere dat de controles na een incident in Parijs medio 2015 werden aangescherpt. Uit een door de bestuurder van Ennetcom opgestelde lijst blijkt dat dergelijke incidenten zich wel voordeden, maar dat het aantal incidenten – afgezet tegen de hoeveelheid klanten en de omvang van door hen verstuurde berichten – in al die jaren betrekkelijk gering is.
De rechtbank stelt vast dat de vragen van de verdediging die specifiek raken aan de integriteit van de data in het dossier zijn beantwoord. De rechtbank wijst op het reeds aangehaalde rapport van [naam deskundige 2] van 5 februari 2018 en het eveneens eerder aangehaalde verhoor bij de rechter-commissaris van 12 februari 2018 in het onderzoek Tandem II. In dat verhoor heeft [naam deskundige 2] onder andere gereageerd op de bevindingen van [naam deskundige 3] in zijn – op verzoek van de verdediging – opgestelde rapportage van 16 januari 2018. Ook wijst de rechtbank op het rapport van [naam deskundige 2] van 9 maart 2018 in het onderzoek Tandem II.
De uitleg van [naam deskundige 2] komt er in de kern op neer dat ‘een beetje ontsleutelen’ van PGP-data niet mogelijk is. Als de ontsleuteling niet correct zou zijn, dan zou dit een onsamenhangende en onleesbare tekst hebben opgeleverd. Manipulatie van de inhoud van de berichten zou in beginsel mogelijk zijn maar is, gelet op de PGP-versleuteling, eigenlijk praktisch onmogelijk. De rechtbank ziet gelet op deze uitleg geen aanleiding om aan de juistheid van de ontsleuteling te twijfelen. De rechtbank wijst in dit verband ook op het proces-verbaal waarin de recherche een aantal zuiver theoretische scenario’s heeft doorgenomen rondom de integriteit en de betrouwbaarheid van de gegevens van de Ennetcom-servers. Daarin wordt gesteld dat manipulatie van de inhoud van berichten tot inconsistenties in de berichtenuitwisseling of zelfs tot onleesbaarheid van de berichten zou moeten leiden en dat daarvan niet is gebleken. Ook staat daarin dat configuratiefouten of technische gebreken het bedrijfsmodel van Ennetcom zouden raken en dat het onaannemelijk is dat dergelijke gebreken door de beheerders niet onmiddellijk zouden worden opgelost. De rechtbank kan dat goed volgen, aangezien – zoals hiervoor al overwogen – vele gebruikers jarenlang (kennelijk naar tevredenheid) gebruik hebben gemaakt van de diensten van Ennetcom. Er zijn, zo schrijft de recherche in dat proces-verbaal, geen indicaties aangetroffen voor sporen van technische gebreken in de berichtenuitwisseling of in de BES-systemen. In de conclusie van het proces-verbaal wordt de verdediging erop gewezen dat, als zij concrete feiten en omstandigheden aanwijst, scenario’s verder kunnen worden onderzocht. Van die mogelijkheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt.
De rechtbank is gelet op het voorgaande niet gebleken dat de gestelde integriteitsproblemen of storingen invloed hebben gehad op de ontsleutelde inhoud van de PGP-berichten.
Conclusie
Bij een fotoherkenning blijkt dit om [betrokkene 16] (hierna: [betrokkene 16] ) te gaan.Op 27 augustus, 9 oktober en 9 november 2015 heeft [betrokkene 3] verklaringen afgelegd in het onderzoek Bornheim. Dit onderzoek hangt samen met het onderzoek Koper. Op 2 oktober 2018 zijn tijdens een doorzoeking in de berging van de woning van een zus van [medeverdachte 4] drie USB-sticks aangetroffen. Op deze USB-sticks stond een pdf-bestand met daarin verhoren van [betrokkene 3] uit de onderzoeken Bornheim en Koper. In het onderzoek Koper heeft op 10 juni 2016 een getuigenverhoor van [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris plaatsgevonden.De bijnaam van [betrokkene 3] is Slager.
Op 15 september 2015 zijn in het tv-programma Opsporing Verzocht onder meer beelden vertoond van een ontmoeting van twee mannen bij het Carlton President Hotel in Maarssen.Deze beelden/filmopnames zijn in het onderzoek Koper op gegevensdragers aangetroffen. De beelden zijn vermoedelijk op 17 november 2014 heimelijk opgenomen.Op 16 september 2015 heeft [slachtoffer 1] contact gezocht met de politie omdat hij zichzelf en een vriend heeft herkend op de in Opsporing Verzocht vertoonde beelden. De politie heeft [slachtoffer 1] die dag gewaarschuwd dat hij mogelijk slachtoffer van een liquidatie zou kunnen worden.
In de woning van [slachtoffer 1] is na zijn dood op 22 juni 2016 een oproeping aan hem aangetroffen om op 30 juni 2016 te getuigen bij de rechter-commissaris in het onderzoek Koper.
4.2.4
Verklaringen van [medeverdachte 5]
heeft in zijn tweede kluisverklaring op 26 januari 2017 verklaard dat hem is gevraagd mee te helpen met het observeren van [slachtoffer 1] , in de zin van: mocht je hem zien, gelijk melden alsjeblieft. Voorts verklaart hij dat Slager (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 3] ) verklaringen heeft afgelegd en iedereen bij elkaar heeft opgenoemd waardoor iedereen naar hem op zoek was. [medeverdachte 5] heeft een deel van deze verklaringen gelezen op een USB-stick die hij van [medeverdachte 11] heeft gekregen. Dit is ruim voor de moord op [slachtoffer 1] geweest. [medeverdachte 5] verklaart dat hij (doorstuur)berichten heeft gezien waaruit duidelijk wordt dat het niet lukt om [betrokkene 3] te vinden en dat daarom is geprobeerd via zijn ‘kliekje’ bij hem te komen. Het gaat om [slachtoffer 1] en de Chino’s (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ). [betrokkene 1] reed in die tijd in een witte Mercedes CLA. [medeverdachte 5] heeft kentekens doorgekregen met het verzoek het meteen door te geven als hij ze ziet. [slachtoffer 1] is ook gezien met een witte Mercedes CLA omdat hij weleens voor de deur werd opgehaald door deze persoon (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 1] ). heeft verder verklaard dat er een stroomversnelling is ontstaan na een incident in mei 2016 waardoor is gedacht dat [medeverdachte 11] ontvoerd zou worden.
[medeverdachte 5] verklaart dat [medeverdachte 11] altijd buiten de oorlog van [medeverdachte 4] is gehouden en geen nieuwsgierig type was die door gaat vragen. Die houding van [medeverdachte 11] is na het ontvoeringsincident veranderd. [medeverdachte 4] wilde vanaf dat moment gelijk de twee broers Chino aanpakken en [slachtoffer 1] later. [medeverdachte 5] verklaart verder dat ‘we’ later met het idee zijn gekomen [slachtoffer 1] te ‘zenderen’ (de rechtbank begrijpt: een tracker plaatsen) maar dat vonden ‘ze’ geen goed idee. [medeverdachte 5] verklaart verder dat de [betrokkenen 1 en 2] zijn nagetrokken, dat hun autogegevens en adressen zijn gedeeld, dat er heel veel druk is ontstaan en alles op alles is gezet tegen [slachtoffer 1] , omdat hij op korte termijn moest getuigen in het onderzoek Koper.
In zijn kluisverklaring van 27 januari 2017 gaat [medeverdachte 5] uitvoeriger in op het onderzoek Kreta. Hij verklaart dat hij kort na het ontvoeringsincident met [medeverdachte 11] via [medeverdachte 11] (doorstuur)berichten van [medeverdachte 4] kreeg waarin de gegevens van de [betrokkenen 1 en 2] stonden met de bedoeling het in de gaten te houden, ook in de lounge. [medeverdachte 5] is gevraagd te helpen hun auto’s te traceren en hij heeft dat gedaan. [verdachte] en andere personen, waarvan [medeverdachte 5] niet weet wie dit zijn, ook. Blijkbaar is het de bedoeling om te beginnen met [betrokkene 1] . Een week later – een week voor de ramadan – willen ze toeslaan, de [betrokkenen 1 en 2] zouden makkelijk zijn. Dat is lastiger gebleken en er is een omwenteling gekomen waarbij de nadruk meer op [slachtoffer 1] is komen te liggen. Bij de observatie van [slachtoffer 1] is er een (doorstuur)bericht gestuurd dat hij nu op de Straatweg is. Er zijn ook rechtstreeks berichten gestuurd door [medeverdachte 11] aan [medeverdachte 5] met de vraag: kan je aan de slag om die jongens te spotten? [medeverdachte 5] verklaart dat [medeverdachte 10] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 10] ) goed contact heeft met [slachtoffer 1] . Zij hebben telefonisch contact met elkaar. [medeverdachte 10] probeert [slachtoffer 1] te traceren en geeft het door als hij met hem heeft afgesproken. Er zijn mensen aan wie gevraagd is om het door te geven als zij [slachtoffer 1] zien en er zijn mensen die hebben gezocht naar [slachtoffer 1] en daar een bedrag voor te horen hebben gekregen. Er is dan van [slachtoffer 1] bekend dat hij op de (Amsterdamse)straatweg komt, bij het Griekse café, welke auto hij rijdt, het kenteken daarvan en andere informatie. [medeverdachte 5] verklaart dat hem in deze periode ook is gevraagd of hij professionele autorijders kent, waarop hij zegt te hebben geantwoord dat hij niet zo iemand kent. Er was blijkbaar wel iemand om te schieten, maar geen chauffeur. Hij heeft verklaard dat hem is gevraagd of hij een huis kan regelen in de omgeving van Overvecht. Er is tegen hem gezegd: zeg maar gewoon dat het voor een drugsdeal is. Vanwege het noemen van Overvecht begrijpt [medeverdachte 5] dat het verband houdt met [slachtoffer 1] . De rechtbank stelt vast dat de voorgaande verklaring tot in detail wordt bevestigd in de hierna weergegeven PGP-berichten.
[medeverdachte 5] verklaart dat [verdachte] en hij een discussie hebben gehad over een huis, waarbij [verdachte] heeft geopperd een van de buurjongens te vragen. [medeverdachte 5] heeft vervolgens een buurjongen benaderd en hem gezegd dat hij een huis nodig heeft voor een drugsdelict. Via deze buurjongen is een andere jongen uit de buurt gevraagd, die uiteindelijk ook zijn huis in Bilthoven heeft uitgeleend in ruil voor een vakantie van circa € 1.700,-. Dit is door [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 11] doorgegeven en hij heeft daarmee ingestemd. De chauffeurs zijn het adres gaan bekijken en hebben het goed gevonden. [medeverdachte 5] verklaart dat hij contant geld heeft gekregen van [verdachte] , die op dat moment niet wist waar het voor was. Het geven van contant geld is wel normaal, dat gebeurt vaker. [verdachte] wist in zijn achterhoofd wel waar het om ging. [medeverdachte 5] verklaart dat hij het geld aan de bewoner heeft gegeven en die heeft gezegd het geld te gaan storten en de vakantie te gaan boeken. [medeverdachte 5] heeft de sleutels gekregen en op verzoek (via een doorstuurbericht waarin stond: lees wat ze zeggen, maak sleutels na) van [medeverdachte 11] laten kopiëren. [medeverdachte 5] heeft de sleutels afgegeven. [medeverdachte 5] is gevraagd een ander adres, aan de [adres] , te bekijken. Dat heeft hij gedaan en hij heeft [medeverdachte 11] laten weten dat het oké is. Door de eigenaar zijn, na de liquidatie van [slachtoffer 1] , in dit huis kogels aangetroffen. Blijkbaar is deze woning door [medeverdachte 10] geregeld. Nadat de bewoners van de woning in Bilthoven op vakantie zijn gegaan is er gelijk actie ondernomen. Het hele verhaal van observeren is opnieuw begonnen.
Dictum
De rechtbank moet zich dus al in het kader van de voorvragen (mede) een oordeel vormen over haar eigen beslissingen in Marengo en de wijze waarop deze zijn gemotiveerd.
Namens diverse verdachten is betoogd dat om meerdere redenen sprake is van vormverzuimen, die ieder voor zich maar ook in samenhang bezien en bij elkaar opgeteld (primair) moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Verdedigingen hebben zich over en weer bij elkaars verweren aangesloten. Het gaat dan onder andere om verweren in het kader van het PGP-bewijs, de rechtmatigheid van de overeenkomst met de kroongetuige en de verweren in het kader van de gestelde publieke berechting. De door de verdediging van [verdachte] gevoerde verweren, waaronder ook vallen de verweren waarbij namens hem is aangesloten, zullen in het navolgende worden besproken. De rechtbank zal daarbij beoordelen of sprake is van de door de verdediging gestelde vormverzuimen, en zo ja, of deze leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In het voorkomende geval zal de rechtbank beoordelen of een eventueel ander, minder zwaar, rechtsgevolg aan een geconstateerd vormverzuim verbonden zal moeten worden. De rechtbank zal voorts nagaan of een eventuele opeenstapeling van vormverzuimen die op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden, in samenhang bezien wel dienen te leiden tot het oordeel dat geen sprake (meer) is van een eerlijk proces.
3.2.
De kroongetuige
3.2.1
Inleiding
In dit onderdeel zal de rechtbank de rechtmatigheid beoordelen van de overeenkomst die de Staat der Nederlanden heeft gesloten met [medeverdachte 5] als kroongetuige en daarnaast een oordeel geven over de betrouwbaarheid van de verklaringen die hij heeft afgelegd.
De rechtbank zal eerst de totstandkoming van de overeenkomst met [medeverdachte 5] beschrijven. Daarna zal zij de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen. Vervolgens komen de verweren aan bod die de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 5] betwisten. Hoewel de door de verschillende verdachten gevoerde verweren niet geheel overeenkomen en niet alle verdachten zich over en weer bij alle verweren hebben aangesloten, zal de rechtbank ze gezamenlijk bespreken, ook in de vonnissen van de verdachten namens wie geen verweer gevoerd is.
Het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigenovereenkomst ligt op grond van de wettelijke regeling primair bij de rechter-commissaris. Maar als de rechtmatigheid van deze overeenkomst uitdrukkelijk onderbouwd door de verdediging wordt bestreden, moet de rechtbank – als zij oordeelt dat de overeenkomst wel rechtmatig is – de redenen geven die daartoe hebben geleid (artikel 359 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)).
De rechtbank dient te beoordelen of de overeenkomst met [medeverdachte 5] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en/of de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst – in het licht van de gevoerde verweren – binnen de grenzen van het recht is gebleven.
3.2.2
Totstandkoming van de overeenkomst
[medeverdachte 5] is op 14 januari 2017 met een vuurwapen in Amsterdam aangehouden en vervolgens in voorlopige hechtenis genomen. Dit was een vooropgezet plan, waarover hij met zijn raadsman had overlegd. Na zijn aanhouding heeft hij verteld dat hij klem zat tussen twee groeperingen – de familie [slachtoffer 2] en de groepering rond [medeverdachte 4] –, dat hij zelf betrokken was geweest bij verschillende liquidaties en dat hij bereid was daarover verklaringen af te leggen. In de dagen daarna hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [medeverdachte 5] , bijgestaan door zijn raadsman, het Team Bijzondere Getuigen (TBG) en de aan dat team verbonden officier van justitie (de TBG-officier van justitie). In die gesprekken heeft [medeverdachte 5] gemeld over welke levensdelicten hij zou kunnen verklaren en zijn de voorwaarden voor het afleggen van kluisverklaringen besproken. Uiteindelijk heeft hij tussen 26 januari 2017 en 18 mei 2017 in totaal 41 kluisverklaringen afgelegd. In de maanden daarna heeft een verificatieonderzoek naar deze verklaringen plaatsgevonden.
In september 2017 is [medeverdachte 5] als verdachte aangemerkt in het onderzoek Roos en in zijn cel aangehouden. Deze aanhouding was niet gebaseerd op de kluisverklaringen van [medeverdachte 5] (die immers nog in de kluis lagen), maar op andere onderzoeksbevindingen. In november 2017 heeft [medeverdachte 5] een voorovereenkomst ondertekend. Op 20 december 2017 heeft het College van procureurs-generaal toestemming gegeven voor de voorgenomen overeenkomst. Op 27 december 2017 heeft [medeverdachte 5] een overeenkomst gesloten met de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door een officier van justitie, nadat de rechter-commissaris op dezelfde datum deze overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en [medeverdachte 5] had getoetst en rechtmatig had bevonden. De rechter-commissaris heeft deze beslissing op 29 december 2017 schriftelijk vastgelegd en ondertekend. De ondertekende overeenkomst is tekstueel gelijk aan de voorovereenkomst.
In de overeenkomst verbindt [medeverdachte 5] zich om als getuige verklaringen af te leggen met betrekking tot een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (hierna: de dealfeiten) en doet hij afstand van zijn verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Sv. Daarnaast verklaart [medeverdachte 5] dat de inhoud van zijn kluisverklaringen naar zijn beste weten volledig op waarheid berust. De officier van justitie verbindt zich om bij onverkorte nakoming door [medeverdachte 5] de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten te zullen stellen op twaalf jaren gevangenisstraf. Daarbij verklaart de officier van justitie dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige is, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van vierentwintig jaren zou inhouden.
In de overeenkomst is vastgelegd dat [medeverdachte 5] wordt vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan) en voorbereiding voor deze moord, het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan, meer subsidiair voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] )), het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan en – de rechtbank begrijpt, meer subsidiair – voorbereidingshandelingen voor die moord) en de deelname aan een criminele organisatie die in het bijzonder tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties.
[medeverdachte 5] is na het sluiten van de overeenkomst nog tientallen keren, vaak hele dagen lang, verhoord. Vanaf maart 2018 is hij intensief verhoord door de (tactische) recherche. Op de terechtzitting van 11 juli 2019 is er een eerste gelegenheid geweest voor de verdediging om [medeverdachte 5] vragen te stellen. Verspreid over het eerste half jaar van 2020 is hij vervolgens veertien dagen verhoord door de rechter-commissaris, waarbij de verdediging hem voor het eerst uitgebreid vragen kon stellen. Vanaf december 2020 is [medeverdachte 5] meermaals ter terechtzitting verhoord, eerst door de rechtbank en vervolgens door diverse advocaten. Het laatste verhoor ter terechtzitting vond plaats op 6 februari 2024, in de zaak van [medeverdachte 11] .
Beoordeling
Bij het voorgaande betrekt de rechtbank nog dat de inhoud van de PGP-berichten op een groot aantal onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, zoals hierna bij de bespreking van de zaaksdossiers zal worden weergegeven.
3.3.6.2.6.3 PGP-e-mailadres (mede) bij een ander in gebruik
Enkele raadslieden voeren het verweer dat hun cliënt niet de enige gebruiker was van een bepaald e-mailadres en/of dat een e-mailadres op enig moment tijdelijk in gebruik was bij een ander dan de eerdere gebruiker.
De rechtbank stelt in dit verband voorop dat, waar dit het geval zou zijn, dit geen invloed heeft op de integriteit van het bericht zelf, gelet op wat hiervoor over de ontsleuteling is overwogen. De rechtbank heeft in de zaaksdossiers inderdaad voorbeelden aangetroffen van het wisselen van de gebruiker van een PGP-telefoon en het tijdelijk gebruiken van een PGP-telefoon van een ander. Deze gevallen komen voor zover nodig in die zaaksdossiers aan de orde. In voorkomende gevallen wordt in de processen-verbaal van identificatie verantwoord op basis waarvan is geconcludeerd dat een e-mailadres op een volgende gebruiker is overgegaan.
Op basis van het dossier heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat gewisseld werd van gebruiker zonder dat dit kenbaar werd gemaakt aan de andere deelnemer aan een gesprek. Dat ligt ook voor de hand: het zou immers ernstig afbreuk doen aan het vertrouwen van de andere deelnemers aan de versleutelde communicatie als zij het risico zouden lopen dat hun berichten onbedoeld bij derden terecht zouden kunnen komen. Dat geldt temeer nu de gesprekken in het dossier Marengo veelal zien op (voorbereidingen van) liquidaties. In het verlengde hiervan ligt ook niet voor de hand dat een derde gebruik maakt van een PGP-toestel van een ander zonder dat de eigenlijke gebruiker dat weet, en al helemaal niet dat die derde dan communiceert over (voorbereidingen van) liquidaties. Al met al brengt dit de rechtbank ertoe om, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uit te gaan dat als een PGP-account aan een geïdentificeerde persoon kan worden gekoppeld, de berichten van dat account ook door die persoon zijn verzonden of ontvangen.
3.3.6.2.7 Yüksel Yalçinkaya tegen Turkije
De rechtbank heeft zich rekenschap gegeven van het na de dupliek van de verdediging gewezen arrest van het EHRM van 26 september 2023 in de zaak Yüksel Yalçinkaya tegen Turkije, waarin het EHRM oordeelt dat artikel 6 EVRM is geschonden. Dit arrest geeft de rechtbank evenwel geen aanleiding om anders te oordelen over de geboden inzage- en controlemogelijkheden voor de verdediging in relatie tot het recht op een eerlijk proces. Daartoe is redengevend dat het EHRM in dat arrest expliciet heeft overwogen – kort gezegd – dat de omstandigheid dat het bewijs ziet op versleutelde elektronische data geen aanleiding is om een andere toets toe te passen in het licht van artikel 6 EVRM dan de toets die het steeds heeft aangelegd.Ook waar het gaat om het niet aan de verdediging verstrekken van alle brondata verwijst het EHRM naar zijn eerdere jurisprudentie. Bovendien verschillen de feitelijke vaststellingen in die Turkse zaak zodanig van de feiten in Marengo dat een vergelijking niet opgaat. De rechtbank wijst er onder andere op dat de klager in die Turkse zaak geen toegang had tot gegevens die specifiek op hemzelf betrekking hadden, dat dit (ByLock-)bewijs van doorslaggevend belang was voor de veroordeling en klager geen reële mogelijkheid had om het bewijs te betwisten. Ook was de Turkse rechter niet ingegaan op de verweren van klager over de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de gegevens. Die omstandigheden doen zich in Marengo – zoals hiervoor uiteen is gezet – niet voor. Zo heeft de verdediging wél inzage in de Marengo-dataset, hebben de raadslieden de ‘eigen lijnen’ op een laptop verstrekt gekregen, kan de verdediging desgewenst bij het NFI met Hansken in de Marengo-dataset zoeken en heeft zij gedurende dit proces verzoeken met betrekking tot dat PGP-bewijs kunnen doen en daaromtrent verweren kunnen voeren, waarop de rechtbank steeds gemotiveerd heeft beslist.
3.3.7
Voorwaardelijke verzoeken
3.3.7.1 Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU
De verdediging heeft voorwaardelijk, namelijk indien de verdediging niet wordt gevolgd in een of meerdere van de door haar ingenomen standpunten over de uitleg en schending van het Unierecht met betrekking tot de verkrijging en verwerking van de PGP-data, dan wel als wordt volstaan met constatering van een vormverzuim, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU, met het verzoek aan het Hof om de zogenoemde versnelde procedure (een procedure préjudicielle accélérée, PPA) toe te passen. Daartoe stelt de verdediging een aantal concreet geformuleerde vragen voor.
De rechtbank komt gelet op voorgaande beslissingen toe aan de beoordeling van dit verzoek. De rechtbank heeft hiervoor uiteengezet dat zij de verdediging niet of niet steeds geheel volgt in haar standpunten over gestelde schendingen van Unierecht en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen. Het antwoord op de te stellen vragen ligt echter naar het oordeel van de rechtbank al besloten in de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU zoals die eerder is besproken. De rechtbank acht zich dan ook voldoende voorgelicht en wijst het verzoek daarom af.
3.3.7.2 Aanhouden van de zaak
De verdediging heeft bij dupliek aan haar voorwaardelijk verzoek het subsidiaire verzoek toegevoegd dat als de rechtbank het (nog) niet noodzakelijk acht zelf prejudiciële vragen te stellen, de zaken van verdachten aan te houden tot na de beslissing van het Hof van Justitie EU op de prejudiciële vragen van het Berlijnse gerecht van 19 oktober 2022. Die vragen zijn vooral relevant voor de vraag of uit het Unierecht, in het bijzonder uit het doeltreffendheidsbeginsel, volgt dat schendingen van het Unierecht – samengevat – ook bij ernstige strafbare feiten niet geheel zonder gevolgen mogen blijven en ten minste gevolgen moeten hebben voor het bewijs of de op te leggen straf.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Europese jurisprudentie, ook die waarin het doeltreffendheidsbeginsel een rol speelt. Daarover acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht. De omstandigheid dat een ander, niet Nederlands gerecht (mede) over dat onderwerp prejudiciële vragen heeft gesteld, geeft de rechtbank geen aanleiding de zaken aan te houden in afwachting van die beantwoording. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachten in deze zaak zich al zeer lange tijd in (geschorste) voorlopige hechtenis bevinden en voor hen van belang is dat de zaken thans worden afgerond.
3.3.7.3 Overige voorwaardelijke verzoeken
De verdediging heeft voorts voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechtbank tot enige bewezenverklaring zal komen, verzocht om alle Ennetcom- en PGP-safe-data die met de rechtshulpverzoeken aan Canada en Costa Rica zijn verkregen op toegankelijke wijze verstrekt te krijgen en daar het Openbaar Ministerie opdracht toe te geven. Daarnaast is voor dat geval verzocht (alsnog) de volgende personen als getuige te horen/als deskundige te benoemen:
1. [betrokkene 13]2. [betrokkene 14]
3. [naam deskundige 2] of een andere direct bij de werking en ontwikkeling van Hansken betrokken deskundige (van het NFI)4. [naam deskundige 1]
5.
Conclusie
[medeverdachte 5] verklaart dat [slachtoffer 1] niet makkelijk te vinden was en dat er berichten zijn geweest dat hij mogelijk in het buitenland verblijft waarbij gevraagd is toch bij het huis te posten. Het plaatsen van een zender die mogelijk niet te traceren is, is overwogen en dat idee is uiteindelijk verworpen. [medeverdachte 5] verklaart dat [medeverdachte 10] niet volledig wilde meewerken. Er is hem gevraagd [slachtoffer 1] te lokken en daar heeft hij blijkbaar moeilijk over gedaan en ook op berichten heeft hij niet altijd gereageerd. [medeverdachte 10] wist dat [slachtoffer 1] gepakt ging worden. [slachtoffer 1] heeft ook niet steeds de waarheid verteld aan [medeverdachte 10] . Er moet met [medeverdachte 10] overleg zijn geweest over wat [slachtoffer 1] heeft gedaan en waarom hij gepakt gaat worden, aldus [medeverdachte 5] . De rechtbank stelt vast dat al het voorgaande nagenoeg geheel ondersteuning vindt in de hierna weergegeven PGP-berichten en in verklaringen van de bewoners van de twee woningen, alsmede in financieel onderzoek naar de betaling en vakantie van de bewoners van de betreffende woning in Bilthoven.
[medeverdachte 5] verklaart dat in de dagen kort voor 22 juni 2016 een auto met camera is geplaatst op de [adres] met enig zicht op het huis van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 5] verklaart dat hij en [verdachte] dat hebben gedaan. [verdachte] heeft de beelden uitgelezen, het was moeilijk en heeft niet gewerkt. De dag voor zijn liquidatie is [slachtoffer 1] getraceerd en in de avond is er een raam bij hem ingegooid. [medeverdachte 10] heeft een bericht aan [medeverdachte 11] gestuurd dat hij met [slachtoffer 1] heeft afgesproken. [medeverdachte 5] is zich gaan stationeren op de [adres] . Hem is gevraagd zicht te houden op de woning van [slachtoffer 1] . De afspraak met [medeverdachte 10] is toen niet doorgegaan. Omstreeks 22:30 uur heeft [medeverdachte 5] (thuis) bericht ontvangen dat [slachtoffer 1] thuis is en of hij wil gaan kijken en het in de gaten houden tot het andere team er is. [medeverdachte 5] heeft een bericht ontvangen dat het andere team is aangekomen en dat hij kan gaan. Kort daarna is er weer een verzoek of hij naar de woning van [slachtoffer 1] terug kan gaan. [medeverdachte 5] heeft daar rondgelopen en een (doorstuur)bericht ontvangen van [medeverdachte 11] dat de spot nu moet wegwezen waarop [medeverdachte 5] is weggegaan. Blijkbaar heeft iemand toen een baksteen door de ruit gegooid. Daarover is de volgende dag gezegd dat dit is geweest om [slachtoffer 1] uit huis te lokken, aldus telkens [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] kreeg diezelfde nacht bericht, dat de heads het hebben geprobeerd, maar dat het niet was gelukt, en dat die hond door het keukenraam had gekeken maar niet naar buiten was gekomen.
[medeverdachte 5] verklaart dat hij op 22 juni 2016 in de nacht of vroege ochtend bericht ontvangt dat zij de hele dag op [slachtoffer 1] gaan zitten en dat waar hij ook is er gelijk actie wordt gezet.
[medeverdachte 5] is vervolgens via [verdachte] in een andere auto gaan rijden, hij wil niet langer rijden in auto’s uit zijn privésfeer. [medeverdachte 5] verklaart dat hij de sleutel van de Seat Ibiza van [verdachte] heeft gekregen. [medeverdachte 5] is met deze auto bij de [adres] (plek A) gaan staan, daar is hij op een gegeven moment gezien door een buurtbewoner en daarom is hij verplaatst naar de [adres] (plek B). [verdachte] is aan het eind van de middag ook gekomen en hij vertelt [medeverdachte 5] dat hij [medeverdachte 10] in zijn auto heeft gezien maar dat hij niet reageert op berichten. [medeverdachte 5] is op zoek gegaan naar [medeverdachte 10] en ziet hem in gezelschap van [slachtoffer 1] uit de [adres] komen rijden. [medeverdachte 5] stuurt een bericht hierover aan [medeverdachte 11] en ook hij laat weten dat [medeverdachte 10] niet reageert op zijn berichten. [medeverdachte 5] ziet wat later [medeverdachte 10] bij de autoboulevard rijden, geeft dat door en raakt hem vervolgens kwijt. [medeverdachte 5] krijgt daarna bericht dat [medeverdachte 10] heeft laten weten dat hij met [slachtoffer 1] is geweest en dat [slachtoffer 1] nu thuis is, aldus steeds [medeverdachte 5] . [medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij de betreffende middag met [slachtoffer 1] naar een autoverhuurbedrijf is gegaan. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring ondersteuning biedt aan die van [medeverdachte 5] over het volgen van [medeverdachte 10] en [slachtoffer 1] die dag. Ook is uit het verificatieonderzoek gebleken dat [medeverdachte 5] ’s beschrijving van de route die hij reed bij het volgen van [medeverdachte 10] en [slachtoffer 1] overeenkomt met de feitelijke situatie en dat het volgen bevestigd wordt door de verkeersgegevens van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 10] . De beschrijving door [medeverdachte 5] van de auto waarin [medeverdachte 10] reed is daarin eveneens bevestigd. Die auto (een zwarte Volkswagen Passat) stond op naam van de broer van [medeverdachte 10] en [medeverdachte 10] is op 24 juni 2016 in die auto gecontroleerd in Amsterdam met [medeverdachte 11] als bijrijder.
[medeverdachte 5] verklaart dat hij op enig moment een bericht ontvangt van [medeverdachte 11] dat ‘die hond’ thuis is en ook of de spot daar naartoe kan gaan. [medeverdachte 5] is eerst naar de [adres] (plek A) gegaan tot de eerdergenoemde buurtbewoner hem daar weer ziet om dan naar plek B te gaan met zicht op de woning. [verdachte] staat op de [adres] (plek C) met zicht op een hek. Dat hek kan [medeverdachte 5] niet in de gaten houden. Een man met een groen shirt (geïdentificeerd als [betrokkene 17] , hierna: [betrokkene 17] ) belt bij [slachtoffer 1] aan en [medeverdachte 5] ziet hem met [slachtoffer 1] naar buiten komen. [medeverdachte 5] informeert meteen [medeverdachte 11] . [slachtoffer 1] en de man met het groene shirt lopen de bocht om. [medeverdachte 5] verklaart dat hij het zicht op hen zou verliezen, maar dat [verdachte] wel zicht zou hebben als hij naar plek D gaat. [medeverdachte 5] stuurt [verdachte] hierover bericht en hij is op dat moment naar plek D gegaan. [verdachte] antwoordt dat hij ze ziet, dat ze staan te praten en vervolgens dat ze terug lopen. [medeverdachte 5] krijgt ze vervolgens inderdaad weer in zicht. [medeverdachte 5] ziet ze bij het huis op de hoek van [adres] met [adres] stoppen. Zij gaan weer de [adres] op. [medeverdachte 5] ziet ze niet meer en gaat ervan uit dat [verdachte] dan klaar staat op plek C. Heel kort daarna ziet [medeverdachte 5] [slachtoffer 1] rennen, hij ziet een vrouw die geschrokken was en daarom wist hij dat de actie gaande is. Hij rijdt direct weg en stuurt [verdachte] bericht. Ook stuurt hij [medeverdachte 11] meermaals bericht dat die mensen actie zetten waar hij bij is, dat dit niet de bedoeling was. [medeverdachte 11] laat weten dat hij het gewoon heeft doorgestuurd. [medeverdachte 5] verklaart vervolgens dat hij [verdachte] heeft gevraagd waar zij elkaar gaan zien en dat hij van de Seat Ibiza af wil. Deze heeft hij geparkeerd ergens in het verlengde van de Straatweg (de rechtbank begrijpt: Amsterdamsestraatweg). De sleutel heeft hij aan [verdachte] gegeven, die zijn auto ook in deze omgeving heeft geparkeerd en samen zijn zij bij de Straatweg (de rechtbank begrijpt: Amsterdamsestraatweg) bij [betrokkene 18] (hierna: [betrokkene 18] ) in de auto gestapt. [medeverdachte 5] verklaart dat hem werd gevraagd waar hij was, dat hij geantwoord heeft dat hij aan het parkeren is en waar hij staat, dat [verdachte] toen nog zou komen en dat hij blijkbaar contact had gehad met [betrokkene 18] . [medeverdachte 5] verklaart dat er politieauto’s en helikopters te horen waren en dat zij naar de McDonald’s zijn gegaan om te eten. Onderweg heeft [medeverdachte 5] een bericht ontvangen met de vraag dat met spoed het adres in Bilthoven nodig was, waarna hij het adres aan de [adres] heeft gestuurd. Kort daarna komt het bericht dat de heads veilig zijn.
Dictum
Het dossier bevat in totaal ruim 3.000 pagina’s aan verhoren van [medeverdachte 5] .
3.2.3
Verweren betreffende de rechtmatigheid van de overeenkomst
Er zijn diverse verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 5] , omdat de overeenkomst met [medeverdachte 5] niet rechtmatig is.
Zo is aangevoerd dat de huidige toepassing van de kroongetuigenregeling, zoals door de Hoge Raad is goed gevonden in het Passageproces, niet juist is in het licht van de wetsgeschiedenis. Uitgangspunt van de kroongetuigenregeling is dat een kroongetuige geen koopgetuige mag zijn, maar in de huidige praktijk is de beschermingsovereenkomst een vrijplaats voor het geven van een financiële beloning in ruil voor verklaringsbereidheid. Enig rechterlijk toezicht ontbreekt, terwijl artikel 226j lid 3 Sv daarvoor wel een aanknopingspunt biedt. In deze zaak zijn er door de iPhone-berichten van [medeverdachte 5] sterke aanwijzingen dat er een toezegging is gedaan van een buitenproportionele beloning. Uit die berichten blijkt dat [medeverdachte 5] geld wil zien en zelf een causaal verband legt tussen dat geld en zijn verklaringen. Dat is in strijd met de bedoeling van de wetgever en daarmee in strijd met de wet en dus onrechtmatig.
Doordat de verdediging geen inzicht wordt verschaft in de financiële inhoud van de beschermingsovereenkomst, een rechter hier geen kennis van heeft kunnen nemen en de vragen aan de kroongetuige over zijn financiële verwachtingen werden belet, kan niet worden volgehouden dat de verdediging een redelijke gelegenheid heeft gehad om de wederrechtelijkheid van de afspraken met de kroongetuige, waaronder de mogelijkheid van de beïnvloeding van de betrouwbaarheid van die getuige door die overeenkomst, te presenteren. Dit is een schending van de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) vervatte ‘equality of arms’. Daar komt bij dat aannemelijk is dat de verklaringen van de kroongetuige, indien deze worden gebruikt, van doorslaggevend belang zullen zijn, maar er geen maatregelen zijn getroffen ter compensatie van het gebrek aan kennis van de verdediging over de totstandkoming van de overeenkomst.
Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat er aan [medeverdachte 5] ongeoorloofde toezeggingen zijn gedaan. Zo beweert hij zelf dat hem is toegezegd dat de straf die aan hem is opgelegd voor het wapenbezit op 14 januari 2017 op enigerlei wijze in de executiefase zou worden verdisconteerd in de aan hem op te leggen straf in de zaak Marengo. Als door het Openbaar Ministerie verdiscontering van de voornoemde straf is afgesproken, dan staat vast dat [medeverdachte 5] in strijd met de wet meer korting op zijn straf toegezegd heeft gekregen dan is toegestaan. Daarmee is in strijd met de wet gehandeld en derhalve is er wederom sprake van een schending van artikel 6 EVRM.
Ook het feit dat bij de strafeis rekening wordt gehouden met de inmiddels gewijzigde regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de v.i.-regeling) – waardoor netto slechts acht jaren gevangenisstraf resteert – levert volgens de verdediging een grotere korting op de straf op dan wettelijk is toegestaan. Daar komt bij dat de overeengekomen bruto-strafeis van vierentwintig jaren – vergeleken met de strafeisen in de zaken van de medeverdachten – al disproportioneel laag was. Bovendien is sprake van ontoelaatbare toezeggingen door [medeverdachte 5] niet te vervolgen in de zaken Zeilboot/Raspvijl en Orinoco, door hem niet te vervolgen voor Opiumwetdelicten, door het ongemoeid laten van het financiële voordeel (uit drugshandel, liquidaties, chantage en witwaspraktijken) en door de begunstiging van de levenspartner van [medeverdachte 5] . Dit geldt ook voor de keuzes die het Openbaar Ministerie gemaakt heeft bij het opstellen van de tenlasteleggingen van [medeverdachte 5] . Hij wordt in de zaak Kreta – anders dan zijn medeverdachten – niet vervolgd voor voorbereiding van de moord op de broers [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), hoewel hij daartoe wel handelingen heeft verricht. In de zaak Roos/Doorn wordt hij de facto niet vervolgd voor voorbereiding van de moord op [betrokkene 4] , nu dit meer subsidiair ten laste is gelegd en daar dus niet aan toe gekomen zal worden.
Tot slot stelt de verdediging dat er een extra begunstiging zit in bepaling 4.2 van de overeenkomst, waarin staat dat als [medeverdachte 5] de overeenkomst niet is nagekomen, hij een redelijke termijn krijgt om dat alsnog te doen. Dit is een toezegging die buiten het kader van artikel 226g Sv valt. Daarmee is in strijd met de wet gehandeld en een onrechtmatige overeenkomst gesloten. Ook dit levert een schending van artikel 6 EVRM op.
3.2.4
Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overeenkomst
3.2.4.1 Onjuiste toepassing kroongetuigenregeling?
In de Passage-arresten van 23 april 2019 heeft de Hoge Raad de door het gerechtshof Amsterdam geschetste kaders waarbinnen de kroongetuigenregeling moet worden toegepast, bevestigd. Kern is volgens de Hoge Raad ‘dat toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuige geen onderdeel uitmaken van de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak en evenmin kunnen worden beschouwd als afspraken in de zin van art. 226g, vierde lid, Sv, zodat voor het openbaar ministerie geen verplichting bestaat dergelijke toezeggingen bekend te maken en deze ook geen voorwerp zijn van toetsing door de rechter-commissaris op de voet van art. 226g, derde lid, Sv of door de zittingsrechter’. Dat is de wettelijke regeling zoals zij op dit moment is. De omstandigheid dat er in de wetenschap en in de politiek af en toe gepleit wordt voor een aanpassing van de regeling en de invoering van een onafhankelijke toetsing van de op grond van artikel 226l Sv gesloten beschermingsovereenkomst, doet daaraan niet af. Voor een toetsing van de beschermingsovereenkomst door de rechter-commissaris biedt artikel 226j lid 3 Sv thans in ieder geval geen grondslag.
Uitgangspunt van de kroongetuigenregeling is – daar heeft de verdediging gelijk in – dat de verklaring van de kroongetuige niet ‘gekocht’ mag worden. Anderzijds zullen de beschermingsmaatregelen die uiteindelijk worden getroffen veelal ook een financiële component bevatten. Een kroongetuige zal eenmaal op vrije voeten immers een nieuw bestaan moeten opbouwen en dat kost geld. De stelling van de verdediging dat er sterke aanwijzingen zijn dat er in het onderhavige geval sprake is van een koopgetuige en dat er (dus) een causaal verband is tussen de verklaringen van de kroongetuige (c.q. zijn verklaringsbereidheid) en een beloning, volgt de rechtbank echter niet. De rechtbank heeft kennisgenomen van de door de verdediging ingebrachte chats van de kroongetuige met familieleden, die zijn teruggevonden op de iPhone die hij in de periode september 2017 tot medio februari 2018 heimelijk in zijn cel heeft gehad. Op grond van die berichten lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat [medeverdachte 5] in het kader van de beschermingsovereenkomst zoveel mogelijk geld wilde ontvangen. Er is echter geen aanknopingspunt voor de stelling dat er vervolgens ook daadwerkelijk zulke hoge geldbedragen aan [medeverdachte 5] zijn toegezegd, dat die redelijkerwijs niet meer met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht.
Beoordeling
Onafhankelijke deskundigen teneinde te onderzoeken:
- De effectiviteit, waaronder ook de betrouwbaarheid, van de methode om middels
zoekwoorden een selectie van de brondata te maken in het kader van waarheidsvinding;
- Of voldoende is voorzien in controle op betrouwbaarheid van onderliggende brondata;
- Of Hansken voldoende stabiel is, loggegevens en versies qua instellingen en tools inzichtelijk zijn en resultaten van de inzet van Hansken voldoende correct, reproduceerbaar en controleerbaar zijn;
- Of sprake is of kan zijn van een effectieve mogelijkheid van tegenonderzoek omtrent de
verwerking van de Ennetcom- en PGP-safe-data middels de software van Hansken en de
ontwikkeling en toepassing van Hansken door de medewerkers van het NFI in dat kader;
- Of en zo ja welke nadelen voor de mogelijkheden van contra expertise het gevolg zijn van de keuzen om data in bulk te verkrijgen;
- Of de mogelijkheden voor het overzetten van resultaten uit Hansken naar het dossier
voldoende betrouwbaar en controleerbaar zijn;
- Of onafhankelijkheid van bejegening van de data gegarandeerd is;
- Of voldaan is aan eisen van het Hof van Justitie EU en het EHRM (op grond van de artikelen 7 en 8 EU Handvest en artikel 8 EVRM) over de bejegening van dergelijke data in bulk door mensen en technisch middel;
- Of de ten behoeve van het beroepsgeheim ingezette waarborgen voldoende effectief en
inzichtelijk zijn;
6. De Canadese rechter [naam Canadese rechter] van het Superior Court of Justice in Toronto, omtrent de uitleg van de door hem geformuleerde voorwaarden, zoals ten aanzien van het woord “for”
en het door hem bedoelde toezicht en de toestemming en welke data (omvang en aard) hij
meende te verstrekken aan Nederland;
7. De Costa Ricaanse rechter die over de uitvoering van het rechtshulpverzoek van het
Nederlandse Openbaar Ministerie aan de Costa Ricaanse autoriteiten heeft beslist omtrent
welke data (omvang en aard) hij meende te kunnen laten kopiëren voor en verstrekken aan
Nederland naar aanleiding van dat rechtshulpverzoek.
Omdat de rechtbank tot bewezenverklaringen zal komen, komt zij toe aan de beoordeling van deze verzoeken. De rechtbank wijst het verzoek tot verstrekking van alle brondata af omdat – zoals hiervoor gemotiveerd uiteen is gezet – de verdediging daar geen recht op heeft. Ook de verzoeken tot het horen van getuigen en het benoemen van deskundigen worden afgewezen. De rechtbank acht zich voldoende ingelicht op basis van de stukken, de uitvoerige behandeling op met name de speciaal voor dat doel gehouden PGP-regiezitting van 11 en 12 maart 2021 en de daarna nog gewisselde standpunten en toelichtingen ter terechtzitting. Van de noodzaak tot het horen van de door de verdediging verzochte personen is daarom niet gebleken. Om dezelfde reden is de rechtbank de noodzaak tot het benoemen van de verzochte deskundigen niet gebleken. De verzoeken worden afgewezen.
3.4
Eerlijk proces ex artikel 6 EVRM?
De verdediging betoogt dat het recht op een eerlijk proces ook omvat dat de verdachte een effectieve verdediging kan voeren gericht op het kunnen toetsen van het bewijs, zowel wat betreft de rechtmatigheid van de verkrijging van dat bewijs als ook de betrouwbaarheid en betekenis van de inhoud van dat bewijs. Dit is nog meer van belang gelet op de aard van het bewijs in Marengo, waar naast PGP-bewijs sprake is van de verklaringen van de kroongetuige. Daarnaast voert de verdediging aan dat de vrijheid en integriteit van de verdediging is geschonden. Een proces dient in zijn geheel eerlijk te zijn.
De rechtbank bespreekt als eerste de door de verdediging gestelde schending van de vrijheid en integriteit van de verdediging. Daarna komen de overige beperkingen en schendingen van verdedigingsbelangen aan de orde die, op zichzelf dan wel in onderlinge samenhang bezien, volgens de verdediging bijdragen aan de vaststelling dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze worden door de rechtbank gezamenlijk besproken.
3.4.1
Dubai-observatie
3.4.1.1 Feitelijke gang van zaken
Op 17 juni 2019 komt bij het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) informatie binnen dat [advocaat 4] op 19 juni 2019 met vlucht EK0148 om 15:20 uur naar Dubai zal vliegen en dat hij hoogstwaarschijnlijk daar de gezochte [medeverdachte 4] gaat ontmoeten. Het Openbaar Ministerie besluit naar aanleiding van deze informatie tot observatie van [advocaat 4] op Schiphol en in Dubai.
[advocaat 4] is kortstondig geobserveerd op Schiphol en met een artikel 126ne Sv vordering zijn de gegevens uit het Travel Information Portal (TRIP) verkregen. Daaruit blijkt dat [advocaat 4] inderdaad om 15:20 uur naar Dubai zal vliegen, met een terugvlucht op 23 juni 2019. Nadat op 19 juni 2019 op Schiphol blijkt dat hij in gezelschap is van [advocaat 5] wordt besloten ook hem te observeren.
Uit het dossier maakt de rechtbank op dat via de liaison officer aan de autoriteiten van Dubai het verzoek is gedaan om [advocaat 4] (en vervolgens ook [advocaat 5] ) in Dubai te observeren. Aan de afdeling Interpol van het Criminal Investigation Department van de Dubai Police (hierna ook: Interpol Dubai Police) is meegedeeld dat [advocaat 4] een advocaat is, maar niet de advocaat van [medeverdachte 4] , en dat het Nederlands recht zich niet verzet tegen deze inzet. Op 19 juni 2019 wordt een schriftelijk verzoek aan Interpol Dubai Police verstrekt inhoudend onder meer het verzoek tot 24-uurs observatie van [advocaat 4] en zijn hotelgegevens, waaronder hotelgegevens waar hij mogelijk eerder heeft verbleven. Voorts wordt gevraagd om een regelmatige (om het half uur of bij elke start/stop van [advocaat 4] ) update van de ontwikkelingen in Dubai, bijvoorbeeld cameraobservatie van een locatie/pand waarbij het vermoeden bestaat dat [medeverdachte 4] daar verblijft en het uitvoeren van alle opsporingshandelingen die leiden tot de aanhouding van [medeverdachte 4] .
Op 20 juni 2019 wordt door de Dubai Police in de lobby van het hotel een ontmoeting geobserveerd tussen [advocaat 5] en een onbekend persoon (die later [betrokkene 15] (hierna: [betrokkene 15] ) blijkt te zijn). Van deze ontmoeting wordt een foto gemaakt die via de liaison officer bij de Nederlandse politie terechtkomt. Op 21 juni 2019 wordt door de Dubai Police een ontmoeting geobserveerd tussen mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] en [betrokkene 15] en een andere onbekende man met een bril en een pet. Ook van deze ontmoeting wordt een foto gemaakt die via de liaison officer bij de Nederlandse politie terechtkomt. Omdat de Nederlandse politie vermoedt dat de onbekende man [medeverdachte 4] is, wordt om zijn aanhouding gevraagd, maar de Dubai Police doet dit niet omdat zij onvoldoende overtuigd zijn dat dit [medeverdachte 4] betreft. De Dubai Police verstrekt ondanks verzoeken daartoe geen verslag van de observaties. Voor zover bij de Nederlandse politie bekend zijn er geen andere ontmoetingen door de Dubai Police geobserveerd.
Op 10 december 2021 zijn door middel van een rechtshulpverzoek tien gedetailleerde vragen aan de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) gesteld over de Dubai-observatie. Op 2 oktober 2023 wordt een antwoord gegeven, waarbij geen gedetailleerde informatie is verstrekt.
Conclusie
Zij hebben een kilometer moeten rennen, het is een doorstuurbericht van [medeverdachte 4] . Bij McDonald’s komt ook Lange Pep. Na het eten zijn [medeverdachte 5] en [verdachte] door [betrokkene 18] af gezet bij de Platinum Lounge. [verdachte] heeft nog gezegd: nu gaan we naar de hel toe. [medeverdachte 5] verklaart dat dit hem bevreemdde, omdat het gebeurde niet de bedoeling was, hij is gaan helpen, maar dit was van te voren niet gezegd.Na de berichten dat de heads veilig zijn heeft [medeverdachte 5] doorstuurberichten van [medeverdachte 11] ontvangen, met de tekst: ‘Machine preacher heeft hem goed te pakken’, ‘Die waterhoofd leeft niet meer’ en ‘Hij heeft vijf, zes bullets door zijn hoofd heen gejaagd.’ Daar is in de chats lachend op gereageerd. [verdachte] heeft deze berichten blijkbaar niet gekregen. [medeverdachte 11] heeft er niet om gelachen, aldus [medeverdachte 5] .
[medeverdachte 5] verklaart verder dat hij toen hij de Platinum Lounge uit liep [verdachte] met [medeverdachte 10] zag praten en dat [medeverdachte 10] gestrest was. [medeverdachte 5] is weggegaan en krijgt later een bericht van [verdachte] dat hij naar hem toe komt. Hij kwam vervolgens met [betrokkene 18] naar [medeverdachte 5] en gaf [medeverdachte 5] een stuk of zes of zeven kogels, een flesje met spul erin, een jackje en handschoenen. [verdachte] vroeg [medeverdachte 5] de kogels schoon te maken en alles te dumpen. Dat heeft hij gedaan. [verdachte] heeft verteld dat [medeverdachte 10] in paniek was, dat hij de woning (aan de [adres] ) geregeld had en dat de bewoner kort na de liquidatie van [slachtoffer 1] naar huis is gegaan en kogels en die spullen heeft gevonden. [medeverdachte 5] verklaart dat [verdachte] , als het goed is, erheen is gereden en de spullen heeft aangepakt. [medeverdachte 5] heeft het jasje in een kledingbak gedaan. [medeverdachte 11] heeft [medeverdachte 5] een doorstuurbericht van [medeverdachte 4] gestuurd waarop hij heeft geantwoord dat hij de kogels, schoongemaakt, in het water heeft geloosd, handschoenen in de vuilcontainer, flesje in een andere en het jasje in de kledingbak. Hij krijgt bericht terug dat de kleding en handschoenen verbrand moesten worden.
[medeverdachte 5] verklaart dat hem met een doorstuurbericht van [medeverdachte 4] door [medeverdachte 11] is gevraagd de woning in Bilthoven op te ruimen. Daar zou een tas met kleding zijn en er zouden ook wapens zijn in de berging. [medeverdachte 5] vindt daar een tasje met twee wapens, een wapen met demper en een Glock 17 of 19. Het wapen met demper herkent [medeverdachte 5] van (een foto van) de zaak Koper. [medeverdachte 5] neemt dit mee. [medeverdachte 5] verklaart verder dat [verdachte] laat weten dat hij naar de Hornbach gaat om inkopen te doen en daar een slijptol, handschoenen, een overall, mondkapjes en doekjes heeft gekocht. [verdachte] en [medeverdachte 5] hebben in de schuur van [medeverdachte 5] de wapens in stukken geslepen en met allesreiniger de kogels schoongemaakt. [medeverdachte 5] heeft dit op verschillende plaatsen in de rivier en een kanaal gegooid, terwijl [verdachte] de boel in de gaten hield. De kleding is verbrand bij [medeverdachte 11] op de camping in Makkum. [medeverdachte 5] verklaart dat hij op de terugweg (maar in Nieuwegein) een boete heeft gekregen voor te hard rijden. [medeverdachte 11] heeft [medeverdachte 5] op de camping gezegd dat hij over twee, drie dagen een nieuwe telefoon zou krijgen en dat iedereen overstapte naar een nieuwe telefoon. [medeverdachte 5] en [verdachte] is nog gevraagd de woning in Bilthoven schoon te maken maar dat hebben zij allebei niet willen doen en de originele sleutels zijn teruggegeven aan de bewoner.
4.2.5
Duiding van de PGP-berichten in relatie tot voorbereiding moord
Voor de beoordeling van deze zaak zijn berichten uit in beslag genomen telefoons en uit de Marengo-dataset van belang.
4.2.5.1 Periode van oktober tot en met december 2015
Het dossier bevat PGP-berichten van [medeverdachte 13] aan [medeverdachte 3] onder de kop: Berichten over observeren dikkop/groothoofd. Deze leiden de rechtbank tot de volgende conclusies.
[medeverdachte 13] heeft het in deze berichten aan [medeverdachte 3] over [slachtoffer 1] . In oktober 2015 is [medeverdachte 13] bezig te achterhalen waar [slachtoffer 1] woont met de bedoeling hem (heimelijk) te kunnen observeren. [medeverdachte 13] houdt [medeverdachte 3] hiervan op de hoogte. De rechtbank gaat er, gezien het verloop van de berichten, zowel wat betreft tijd als inhoud, van uit dat [medeverdachte 3] actief deelneemt aan de communicatie.
Dictum
Redengevend is daarbij dat de door de verdediging geciteerde berichten weliswaar duidelijk maken dat [medeverdachte 5] bepaalde financiële wensen heeft, maar dat nergens blijkt dat het Openbaar Ministerie deze wensen vervolgens ook heeft gehonoreerd. Verder dateren de berichten waarin [medeverdachte 5] zijn wensen aan zijn familieleden kenbaar maakt, voor een deel van januari 2018, dus van na het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst op 27 december 2017 verbond hij zich om verklaringen af te leggen. Kennelijk waren de beschermingsmaatregelen en de daarbij behorende financiële afspraken toen nog niet geregeld. Daar komt bij dat de kluisverklaringen, waarin hij over alle dealfeiten uitgebreid heeft verklaard, ruim daarvoor – in de periode van januari tot mei 2017 – zijn afgelegd. Er was toen nog geen concreet zicht op een overeenkomst en een van de hoofdpunten van de kroongetuigenovereenkomst is, naast het afleggen van nadere verklaringen, dat hij in die kluisverklaringen de waarheid heeft verklaard. Die kluisverklaringen kunnen dus hoe dan ook niet aangemerkt worden als ‘gekocht’. Er is het voorgaande in aanmerking nemende geen aanknopingspunt voor de suggestie van de verdediging dat [medeverdachte 5] welbewust over zoveel mogelijk feiten is gaan verklaren, om een (financieel) zo gunstig mogelijke deal eruit te slepen.
De omstandigheid dat de verdediging de (financiële aspecten van de) beschermingsmaatregelen niet kan toetsen levert geen schending van het beginsel van ‘equality of arms’ op. De positie van de verdediging verschilt hierin immers niet van het zaaks-Openbaar Ministerie en de verdediging heeft bovendien volop de gelegenheid gehad om het waarheidsgehalte van de kluisverklaringen en (daarmee) de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen. Van een onjuiste toepassing van de kroongetuigenregeling – en van een schending van artikel 6 EVRM – is gezien het bovenstaande geen sprake.
3.2.4.2 Zijn er ongeoorloofde toezeggingen gedaan?
De verweren richten zich voor een groot deel op (vermeend) ongeoorloofde toezeggingen. Daarvoor geldt het volgende. De toezegging die in het kader van een kroongetuigenovereenkomst mag worden gedaan is dat strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zal worden gevorderd, te weten – voor zover hier van belang – maximaal de helft bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast kan er sprake zijn van zogenoemd gunstbetoon als bedoeld in artikel 226g lid 4 Sv. Dit gaat om het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die een gunstige invloed kunnen hebben op de bereidheid van de kroongetuige tot het afleggen van een verklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering of anderszins verband houden met de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Gunstbetoon ziet op toezeggingen van relatief geringe omvang. Een toezegging die niet meer behelst dan hetgeen de officier van justitie onder normale omstandigheden met toepassing van het bestaande beleid zou hebben besloten, is geen toezegging in de zin van de wet.
In de door het College van procureurs-generaal opgestelde Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) is het kader van de toezeggingen nader uitgewerkt, waarbij in artikel 5 de niet toelaatbare toezeggingen zijn omschreven. Dit artikel luidt, voor zover van belang:
‘De officier van justitie mag geen toezeggingen doen met betrekking tot:
1. de inhoud van de tenlastelegging (zogenoemde plea-bargaining, bijvoorbeeld over het aantal op te nemen feiten in de dagvaarding en de zwaarte daarvan);
2. het in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid afzien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten (een toezegging die strekt tot het staken van de opsporing of tot een sepot na afsluiting van het opsporingsonderzoek in afwijking van het bestaande vervolgingsbeleid, is derhalve niet toegestaan);
3. (…)
4. het geven van een financiële beloning;
5. (…)
6. het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing;
7. het begunstigen van anderen dan de getuige, zoals diens levenspartner;
8. (…)’
Financiële beloning?
Hiervoor is al overwogen dat de berichten in de iPhone van [medeverdachte 5] weliswaar de conclusie rechtvaardigen dat hij zoveel mogelijk geld wilde ontvangen in het kader van de beschermingsovereenkomst, maar dat er geen aanwijzing is dat het Openbaar Ministerie hierin is meegegaan en hem – via de beschermingsovereenkomst – in ruil voor zijn verklaringen een financiële beloning heeft toegezegd.
Veroordeling wapenbezit in januari 2017
Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 5] zich op 14 januari 2017 heeft laten aanhouden met een vuurwapen omdat hij bescherming zocht. Bij een doorzoeking zijn vervolgens een tweede vuurwapen en een jammer aangetroffen. [medeverdachte 5] is hiervoor vervolgd en aan hem is uiteindelijk in hoger beroep op 20 september 2018 zeven maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest opgelegd. Als basis voor de stelling van de verdediging dat sprake zou zijn van een ongeoorloofde toezegging, geldt de bewering van [medeverdachte 5] dat het Openbaar Ministerie hem zou hebben toegezegd dat de straf voor het wapenbezit bij de executie afgetrokken zou worden van de uiteindelijk op te leggen straf in de zaak Marengo. [medeverdachte 5] en zijn verdediging baseren dit op handgeschreven berekeningen van [advocaat 1] . Het Openbaar Ministerie betwist echter dat een dergelijke afspraak is gemaakt.
De rechtbank stelt voorop dat de afspraak die volgens [medeverdachte 5] gemaakt is, een afspraak zou zijn als genoemd in artikel 5 lid 6 van de Aanwijzing, en dat deze daarmee ongeoorloofd zou zijn. Dat deze toezegging door het Openbaar Ministerie gedaan zou zijn is echter niet aannemelijk geworden. De verklaring van [medeverdachte 5] en de berekeningen van [advocaat 1] zijn daarvoor onvoldoende, waarbij wordt meegewogen dat de andere advocaat die [medeverdachte 5] destijds bijstond heeft verklaard dat die afspraak niet is gemaakt. Bovendien hebben partijen bij het ondertekenen van de kroongetuigenovereenkomst ten overstaan de rechter-commissaris uitdrukkelijk verklaard dat er geen verdere of andersluidende afspraken zijn gemaakt.
Is de basis-strafeis van vierentwintig jaren proportioneel?
Zoals hiervoor besproken heeft het Openbaar Ministerie in de overeenkomst de basis-strafeis bepaald op een gevangenisstraf van vierentwintig jaren en toegezegd om vijftig procent hiervan als straf te zullen eisen bij nakoming van de verplichtingen door [medeverdachte 5] . In het algemeen geldt dat het Openbaar Ministerie bij het bepalen van een strafeis een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter moet eerbiedigen. Dat geldt ook voor een strafeis tegen een kroongetuige. Het is echter denkbaar dat een toegezegde basis-strafeis tegen een kroongetuige zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. Daarvan is sprake als het Openbaar Ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid niet tot de toegezegde basis-strafeis heeft kunnen komen.
Beoordeling
3.4.1.2 Verweren
De kern van de verweren van de verdediging van [verdachte] en die van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is dat het (stelselmatig) volgen van de raadslieden onrechtmatig en in strijd met de beginselen van een goede procesorde is en een vormverzuim als bedoeld in 359a Sv oplevert, respectievelijk een bouwsteen is daarvoor. Deze verweren lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.4.1.2.1 Verweer in de zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]
De verdediging stelt zich op het standpunt dat door het Openbaar Ministerie geheimhoudersrechten zijn geschonden door het zonder daartoe strekkende machtiging stelselmatig observeren van twee advocaten tot in Dubai in juni 2019. Een zorgvuldige belangenafweging over de doorbreking van hun beroepsgeheim is niet gemaakt, gelet op het gevaar dat uitging van de operatie voor mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] . Onduidelijk is gebleven welke waarborgen zijn bedongen in relatie tot hun veiligheid. Het Openbaar Ministerie neemt ten onrechte aan dat er geen sprake is geweest van stelselmatige observatie en heeft uit eigen beweging niets verantwoord in het dossier. De dwingend voorgeschreven procedures voor het schenden van geheimhoudersrechten zijn niet gevolgd. Een bevel tot gevangenneming voor [medeverdachte 4] is bovendien pas op 24 september 2019 verstrekt. Volgens de verdediging is daarmee sprake van ernstige verzuimen in het kader van het waarborgen van het beroepsgeheim en het belang van cliënten en eenieder om zich vrij van vrees voor openbaarmaking voor advies tot een professioneel verschoningsgerechtigde te kunnen wenden. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie herhaaldelijk willens en wetens, structureel en zelfs beleidsmatig in strijd met de fundamentele wettelijke rechtsbeginselen en normen gehandeld en dus in strijd met het recht van cliënten op vertrouwelijke en effectieve rechtsbijstand. Daarmee is het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM geschonden. Het Openbaar Ministerie heeft tevens ontoereikend gehandeld op het gebied van transparantie en de veiligheid van personen, hetgeen eveneens een schending van de artikelen 2, 3 en 6 EVRM met zich brengt.
3.4.1.2.2 Verweer in de zaak van [verdachte]
De verdediging voert aan dat de Dubai-observatie blijk geeft van een Openbaar Ministerie dat de pijlen is gaan richten op een aantal advocaten. De zeer onzorgvuldige en disproportionele wijze waarop dit is gedaan schendt de vrijheid en integriteit van de verdediging en wijst op kwade wil. Voor zover een belangenafweging heeft plaatsgevonden is deze onvolledig en onzorgvuldig geweest en de verdedigingsrechten van [verdachte] zijn ongerechtvaardigd geschonden. De feitelijke grondslag voor de observatie is onvoldoende en een juridische basis voor de inzet ontbreekt. Een zorgvuldige besluitvorming heeft niet plaatsgevonden en het overleg met de autoriteiten in Dubai was zeer beperkt. Er was geen enkel toezicht en geen enkele controle of invloed vanuit Nederland op de wijze waarop de Dubai Police de verzoeken zou uitvoeren, behalve toen Nederland in aanwezigheid van mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] de verkeerde persoon wilde laten aanhouden. De gevaarzetting die daaruit volgt wordt door het Openbaar Ministerie weggewuifd. De Dubai-observatie kan de toets van subsidiariteit en proportionaliteit niet doorstaan en is daarmee onrechtmatig. Het voorgaande dient als bouwsteen voor de artikel 359a Sv-verweren en er wordt aandacht gevraagd voor de steeds meer complex wordende positie van (strafrecht)advocaten, waarbij in de samenleving door dergelijk handelen een negatief sentiment verder wordt aangewakkerd, waartegen die advocaten zich onmogelijk of slechts zeer beperkt kunnen verweren.
Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren.
3.4.1.3 Oordeel van de rechtbank
Vooropgesteld wordt dat de observatie heeft plaatsgevonden in het kader van de opsporing ter aanhouding van [medeverdachte 4] op de voet van artikel 565 Sv (oud) (in het onderzoek CapeCoral) en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen [verdachte] ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten (in het onderzoek Marengo). Indien al een verzuim kan worden vastgesteld, dan is dat buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek en is artikel 359a Sv dus niet van toepassing. De vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling die buiten het bereik ligt van artikel 359a Sv is daarmee echter niet uitgesloten. De rechtbank verwijst voor het hiervoor geldende kader naar hetgeen hiervoor (zie hoofdstuk 3.1 Algemeen kader vormverzuimen) is opgenomen.
3.4.1.3.1 Gestelde onrechtmatigheden
De omstandigheid dat bij de besluitvorming om tot observatie over te gaan op basis van de TCI-informatie is geacteerd, acht de rechtbank geoorloofd. De informatie was voldoende concreet en actueel en de omstandigheid dat over de betrouwbaarheid van die informatie geen oordeel kon worden gegeven, doet daar niet aan af.
Artikel 126g lid 1 Sv vereist een bevel tot observatie van de officier van justitie als het gaat om het stelselmatig volgen van een persoon of het stelselmatig waarnemen van diens aanwezigheid of gedrag. Het Openbaar Ministerie stelt dat de verwachting was dat de observatie in Dubai slechts gedurende een korte periode zou plaatsvinden op vermoedelijk alleen openbare locaties. Gelet daarop was een bevel ex artikel 126g Sv dus niet nodig. Een en ander hoefde daarom ook niet in het (artikel 565 Sv (oud) BOB-)dossier van [medeverdachte 4] te worden verantwoord, aldus het Openbaar Ministerie. In het licht van hetgeen aan de Dubai Police gevraagd is volgt de rechtbank het Openbaar Ministerie daarin niet. Er is immers verzocht om 24-uurs observatie met een regelmatige update van de ontwikkelingen (om het half uur of bij elke start/stop van [advocaat 4] ) en bijvoorbeeld cameraobservatie. Een dergelijke observatie kan – nu deze kennelijk op geen enkele wijze voor wat betreft de intensiteit is ingeperkt, zeker indien een en ander uit handen wordt gegeven aan een buitenlandse opsporingsdienst waarover geen enkele controle kan worden uitgeoefend – potentieel tot resultaat hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen en dat dus sprake is van stelselmatige observatie. Een bevel ex artikel 126g Sv was dus vereist.
Het ontbreken daarvan is een vormverzuim, maar het betreft geen onherstelbaar vormverzuim waaraan de rechter gevolgen kan verbinden. In de zaak van [verdachte] geldt immers dat het ontbreken van een dergelijk bevel geen vormverzuim is dat is begaan in het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting, nu het is begaan in het onderzoek ter opsporing en aanhouding van [medeverdachte 4] . Ook anderszins kan aan het vormverzuim geen gevolgen worden verbonden, nu in geen geval geoordeeld kan worden dat de Dubai-observatie van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van een van de Marengo-verdachten ter zake van de ten laste gelegde feiten in de zaak Marengo.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of er door (besluitvorming rondom) de observatie anderszins sprake is van onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat iedere niet-verdachte ongewild onderdeel (en daarmee onderwerp) van politieonderzoek kan worden. Advocaten zijn hiervan niet uitgezonderd.
Conclusie
13 oktober 2015
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
19:27
[medeverdachte 13]
[medeverdachte 3]
Ok luister en huiver
Was toevallig op winkelc
Zag hem gewoon lopen gelukkig hij mij niet hahaha
Hij is slim daar vol met camera
Daar onmogelijk om hem te timere
Als wat gebeurd ze kijken beelden
En ops ben ik niet aan t kijke
19:35
[medeverdachte 13]
[medeverdachte 3]
Ik denk binnne paar weke weet ik waar hij woont
15 oktober 2015
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
13:58
[medeverdachte 13]
[medeverdachte 3]
Op t winkelc kunnen we hem niet volgen omdat daar teveel cameras staan snap je dan krijgen we zoiets als [betrokkene 19] dat ze film laten zien dat hij achtervolgt word
Dat wil je niet hebben snap je
18 oktober 2015
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
10:43
[medeverdachte 13]
[medeverdachte 3]
Ik loop na bus toe
Loop ik gewoon dikkop tegemoet
Hahahaaha
10:47
[medeverdachte 13]
[medeverdachte 3]
Ik snaeky gekeken waar hij heen liep richting ze huis hahahahaa
ik weet ongeveer nu
Ik dacht ergens anders dus dit scheelt tijd hahaha
Dichter bij mij dan ik dacht hahaha
10:52
[medeverdachte 13]
[medeverdachte 3]
Nu kunnen we in een kleinere straal ot doen hahaha scheelt echt veel tijd
4.2.5.2 Periode van december 2015 tot en met januari 2016
[medeverdachte 4] heeft rond 22 december 2015 een dossier aan [medeverdachte 8] gegeven. Dat blijkt uit onderstaande berichten.
Dictum
[medeverdachte 5] wordt (kort gezegd) vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan) en voorbereiding van deze moord (subsidiair de medeplichtigheid daaraan), het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan, meer subsidiair voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 4] ), het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 6] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan en – de rechtbank begrijpt, meer subsidiair – voorbereidingshandelingen voor die moord) en de deelname aan een criminele organisatie die in het bijzonder tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties. In vergelijking met de straffen die het Openbaar Ministerie in de zaak Marengo heeft geëist tegen medeverdachten is de basis-strafeis van vierentwintig jaren gevangenisstraf naar de huidige maatstaven laag te noemen. Daarbij moet echter worden meegewogen dat de overeenkomst is gesloten in december 2017 en dat de straffen die destijds voor dergelijke feiten werden opgelegd beduidend lager waren dan thans het geval is. Alle omstandigheden overziend is de basis-strafeis van vierentwintig jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen, terwijl de maximale strafkorting van vijftig procent niet wordt overschreden. Daarom acht de rechtbank de overeenkomst met [medeverdachte 5] ook op het punt van de overeengekomen basis-strafeis niet onrechtmatig.
Aanpassing strafeis aan nieuwe v.i.-regeling
Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie een lagere straf geëist dan in de overeenkomst is toegezegd. Aanleiding daarvoor is de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021. In deze nieuwe wet is de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling gemaximeerd tot twee jaren bij gevangenisstraffen vanaf zes jaren. De basis-strafeis van vierentwintig jaren zou ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een gevangenisstraf van twaalf jaren en een netto gevangenisstraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [medeverdachte 5] volgens het Openbaar Ministerie bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan. Tijdens de gesprekken daarover met de raadslieden van [medeverdachte 5] is, toen het ging over de netto-strafverwachting, het voornemen van het kabinet om de v.i.-regeling te versoberen wel aan bod gekomen. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie aan de raadslieden aangegeven dat de afspraak zoals die met [medeverdachte 5] op dat moment werd gemaakt (en de gerechtvaardigde verwachtingen die [medeverdachte 5] daaraan mocht ontlenen) door het Openbaar Ministerie zouden worden geëerbiedigd. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij steeds gezegd dat het laatste woord hierover uiteraard aan de rechter is. De inhoud van de overeenkomst biedt volgens het Openbaar Ministerie ruimte om een gevangenisstraf te eisen die erop neerkomt dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten, nu in de overeenkomst is opgenomen: ‘onder gelijkblijvende omstandigheden’. Na de invoering van de Wet straffen en beschermen zijn de omstandigheden gewijzigd. In het requisitoir is daarom niet vierentwintig jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, welke met vijftig procent is verminderd tot de uiteindelijke strafeis van tien jaren gevangenisstraf in plaats van twaalf jaren gevangenisstraf. De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat het Openbaar Ministerie daarmee een grotere korting op de strafeis heeft gegeven dan de wet toestaat.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij het aangaan van de overeenkomst in 2017 gold de oude regelgeving die erop neerkwam dat een veroordeelde tot een lange gevangenisstraf in beginsel na het uitzitten van twee derde van zijn gevangenisstraf in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie en [medeverdachte 5] konden bij het aangaan van de overeenkomst geen rekening houden met de gevolgen die de Wet straffen en beschermen zou hebben voor de uitvoering van de aan [medeverdachte 5] op te leggen straf, omdat de invoering van die wet nog onzeker was. De mogelijkheid dat [medeverdachte 5] na de inwerkingtreding van deze wet bij een gelijkblijvende basis-strafeis in een nadeliger positie zou komen te verkeren dan waar hij op grond van de overeenkomst van uit mocht gaan, is wel onder ogen gezien. Hoewel in de overeenkomst alleen gesproken wordt over de basis-strafeis en niet over de netto uit te zitten gevangenisstraf, acht de rechtbank het aannemelijk dat juist de te verwachten netto gevangenisstraf voor [medeverdachte 5] van belang is geweest bij de vraag of hij de overeenkomst wilde aangaan. In die zin is er dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden die tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor [medeverdachte 5] nu anders uitpakt dan hij bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. Gelet op het belang dat opgewekt vertrouwen in beginsel gehonoreerd dient te worden is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie in afwijking van de overeenkomst zijn strafeis ter zitting mocht baseren op een basis-strafeis van twintig jaren gevangenisstraf. De rechtmatigheid van de overeenkomst wordt daardoor ook achteraf niet aangetast.
Het niet vervolgen voor bepaalde zaken en de keuzes bij de tenlastelegging
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leent de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Ditzelfde geldt voor de spiegelbeeldige beslissing om niet te vervolgen. Maatstaf is daarbij of niet geoordeeld kan worden dat een redelijk handelend lid van dat Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien. Het enkele feit dat die vervolgingsbeslissing een criminele getuige betreft maakt niet dat daardoor de beoordelingsmaatstaf verandert.
[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hem enige weken na de poging om [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) te vermoorden door middel van een explosief onder zijn auto bij ’t Kalfje in Amsterdam (de zaak Raspvijl) door [verdachte] en [medeverdachte 11] is gevraagd of hij semtex kon leveren. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat het zijn eigen conclusie was dat dit voor een nieuwe aanslag op [slachtoffer 6] bedoeld zou zijn. [medeverdachte 5] heeft daar toen navraag over gedaan bij een contactpersoon maar daar is het wat semtex betreft bij gebleven – deze is, zo verklaart [medeverdachte 5] , nooit door hem geleverd. Omdat de gesprekken die [medeverdachte 5] stelt te hebben gevoerd pas plaatsgevonden zouden hebben na de bomaanslag bij ’t Kalfje, kan de rechtbank niet inzien hoe dat leidt tot een strafbare rol van [medeverdachte 5] in de zaak Raspvijl. Ook los daarvan is niet onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie heeft afgezien van vervolging, alleen al omdat het in de verklaring van [medeverdachte 5] enkel gaat over gesprekken en steunbewijs ontbreekt.
Voor wat betreft de zaak Zeilboot geldt dat het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het leveren van kentekeninformatie door [medeverdachte 5] op 8 december 2016 onvoldoende is voor een strafbare rol van [medeverdachte 5] bij de moord op [slachtoffer 6] , nu hij vaker kentekeninformatie opvroeg en doorgaf, dit ook gebeurde voor bijvoorbeeld observaties door de politie en hij op dat moment niet wist dat de door hem opgevraagde informatie bedoeld was ten behoeve van de moord op [slachtoffer 6] . Voorts heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat het laten bevragen van kentekens en het doorgeven van die informatie wordt meegewogen in het verwijt van deelname aan de criminele organisatie. De rechtbank acht de beslissing om [medeverdachte 5] niet in de zaak Zeilboot te vervolgen – het dossier in ogenschouw nemend – niet onbegrijpelijk.
Beoordeling
Zij hebben echter – gezien hun verschoningsrecht en het grote maatschappelijke belang van dat verschoningsrecht – wel een bijzondere positie, die maakt dat het Openbaar Ministerie zeer omzichtig te werk moet gaan als een advocaat op enigerlei wijze in een strafrechtelijk onderzoek wordt betrokken. Dit wordt benadrukt in de door het College van procureurs-generaal opgestelde Aanwijzing toepassing dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden bij advocaten (hierna: de Aanwijzing). Deze luidt voor zover hier van belang:
‘De toepassing van opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen tegen advocaten vergt een hoge mate van zorgvuldigheid. (…) Dat betekent niet dat het OM nooit zou mogen overgaan tot het toepassen van dwangmiddelen jegens advocaten. Wel zal in die gevallen waarin het verschoningsrecht (mogelijk) in beeld is, zeer goed acht geslagen moeten worden op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.’
De rechtbank gaat ervan uit dat mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] beroepshalve – en niet privé – de reis naar Dubai hebben gemaakt en dat daarom de Aanwijzing van toepassing is. [medeverdachte 4] stond al enige tijd internationaal gesignaleerd ter aanhouding in verband met het onderzoek Marengo. De officier van justitie belast met de opsporing van [medeverdachte 4] heeft over de ontvangen TCI-informatie contact gehad met de rechercheofficier van justitie en de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket. Er is door hen besloten over te gaan tot de observatie vanwege het grote maatschappelijk belang bij de aanhouding van [medeverdachte 4] en de zeer grote maar vruchteloze opsporingsinzet om hem aan te houden. Meegewogen is dat er op dat moment een grote dreiging uitging van het (vermoedelijke) criminele samenwerkingsverband, terwijl het niet voor de hand lag dat [medeverdachte 4] cliënt was van [advocaat 4] en het doel uitsluitend de aanhouding van [medeverdachte 4] betrof. De observatie zou gedurende een beperkte periode op publiek toegankelijke plekken worden uitgevoerd. Desgevraagd heeft de betreffende officier van justitie op verzoek van de rechtbank een nader proces-verbaal opgemaakt met betrekking tot de mogelijke gevaarzetting voor de betrokken advocaat, waarbij de officier van justitie inzicht biedt in de afweging en ten slotte opmerkt dat er op geen enkel moment aanwijzingen zijn geweest voor enige vorm van concrete gevaarzetting jegens de advocaat.
In het licht van het belang van de opsporing en aanhouding van [medeverdachte 4] acht de rechtbank het op zichzelf niet onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie tot deze afweging is gekomen. Door het enkel observeren van ontmoetingen die advocaten hebben in de publieke ruimte komt hun verschoningsrecht niet onmiddellijk in het gedrang. Anders dan de verdediging van [verdachte] meent volgt uit de beslissing tot de Dubai-observatie niet dat het Openbaar Ministerie – al dan niet uit kwade wil – de pijlen op de advocatuur richt. De rechtbank neemt daarbij aan dat de inzet ook was gevolgd als de TCI-informatie een ontmoeting met een niet-advocaat betrof. In het licht van het enorme belang om [medeverdachte 4] aan te houden – de ernst van de verdenking tegen hem, het gevaar dat hij kennelijk op vrije voeten vormde en de langdurige, vruchteloze inzet van een grote hoeveelheid opsporingscapaciteit – voldoet het initiële besluit om [advocaat 4] te (doen) observeren aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Wel geldt dat in de uitvoering van het besluit om te observeren – los van het ontbreken van het bevel ex artikel 126g Sv – een aantal zaken naar het oordeel van de rechtbank niet goed is gegaan. Waar kennelijk in de afweging van het Openbaar Ministerie is betrokken dat de observatie gedurende een beperkte periode op publiek toegankelijke plekken zou worden uitgevoerd, blijkt niet – althans, voor de rechtbank niet kenbaar – dat dit op deze wijze is gedeeld met de Dubai Police. Dat had wel gemoeten, nu het verzoek om 24-uurs observatie zonder deze beperking veel ruimer door de Dubai Police zou kunnen worden opgevat. Daarnaast geldt dat het verzoek aan de Dubai Police om de man met een bril en een pet die bij de tweede ontmoeting aanwezig was aan te houden terwijl mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] nog aanwezig waren, kennelijk als impulsieve reactie, terugkijkend buitengewoon risicovol was. Niet alleen had, als dit gebeurd was, voor hen ter plekke een gevaarlijke situatie kunnen ontstaan, maar bovendien kan bij iemand die zich al geruime tijd schuilhoudt en die in een dergelijke situatie wordt aangehouden, of bij zijn entourage, (ten onrechte) het idee postvatten dat de advocaten iets met deze aanhouding van doen hebben. De gevolgen van deze onregelmatigheden dienen echter te worden gerelativeerd. De Dubai Police heeft immers alleen de eerder genoemde twee ontmoetingen in de hal van het hotel aan de Nederlandse politie gemeld. Een gedegen verslaglegging van de observaties ontbreekt, maar er zijn geen aanwijzingen dat zij met hun observaties verder in het privéleven van mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] zijn doorgedrongen. Ook geldt dat de Dubai Police zelf heeft besloten om de man met een bril en een pet niet aan te houden, waardoor de hiervoor geschetste mogelijke veiligheidsrisico’s voor mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] zich uiteindelijk niet hebben voorgedaan.
3.4.1.3.2 Conclusie
De conclusie is dat er in de besluitvorming en de uitvoering van de Dubai-observatie fouten zijn gemaakt, die gelukkig zonder gevolgen zijn gebleven. Van een zodanig fundamentele inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat deze de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg zou moeten hebben is echter geen sprake. De rechtbank onderkent wel dat de positie van (strafrecht)advocaten complexer is geworden en dat advocaten zich tegen een inzet zoals de Dubai-observatie onmogelijk of slechts zeer beperkt kunnen verweren. Het is dan ook niet voor niets dat de rechtbank van het Openbaar Ministerie openheid van zaken heeft verlangd en in dit kader getuigenverzoeken heeft gehonoreerd. Op grond van artikel 126g Sv had (het bevel tot) de observatie op schrift dienen te worden gesteld, had dit verantwoord moeten worden in het artikel 565 Sv (oud) BOB-dossier van [medeverdachte 4] en was er een notificatieplicht ten opzichte van [advocaat 4] . Maar los daarvan had het het Openbaar Ministerie gepast dat zij ter toetsing van haar handelen – nu er een inzet op advocaten is geweest – uit eigen beweging de gang van zaken van meet af aan had vastgelegd en de relevante stukken in het dossier had gevoegd. Dat dit niet is gebeurd maakt echter niet dat de gevolgde handelwijze daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt.
Zoals hiervoor is weergegeven hebben de autoriteiten van de VAE recent – op 2 oktober 2023 – in zeer algemene bewoordingen geantwoord op de door de rechtbank geformuleerde en door middel van een rechtshulpverzoek aan hen gestelde gedetailleerde vragen. Dit is teleurstellend en onderstreept het belang van een goede verslaglegging in Nederland. Het leidt echter niet tot een andere conclusie.
Dat de Dubai-observatie grote impact heeft gehad op [advocaat 4] staat voor de rechtbank vast. De stelling dat de verdedigingsrechten van [verdachte] hierdoor zijn geschonden kan de rechtbank echter niet volgen. De observatie had immers niets met hem, de relatie tussen hem en zijn advocaat of zelfs maar zijn zaak te maken. Dat [medeverdachte 4] een van zijn medeverdachten is maakt dat niet anders.
De verweren worden dan ook verworpen.
Conclusie
Gelet op de inhoud stelt de rechtbank vast dat het dossier waarover gesproken wordt het dossier van het onderzoek Koper is.
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
onbekend
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Sir wanneer heb ik u die dossier gegeven? Wanneer bent u neergeschoten welke datum sir?
24 januari 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
00:57
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
“Sorry mr zat in de bioscoop zie nu pas die mailtjes! Ik ben 12 november neer geschoten mr! Waar zag hij die golf in utrecht? Die chino is ergens in de 40 mr!
00:59
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
“Dossier heeft u mij gegeven rond de kerst periode, rond 22 december zo mr!
In dezelfde periode heeft [medeverdachte 4] een foto van [betrokkene 3] , waarover hij op dat moment kennelijk de beschikking had, aan een onbekend gebleven persoon (gebruiker van het PGP-account l774580d6z@ennetcom.com) verzonden.
29 december 2015
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
21:04
[medeverdachte 4]
l774580d6z@
ennetcom.com
Dit is die hond
De rechtbank leidt uit de volgende berichten van [medeverdachte 2] af dat hij met [medeverdachte 4] bespreekt dat [betrokkene 3] (wiens bijnaam immers Slager is) heeft gepraat en dat dit gevolgen moet hebben. [betrokkene 3] is kennelijk onvindbaar. De inhoud van het bericht van 19:24 uur sluit aan bij de verklaringen bij de politie van [betrokkene 3] waarin hij [betrokkene 16] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 4] heeft genoemd. De rechtbank gaat ervan uit dat met ‘book’ [betrokkene 16] wordt bedoeld, want zijn bijnaam is Boek, en dat met ‘kale’ [medeverdachte 11] wordt bedoeld, een van zijn bijnamen is Kale. De rechtbank gaat er verder van uit, gezien het verloop van de berichten wat betreft tijdstip en inhoud, dat [medeverdachte 4] reageert op de berichten van [medeverdachte 2] .
7 januari 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
19:05
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
Gaat over slager toch , met andere woorden ze gaan niks doen met hem
19:12
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
Ok dus iemand lult over ons en dan moeten wij hem met rust laten toch ? Geruststelling of zekerheid ? Die man is snitch , zo werkt dat niet .
19:24
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
Het kan ook zo zijn , dat ze weten hoe u over snitches denkt en die man praat veel over u book kale , dat ze weten die man word toch gepakt !
19:38
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
Niemand kan die slager vinden toch ? Maar hen wel ze hebben hem mishandeld toch een paar dagen ? Dus nu horen ze hem af te geven , want hen weten hem te vinden !
Dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] inderdaad actief met elkaar communiceren wordt bevestigd door latere berichtenwisselingen, waaronder het hieronder genoemde. De rechtbank leidt uit deze berichten af dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] ervan uitgaan dat [betrokkene 3] beschermd wordt en dat degenen die hem beschermen in ieder geval met [medeverdachte 4] bezig zijn.
Dictum
Met betrekking tot de zaak Orinoco – een schietincident op 24 december 2010 waarbij [medeverdachte 5] iemand in zijn been geschoten zou hebben – geldt dat het Openbaar Ministerie van het parket Midden-Nederland eind 2022 heeft beslist dat vervolging van [medeverdachte 5] daarvoor niet opportuun is ‘gezien (onder meer) het tijdsverloop, de recente veroordeling van [medeverdachte 5] voor het wapenbezit en de huidige vervolging van [medeverdachte 5] in 26Marengo, alsmede het feit dat de huidige ernstige problematiek op het gebied van cocaïnehandel en de daarmee gepaard gaande geweldsdelicten al alle focus en capaciteit kosten van politie en justitie Midden-Nederland.’ Een dergelijke beslissing valt niet alleen binnen de beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie heeft, maar kan bovendien – nu deze vijf jaren na het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst pas is genomen – nimmer worden aangemerkt als een (ongeoorloofde) toezegging in het kader van die overeenkomst. Dit zou alleen anders zijn als op voorhand zou zijn toegezegd dat er geen vervolging zou plaatsvinden voor na het sluiten van de overeenkomst opkomende verdenkingen, maar dat daar sprake van is, is gesteld noch gebleken.
Hoewel er – vooral op basis van de eigen verklaringen van [medeverdachte 5] – ontegenzeggelijk aanwijzingen zijn dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan Opiumwetdelicten, valt de beslissing van het Openbaar Ministerie om hem daar niet voor te vervolgen zonder meer binnen de beoordelingsvrijheid die het ten aanzien daarvan heeft. Het opsporingsonderzoek heeft zich immers niet hierop gericht, maar op een groter belang, namelijk een groot aantal moorden en pogingen daartoe, voorbereidingshandelingen voor moorden en een criminele organisatie die zich met moorden bezighield. Die beslissing van het Openbaar Ministerie beoordeelt de rechtbank niet als een ontoelaatbare toezegging.
Voor geen van de door de verdediging genoemde kwesties – het niet vervolgen van [medeverdachte 5] in de zaken Zeilboot/Raspvijl en Orinoco, het niet vervolgen voor Opiumwetdelicten – geldt derhalve dat de door het Openbaar Ministerie genomen beslissingen onbegrijpelijk zijn en buiten de beoordelingsvrijheid vallen die het Openbaar Ministerie toekomt. Dit geldt ook voor de (andere) keuzes die het Openbaar Ministerie gemaakt heeft bij het opstellen van de tenlasteleggingen. De keuze om [medeverdachte 5] in de zaak Roos/Doorn alleen in de subsidiaire variant voor voorbereiding van de moord op [betrokkene 4] te vervolgen is – nu hij na de (vergis)moord op [slachtoffer 2] is gestopt met die voorbereidingen – niet onbegrijpelijk. Dit geldt ook voor de keuze om hem in de zaak Kreta niet te vervolgen voor voorbereiding van moord op [betrokkene 3] en de [betrokkenen 1 en 2] , nu hij over de zaak Kreta uitgebreide verklaringen heeft afgelegd en het zwaartepunt van zijn voorbereidingshandelingen duidelijk lag bij [slachtoffer 1] . Dat het Openbaar Ministerie hierover – in strijd met het in artikel 5 lid 1 en 2 van de Aanwijzing verwoorde immuniteitsverbod – toezeggingen heeft gedaan aan dan wel afspraken heeft gemaakt met [medeverdachte 5] , is bovendien gesteld noch aannemelijk geworden.
Begunstiging levenspartner [medeverdachte 5] ?
De verdediging stelt dat uit de berichten in de hiervoor genoemde iPhone blijkt dat de levenspartner van [medeverdachte 5] spreekt over maandelijkse toelagen, gelden die verborgen werden, een huis in Marokko dat zou worden gekocht en een auto, waarbij er ontevredenheid is over de auto. Dit zijn financiële voordelen voor de levenspartner die in strijd zijn met artikel 5 lid 7 van de Aanwijzing, aldus de verdediging.
Vast staat dat de partner van [medeverdachte 5] – door buiten haarzelf liggende omstandigheden – uit haar normale leven is weggerukt en in een beveiligingsprogramma terecht is gekomen. Dat de situatie waarin zij verkeert met zich kan brengen dat zij van de overheid een toelage en bepaalde voorzieningen krijgt, wekt geen bevreemding. De berichten waar de verdediging op wijst bieden geen ondersteuning voor de stelling dat er daarbij sprake zou zijn van een verboden toezegging aan [medeverdachte 5] door het begunstigen van zijn levenspartner.
Ongemoeid laten van financieel voordeel (uit drugshandel, liquidaties, chantage en witwaspraktijken)?
De verdediging stelt dat [medeverdachte 5] niet geconfronteerd is met een ontnemingsvordering en dat hij geen vragen hoefde te beantwoorden over drugshandel, zijn financiële voordeel en zijn – uit de berichten in de iPhone naar voren komende – chantage- en afpersingspraktijken. De verdediging verzuimt echter te onderbouwen waarom dit op een ongeoorloofde toezegging aan de kroongetuige zou wijzen. Op grond van de kroongetuigenovereenkomst is het duidelijk waarover [medeverdachte 5] verplicht is te verklaren. Ten aanzien van ander (vermeend) strafbaar handelen dan de dealfeiten heeft hij geen verklaringsplicht. Over eventueel financieel voordeel dat hij gehad heeft als gevolg van de dealfeiten is hij op grond van de overeenkomst wél verplicht te verklaren. De rechtbank constateert dat hij dat ook gedaan heeft en dat het enige financiële voordeel dat hij – naar eigen zeggen – heeft gehad € 5.000,- was voor zijn rol in de zaak Tennis. De keuze om ten aanzien van dit bedrag af te zien van een ontnemingsvordering past – gezien de hoogte van het bedrag, afgezet tegen de aard en de omvang van de verdenkingen waarvoor [medeverdachte 5] wel vervolgd wordt – binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie toekomt. Van een beslissing die zo onbegrijpelijk is dat deze moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen is geen sprake.
Is de bepaling in artikel 4.2 van de overeenkomst een ongeoorloofde toezegging?
Artikel 4.2 van de kroongetuigenovereenkomst luidt als volgt:
‘Zover de officier van justitie van mening is dat sprake is van de onder 4.1 sub a genoemde omstandigheid, zal hij zulks aangeven bij de raadsman van de getuige alsmede de getuige zelf en de getuige in staat stellen om binnen een redelijke termijn alsnog de voorwaarde uit de overeenkomst na te komen.’
Dit artikel verwijst naar het in artikel 4.1 sub a van de overeenkomst geformuleerde recht van de officier van justitie om deze schriftelijk te ontbinden in het geval dat de getuige enige voorwaarde uit de overeenkomst niet, niet volledig of niet naar behoren nakomt. De stelling van de verdediging dat er een extra begunstiging zit in deze bepaling kan de rechtbank niet volgen.
De verplichtingen van [medeverdachte 5] zijn in de overeenkomst als volgt omschreven:
1.1
De getuige verplicht zich vanaf de datum van ondertekening van deze overeenkomst telkens overeenkomstig de hem door of vanwege het College van Procureurs-Generaal of de officier van justitie gegeven aanwijzingen onvoorwaardelijk zijn medewerking te verlenen aan het afleggen van (nadere) verklaringen tegenover leden van het Openbaar Ministerie of door of vanwege de officier van justitie aangewezen ambtenaren als bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering. De verplichting tot het afleggen van deze (nadere) verklaringen heeft betrekking op de misdrijven die worden beschreven in de (kluis)verklaringen die als bijlage bij deze overeenkomst zijn gevoegd.
Beoordeling
3.4.2 26
Koper-beschuldigingen aan adres verdediging [verdachte]
De verdediging voert aan dat met het zogenoemde 26Koper proces-verbaal en de toelichting van het Openbaar Ministerie op de zitting van 11 augustus 2020 de verdediging willens en wetens (nog verder) is geschaad. Niet alleen is dit proces-verbaal gelekt waardoor media raadslieden onder meer hebben neergezet als ‘loopjongens van de Mocromaffia’, het Openbaar Ministerie heeft ook bepaalde raadslieden, in het bijzonder van het kantoor van de verdediging van [verdachte] , geplaatst in het frame van ‘organisatieadvocaten’ en daarmee dus ook deze verdediging zelf. Er bestond geen enkel belang bij verificatie van verklaringen van [medeverdachte 5] over advocaten. De verdediging voert aan dat deze niet over de ten laste gelegde feiten gaan en daarnaast dat zijn redenen van wetenschap in geen geval zijn gebaseerd op zijn eigen waarneming. De conclusie dient hier te zijn dat slechts één doel werd nagestreefd en dat is het beschadigen van de reputatie van de raadslieden en daarmee ook het beschadigen van de verdedigingsbelangen van [verdachte] .
De rechtbank overweegt als volgt. In haar beslissing van 29 september 2020 heeft de rechtbank al geoordeeld dat het opmaken van het 26Koper proces-verbaal en de voeging daarvan in het zaaksdossier Marengo niet onbegrijpelijk is. Daar blijft de rechtbank bij. Het Openbaar Ministerie beschouwt de zaak Koper immers als aanloop naar een aantal liquidaties waarvan verdachten in de zaak Marengo worden vervolgd, [medeverdachte 5] heeft kluisverklaringen afgelegd over de zaak Koper en het proces-verbaal geeft inzicht in de wijze waarop de deelnemers aan het criminele samenwerkingsverband rondom [medeverdachte 4] aan voor hen relevante informatie wilden komen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat gekozen had kunnen worden voor een andere, voor een aantal advocaten minder beschadigende, wijze van verslaglegging. Voor de wijze van berichtgeving in de media zijn uiteindelijk die media verantwoordelijk. Dat een aantal advocaten die in het onderzoek Koper betrokken waren hinder van de mediaberichten heeft ondervonden wil de rechtbank aannemen. Dit betrof echter niet in de eerste plaats de raadslieden van [verdachte] . De rechtbank acht het los daarvan niet aannemelijk dat het Openbaar Ministerie dit verificatieonderzoek heeft laten uitvoeren en het 26Koper proces-verbaal heeft laten opmaken met als doel de reputatie van een aantal advocaten – en daarmee de verdedigingsbelangen van [verdachte] – te beschadigen. Er was immers een legitiem onderzoeksbelang bij het opmaken en voegen van dit verificatie-proces-verbaal. De nadere onderbouwing bij pleidooi leidt niet tot een ander oordeel.
3.4.3
Beschuldigingen rechters-commissarissen aan adres verdediging [verdachte]
Naar aanleiding van een tweetal beschuldigingen door twee betrokken rechters-commissarissen aan het adres van de raadsman heeft een wrakingsincident plaatsgevonden. De beschuldigingen luiden als volgt: “De rechter-commissaris moet nu met verbijstering constateren dat de raadsman, zonder enige noodzaak, daar immers zonder enige verwarring de aanduiding ‘partner van‘ kan worden gebruikt, de naam van deze persoon toch weer volledig uitschrijft. Dit geeft niet alleen blijk van een volstrekt gebrek aan respect voor de beslissingen van de rechter-commissaris, maar ook voor de veiligheidsbelangen van deze persoon en haar naasten.” Het verwijt dat de verdediging het Openbaar Ministerie maakt is dat zowel bij de rechters-commissarissen op 18 maart 2020 als bij de zitting in de wrakingsprocedure het Openbaar Ministerie heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de bewuste twee beschuldigingen en ook dat heeft een schadelijk effect voor de verdedigingsbelangen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting van 27 augustus 2020 heeft de verdediging al aangevoerd dat deze beschuldigingen, samen met de Dubai-observatie en het 26Koper proces-verbaal, moeten zijn ingegeven door een door het Openbaar Ministerie gecreëerd (kwalijk) frame van de raadslieden. De verdediging heeft indertijd gesteld dat er van de zijde van het Openbaar Ministerie sprake is van een bewuste, gecoördineerde beschadigingsactie gericht op de integriteit van de verdediging, om de aandacht af te leiden van de grote problemen waarin [medeverdachte 5] is komen te verkeren. In de eerder genoemde beslissing van de rechtbank is overwogen dat argumenten daarvoor bezwaarlijk gehaald kunnen worden uit een beslissing van een rechter-commissaris. In de wrakingsprocedure is geoordeeld dat van vooringenomenheid bij de rechters-commissarissen niet is gebleken. De rechtbank ziet niet in dat het Openbaar Ministerie het bij de twee genoemde gelegenheden niet vrij zou staan zich uit te laten in de door de verdediging genoemde zin. De stelling dat dit een schadelijk effect zou hebben op de verdedigingsbelangen, wordt dan ook verworpen.
3.4.4
Overige beperkingen en schendingen verdedigingsbelangen
3.4.4.1 Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naast de bovengenoemde omstandigheden – die zien op de vrijheid en integriteit van de verdediging – enkele andere (de verdediging belemmerende) omstandigheden aangevoerd die in haar ogen maken dat het proces in eerste aanleg in de zaak van [verdachte] niet eerlijk is geweest. Zij voert daartoe het volgende aan.
Te lang moeten wachten op horen kroongetuige
In maart 2018 was er in de zaak van [verdachte] al sprake van het inbrengen van de – jegens hem bezwarende – verklaringen van [medeverdachte 5] . Ondanks herhaalde verzoeken daartoe heeft de verdediging [medeverdachte 5] pas voor het eerst in juli 2019 kort op de zitting kunnen horen en pas vanaf medio januari 2020 bij de rechter-commissaris. De verdediging heeft aldus bijna twee jaren moeten wachten voordat het ondervragingsrecht kon worden uitgeoefend, terwijl [verdachte] zich wel in voorlopige hechtenis bevond (mede) op basis van de (recherche)verklaringen van [medeverdachte 5] . Daarnaast is ook sprake van onherstelbare schade vanwege het verstrijken van de tijd en de negatieve invloed daarvan op het geheugen van [medeverdachte 5] . Bovendien heeft hij op deze manier de gelegenheid gekregen zich voor te bereiden op de verhoren door de verdediging en de rechters, zijn verklaringen aan te passen en af te stemmen op de inhoud van het dossier en naslag via internet kunnen doen. Het Openbaar Ministerie heeft niet steekhoudend kunnen onderbouwen waarom de verdediging zo lang heeft moeten wachten en daarom kan maar aan één reden worden gedacht en dat is de verdediging op ongeoorloofde achterstand brengen.
Weigerachtigheid verklaren kroongetuige
[medeverdachte 5] heeft meermaals en langdurig geweigerd te verklaren. Nadat hij – na de moord op [advocaat 1] – een nieuwe raadsman had gevonden konden de verhoren bij de rechter-commissaris beginnen. Vanaf maart 2020 ontstonden perikelen nadat [medeverdachte 5] de wens had opgevat om [vertrouwenspersoon] als vertrouwenspersoon te hebben. Vervolgens heeft [medeverdachte 5] vanaf eind mei 2021 geweigerd op de zitting te verklaren in verband met onenigheid met het Openbaar Ministerie over veiligheidsmaatregelen. In juni 2021 zijn de verhoren op de zitting niet doorgegaan met als reden voor zijn weigering (ongespecificeerde) gezondheidsproblemen. In deze periode was het juist de bedoeling [medeverdachte 5] te ondervragen over de iPhone-chats. De weigeringen van [medeverdachte 5] zijn in strijd met zijn verklaringsplicht op grond van zijn overeenkomst met de Staat.
Conclusie
[medeverdachte 4] vindt dat ‘we’ (de rechtbank begrijpt: in ieder geval [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ) informatie over deze personen moeten verzamelen met de bedoeling toe te kunnen slaan.
9 januari 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
15:23
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
Dit hadden we nooit verwacht toch ? Dat die gangster [medeverdachte 10] die slager zou beschermen ! Ik denk die gasten zijn bezig met u of ons !
15:25
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
Ja met my 100000% sir 100000% en u moet ook even weg gewoon relax want die gasten zyn vieze mensen sir moeten alles weten over ze dan weten we hoe we ze toe moeten slaan
Uit de navolgende berichten van 11 januari 2016 blijkt dat [medeverdachte 11] (bijgenaamd: Steen of Kerdas) [medeverdachte 4] op de hoogte houdt van de verblijfplaats van [slachtoffer 1] , [betrokkene 1] en twee andere personen. [medeverdachte 4] informeert [medeverdachte 2] daarover. [medeverdachte 2] vermoedt dat [betrokkene 3] daar dan ook zal zijn. [medeverdachte 4] bevestigt dat [betrokkene 3] de dag ervoor ‘mocro’ (de rechtbank begrijpt: Marokko) in is geweest. Hieruit blijkt dat [medeverdachte 4] op de hoogte is van bewegingen van [betrokkene 3] . De rechtbank gaat ervan uit dat, gelet op de inhoud van het doorgestuurde bericht met tijdsaanduiding 18:28 uur, het proces-verbaal waar [medeverdachte 11] het over heeft een proces-verbaal uit het onderzoek Koper betreft. Dat dossier is eind december 2015 verspreid ten behoeve van de pro formazitting van 14 januari 2016. Uit het bericht van 17:51 uur blijkt dat [medeverdachte 4] er al voor deze zitting van op de hoogte is dat door [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] verklaringen zijn afgelegd en uit de eerder genoemde communicatie met [medeverdachte 2] op 7 januari 2016 geldt ditzelfde ten aanzien van [betrokkene 3] . De rechtbank maakt uit deze communicatie ook op dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] er (steeds meer) van uit gaan dat zij door een andere groep, waar [betrokkene 3] , [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] deel van uitmaken, als vijanden worden beschouwd en dat deze andere groep er mogelijk op uit is hen (de rechtbank begrijpt: in ieder geval [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] ) te doden.
11 januari 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
17:30
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
"Salam sir alles goed Onder
------Origineel bericht------
Van: Steen
Aan: Eigen/own
Onderwerp:
Verzonden: 11 Jan 2016 18:28
Salam broetje die [slachtoffer 1] plus twee yogos en die [betrokkene 1] die in procesverbaal voorkomt zijn in tanger
17:31
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
"Ok wat doen ze daar ? Denk ik dat die slager ook wel daar zal zijn .
17:34
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
“Onder dit zei ik of ze zyn bezig ja die slager is gisteren mocro in geweest
------Origineel bericht------
Aan: Steen
Onderwerp:
Verzonden: 11 Jan 2016 18:34
Die mensen zyn vies broer hy weet [medeverdachte 10] is u vriend en hy het tegen u gaat zeggen deze mensen zyn aan het schaken !
17:40
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
"Ja zo wie zo en ze weten kerdas is vriend van [medeverdachte 10] ! Kerdas zegt net ja [slachtoffer 1] heeft [medeverdachte 10] gebelt als die hersens heeft doet ie express hy weet [medeverdachte 10] gaat tegen kale zeggen en kale tegen ons begryp je nu waarom ik zeg zyn aan het schaken
17:43
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
"Zo is het en niet anders , maar ze laten zo wel merken ook al is slager snitch ze zijn met hem ? Dus zijn ze aan het uitdagen dus .
17:44
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
“Deze gaan zeker wat proberen sir want ze weten wy laten geen snitch gaan begrypt u gewoon valse info doorgeven niks anders [slachtoffer 1] gaat helemaal uit tanger [medeverdachte 10] bellen en zeggen ja ben hier met die en die in tanger zelfs een mongool weet is bullshit
17:50
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
"Er klopt iets niet zker niet , maar het zou goed kunnen , dat die yoegos ook verklaring hebben afgelegd zit ik nu te denken
17:51
Dictum
1.2
Een zelfde verplichting als onder 1.1 genoemd bestaat ten aanzien van het afleggen van getuigenverklaringen tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement en/of de strafkamer van enige rechtbank en/of de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig ressort en/of de strafkamer van enig gerechtshof in het kader van de strafrechtelijke vervolging, waaronder begrepen het op naam en zonder vermomming afleggen van verklaringen in een openbare terechtzitting, tenzij het Openbaar Ministerie vermomming noodzakelijk acht.
1.3
De getuige zal bij gelegenheid van de hiervoor onder 1.1 en/of 1.2 genoemde verhoren niet weigeren te verklaren over zijn eigen (al dan niet strafrechtelijk relevante) betrokkenheid bij de feiten die worden genoemd in de (kluis)verklaringen zoals neergelegd in de bijgevoegde processen-verbaal. Hij zal zijn verklaringen zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid afleggen. De getuige doet afstand van het hem als verdachte toekomende verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Wetboek van Strafvordering. Met betrekking tot onderwerpen die niet worden genoemd in de (kluis)verklaringen geldt het verschoningsrecht van de getuige onverkort.
1.4
De getuige verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dat de inhoud van zijn (kluis)verklaringen, zoals deze blijkt uit bijgevoegde processen-verbaal naar zijn beste weten volledig op waarheid berust.
1.5
De getuige zal vanaf het moment van ondertekening van deze overeenkomst, behoudens het onder 1.6 gestelde, op geen enkele wijze tegenover derden, met uitzondering van zijn raadsman, zijn partner en zijn naaste familie, melding maken van deze overeenkomst en de (inhoud van) de daarin bedoelde verklaringen.
1.6
De getuige zal rechtstreeks noch door middel van een derde, onder wie zijn raadslieden, anders dan tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement en/of de raadsheer- commissaris in enig resort en/of in een (openbare) terechtzitting van de strafkamer van enige rechtbank of gerechtshof, dan wel ingevolge enige (andere) wettelijke verplichting, mededeling doen over de totstandkoming van deze overeenkomst en de wijze waarop aan deze overeenkomst uitvoering wordt gegeven. De getuige zal geen mededeling doen over (aspecten van) getuigenbescherming(smaatregelen).
Slechts bij de eerste drie verplichtingen – het onvoorwaardelijk zijn medewerking verlenen aan het afleggen van nadere verklaringen over de dealfeiten tegenover de recherche (1.1), tegenover rechters (1.2) en het bij die verhoren niet mogen weigeren te verklaren over zijn eigen betrokkenheid bij de dealfeiten en het zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaren (1.3) – is het niet, niet volledig of niet naar behoren nakomen herstelbaar. Bij niet-nakoming van de overige verplichtingen, waarbij met name de onder 1.4 opgenomen verplichting voor [medeverdachte 5] dat de inhoud van zijn (kluis)verklaringen naar zijn beste weten volledig op waarheid berust in het oog springt, is niet-nakoming onherstelbaar. Naar haar aard kan een bepaling als artikel 4.2 slechts betrekking hebben op herstelbaar niet nakomen. Echter, ook zonder deze bepaling vloeit uit de artikelen 6:265 jo. 6:82 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voort dat bij dergelijk niet nakomen pas tot ontbinding van de overeenkomst kan worden overgegaan nadat de schuldenaar een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen die termijn uitblijft. Een dergelijke contractsbepaling voegt dus niets toe. De stelling van de verdediging dat artikel 4.2 een vrijbrief is om te liegen en daarmee een ongeoorloofde toezegging van het Openbaar Ministerie, is derhalve onjuist.
3.2.4.3 Samenvatting en conclusie
Uit het hiervoor besprokene volgt dat de kroongetuigenregeling niet onjuist is toegepast door het Openbaar Ministerie en dat er geen aanwijzingen zijn dat aan [medeverdachte 5] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Daarbij geldt dat de overeenkomst met [medeverdachte 5] betrekking heeft op feiten als bedoeld in artikel 226g Sv en het Openbaar Ministerie het naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [medeverdachte 5] te komen. Hij kon immers verklaren over een aantal voltooide en mislukte liquidaties waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen behelsden bovendien de vermeende opdrachtgever en het middenkader, die tot op dat moment niet of nauwelijks in beeld waren bij justitie. Door de verklaringen van [medeverdachte 5] kon zicht worden verkregen op een nog actieve criminele organisatie (zie hoofdstuk 4.4 Zaaksdossier 140 Sr (criminele organisatie)) die (mede) als oogmerk had het plegen van moorden, die tot dan toe onder de radar was gebleven. Ook in onderling verband en samenhang bezien is er geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of het uitsluiten van de verklaringen van [medeverdachte 5] van het bewijs op die grond niet slagen.
3.2.5
Betrouwbaarheid van de kroongetuige
3.2.5.1 Verweer van de verdediging
Kern van het verweer van de verdediging is de stelling dat uit de bewoordingen van de wet en de Aanwijzing voortvloeit dat niet alleen de verklaringen van de kroongetuige op betrouwbaarheid dienen te worden beoordeeld, maar ook de persoon van de kroongetuige.
Daarbij heeft de verdediging in de eerste plaats gewezen op getuigen die [medeverdachte 5] omschrijven als een (pathologische) leugenaar. Ook wijst de verdediging op de wijze waarop [medeverdachte 5] (volgens de verdediging) overkomt als hij door rechters verhoord wordt (snel pratend, op het eerste oog betrouwbaar, maar ijskoud en zonder spijt) en het beeld dat opstijgt uit zijn iPhone-berichten (een nare houding naar zijn familie inzake getuigenbescherming, een schaker, een manipulator, ijskoud, iemand die aangeeft een boef te blijven, iemand die zich diffamerend uitlaat over de medewerkers van het Team Getuigenbescherming (TGB) en die het onderste uit de kan wil). Het beeld dat volgens de verdediging blijft hangen is een kroongetuige die enkel oog heeft voor zijn eigen belang, die zich superieur voelt, meedogenloos (over de ruggen van derden) en manipulatief is, die volgens eigen zeggen altijd crimineel zal blijven en die bereid is tot leugens voor eigen bestwil. Daarnaast heeft de verdediging zich uitgeput in het fileren van de vele verklaringen van de kroongetuige en daarbij gewezen op vele inconsistenties, ongerijmdheden dan wel onwaarschijnlijkheden, speculaties en – in haar ogen – kennelijke leugens in deze verklaringen. De conclusie van de verdediging is dat de kroongetuige niet betrouwbaar is en dat zijn verklaringen op vele punten onwaar zijn en daarom niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.
3.2.5.2 Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij een crimineel is, en dat blijkt ook uit het dossier. Ook heeft hij tijdens het proces onder ede tegenover de rechtbank gelogen over de telefoons die hij in zijn cel heeft gehad en heeft hij lange tijd gewacht met het beantwoorden van bepaalde vragen, terwijl duidelijk was dat hij die vragen wel moest beantwoorden. [medeverdachte 5] heeft nadien telkens uitleg gegeven over zijn beweegredenen voor zijn handelen tijdens die verhoren. Wat hier ook allemaal van zij – voor de beoordeling door de rechtbank is het uiteindelijk niet relevant.
Beoordeling
Het Openbaar Ministerie wordt het verwijt gemaakt hiertegen niet te zijn opgetreden, terwijl dit wel mogelijk was, bijvoorbeeld door (vordering tot) gijzeling en vervolging ex artikel 192 lid 2 Sr. Daarnaast heeft [medeverdachte 5] geweigerd bepaalde specifieke vragen te beantwoorden met misbruik van het argument van veiligheid. Als voorbeelden worden genoemd het niet beantwoorden van vragen over zijn mogelijkheden tot internetgebruik tijdens detentie en het niet noemen van de namen van twee personen (die volgens [medeverdachte 5] door [verdachte] benaderd zouden zijn in relatie tot de liquidatie van [slachtoffer 1] ) in de zaak Kreta tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris. Dit moet het Openbaar Ministerie worden aangerekend omdat het wederom niet adequaat tegen de weigeringen is opgetreden.
Weigering horen partner kroongetuige inzake relatie tussen [verdachte] en de kroongetuige
De verdediging heeft met dit verhoor de onaannemelijkheid van de – door [medeverdachte 5] gestelde – vertrouwensrelatie tussen hem en [verdachte] willen aantonen. De verdediging heeft ten onrechte hiervoor geen ruimte gekregen van de rechters-commissarissen en de rechtbank. Dit klemt temeer omdat de rechters-commissarissen op 12 mei 2022 – kort voor het requisitoir – tijdens een verhoor in de zaak van [medeverdachte 5] hieromtrent wel vragen hebben gesteld aan deze getuige. Er is met twee maten gemeten. De rechters-commissarissen zijn tijdens dit verhoor ook meegegaan in een door het Openbaar Ministerie gesteld, maar te beperkt, kader voor de vraagstelling aan de partner van [medeverdachte 5] . De beslissing van de rechtbank over het horen van de partner van [medeverdachte 5] over ‘telefoons (mogelijk) in de cel van verdachte [medeverdachte 5] in 2017’ is op instigatie van het Openbaar Ministerie versmald ‘tot de tweede PGP-telefoon en december 2017’. Het bewuste proces-verbaal van verhoor in de zaak van [medeverdachte 5] is gevoegd in het dossier van [verdachte] en is daarmee van belang voor hem. Het betreffende verhoor is bovendien door het Openbaar Ministerie in het requisitoir aangehaald, juist waar het gaat over de beweerde vertrouwensrelatie. Het Openbaar Ministerie heeft de verdediging belemmerd om aan de hand van bevraging van deze getuige de beweerde relatie tussen [medeverdachte 5] en [verdachte] te kunnen betwisten alsmede de daarop gebaseerde beschuldigingen van [medeverdachte 5] aan het adres van [verdachte] .
Belemmeren zicht op onderzoek Amazone
Tijdens het verhoor van [medeverdachte 5] op de zitting in juli 2019 heeft hij het gebruik van een tweede PGP-toestel tijdens detentie verzwegen, hetgeen aanleiding was voor [verdachte] om op 22 oktober 2019 te verklaren over een tweede toestel. Daarmee had [medeverdachte 5] PGP-contact met [verdachte] en heeft hij hem naar een plek gedirigeerd waar vervolgens een aanslag op zijn leven heeft plaats gevonden. Het onderzoek Amazone betreft deze aanslag op [verdachte] op 17 december 2017. Het Openbaar Ministerie volgt de ongeloofwaardige lezing van [medeverdachte 5] en niet de geloofwaardige verklaring van [verdachte] . Daaruit blijkt een disbalans voor wat betreft het onderzoek Amazone en het selectief inbrengen van onderzoeksresultaten uit die zaak. Het Openbaar Ministerie heeft vrijelijk uit dit dossier kunnen selecteren terwijl de verdediging ondanks vele verzoeken daartoe slechts een zeer beperkt deel van het dossier Amazone heeft kunnen zien.
Belemmeren zicht op onderzoek Orinoco
Het voorgaande geldt volgens de verdediging ook voor het onderzoek Orinoco, betreffende een incident op een woonwagenkamp in Overvecht eind 2010 waarbij [medeverdachte 5] op een persoon heeft geschoten. Hierover heeft [verdachte] op 22 oktober 2019 verklaard, terwijl [medeverdachte 5] hierover tot dan toe had gezwegen. Bij een politieverhoor heeft hij het nadien wel bekend. Het Openbaar Ministerie ontnam aanvankelijk het zicht op de afdoening van deze zaak. Nu inmiddels duidelijk is dat [medeverdachte 5] niet vervolgd wordt voor dit feit, kan gesproken worden van een extra ongeoorloofde prestatie van de Staat aan [medeverdachte 5] .
Gebrekkige verificatie/falsificatie verklaringen kroongetuige
Ten onrechte is de focus van dit onderzoek hoofdzakelijk gericht op verificatie en niet op falsificatie van de verklaringen van [medeverdachte 5] .
Belemmeren onderzoek naar PGP-berichten
Het Openbaar Ministerie heeft zich telkens verzet tegen de vele verzoeken om inzage in de totale ‘bak’ aan PGP-berichten door de verdediging en [verdachte] , om daar zelf onderzoek naar te kunnen doen. In de periode dat [verdachte] in de EBI verbleef is het hem niet toegestaan zelfstandig op zijn cel de PGP-berichten op een laptop te doorzoeken. Er is alleen de mogelijkheid geboden om met twee laptops, een voor [verdachte] en een voor de raadsman, tegelijk de PGP-berichten te doorzoeken tijdens bezoek van de raadsman. Het enige doel dat daarmee gediend kon worden was het belemmeren van de verdedigingsmogelijkheden. Het kunnen beschikken over de berichten van de aan [verdachte] toegeschreven PGP-lijnen op een laptop is onvoldoende om adequaat onderzoek te doen. In de zaak Bosnië/Brandberg heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het verdedigingsbelang hierbij onderkend; in die zaak konden de verdediging en de verdachte zelf wel beschikken over de gehele dataset. Het Openbaar Ministerie heeft door deze belemmeringen de verdedigingsbelangen in ernstige mate geschaad en het beginsel van gelijkheid der wapenen geschonden. Daarmee zijn de belemmeringen in strijd met een eerlijk proces.
Belemmeringen inzake EBI
De verdediging voert aan dat zij sinds oktober 2021 tijdens bezoeken aan [verdachte] in de EBI het eigen digitale verdedigingsdossier niet meer mocht meenemen. Deze EBI-belemmeringen hebben circa driekwart jaar geduurd, totdat [verdachte] naar een andere inrichting is overgeplaatst. De verdediging heeft meermaals gevraagd hier verandering in te brengen en verwijt het zaaks-Openbaar Ministerie zich nimmer zichtbaar te hebben ingespannen om deze weg te nemen, terwijl daar mogelijkheden voor waren. Daarmee zijn verdedigingsbelangen onherstelbaar geschaad.
Ongelijkheid vervolgingen [verdachte] en kroongetuige
Aan de hand van een analyse van de verklaringen van [medeverdachte 5] voert de raadsman aan dat er een grote ongelijkheid in vervolgingen is tussen [medeverdachte 5] en [verdachte] . Zo wordt [medeverdachte 5] voor een aantal feiten niet vervolgd, terwijl daar wel voldoende bewijs voor is. [medeverdachte 5] is bij de (voorgenomen) moorden aanzienlijk meer actief geweest. Het verschil in strafeisen is dan ook onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor het standpunt van het Openbaar Ministerie dat [medeverdachte 5] er op mocht vertrouwen dat het oude v.i.-regime zou gelden, terwijl het Openbaar Ministerie zich ertegen verzet dat dit in de zaak van [verdachte] gebeurt. Daarbij komt nog de ongelijkheid in de door het Openbaar Ministerie gebezigde bewoordingen bij de motivering van de strafeisen, waarbij bij [verdachte] steeds strafverzwarende duidingen zijn gebruikt en dit bij [medeverdachte 5] niet is gedaan.
Conclusie
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
"Ja zeker die [slachtoffer 1] en die chino hele groep sir
17:53
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
"Ok dan begin ik het te begrijpen , voor hen is dit niet snitchen , ze zien ons als vijanden , dus mogen zeggen wat ze willen tegen scotu (zogenaamd voor hen veiligheid )
17:54
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
"Juist hun denken ingedekt dus als ze ons nu laten slapen dan is het uit zelfverdediging sir is een hele plan dit
Tijdens de pro formazitting in de zaak Koper heeft [medeverdachte 3] (bijgenaamd: Piet) de navolgende berichten, waarin door [medeverdachte 15] die hij in zijn telefoon heeft opgeslagen als Brada Bril, verslag wordt gedaan van die zitting, doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [slachtoffer 1] zijn daar – mede – onderwerp van gesprek.
14 januari 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
10:12
[medeverdachte 3]
[medeverdachte 4]
Ja vrouw van boek en jongste zwager zitten bij de rechtzaak op het moment hij houdt mij op de hoogte ik zou u mailen..De eerste lichting zit bril en zn mattie( naam box fieten). [betrokkene 20] is er niet bij.Ze hebben het erover hoe betrouwbaar die verklaring van die [slachtoffer 5] en [betrokkene 3] is.Uw naam is niet gevallen nog..officier is boos ze lopen te flippen waarom iedereen zwijgrecht doet en hoe panorama aan info komt
10:21:00
[medeverdachte 3]
[medeverdachte 4]
------Origineel bericht------
Van: Brada bril
Aan: Eigen/own
Onderwerp:
Verzonden: 14 Jan 2016 10:13
Getuige!! Zijn die mannen wie op sd kaart te zien zijn!! Ze willen hun bij commasaris horen
10:21:43
[medeverdachte 3]
[medeverdachte 4]
-----Origineel bericht-----
Van: Brada bril
Aan: Eigen/own
Onderwerp: Re:
Verzonden: 14 Jan 2016 10:17
Nee sir niet nu!! Die gasten die ze hebbe laten zien op opsporing!! [betrokkene 3] [betrokkene 1] [slachtoffer 1] [slachtoffer 5] [betrokkene 21] en nog eentje die is opgenomen op de tel!!
-----Origineel bericht-----
Van: Piet
Aan: Eigen/own
Onderwerp:
Verzonden: 14 Jan 2016 10:15
Komen de getuige nu?wie willen ze bij commesaris horen?
Het verloop van de pro formazitting van 14 januari 2016 wordt door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] op 15 januari 2016 besproken, zoals blijkt uit onder andere onderstaande berichten. Uit deze berichten blijkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bespreken dat [slachtoffer 1] (die yoego), [betrokkene 1] (chino) en [betrokkene 3] (slager) als getuigen zullen worden gehoord in het onderzoek Koper. De reactie van [medeverdachte 2] komt er op neer dat hij vindt dat een aantal mensen (de rechtbank neemt aan: in ieder geval de genoemde mensen) gedood moeten worden (gaan slapen). [medeverdachte 4] vindt dat hij en [medeverdachte 2] goed met elkaar moeten praten want het is nu een echte oorlog, zij zijn vogelvrij verklaard en dat vraagt om een (re)actie. Later deze dag spreken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] weer over de getuigen, waaronder [slachtoffer 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] .
Dictum
Waar het om gaat is of de verklaringen die [medeverdachte 5] over de dealfeiten heeft afgelegd betrouwbaar zijn. Het is niet aan de rechtbank om een oordeel te geven over het karakter of de rechtschapenheid (of het gebrek daaraan) van de persoon [medeverdachte 5] . Kennisname door de rechtbank en de procespartijen van een (al dan niet bestaand) psychologisch rapport dat (in een ander kader dan het kader van zijn strafzaak) over [medeverdachte 5] zou zijn opgemaakt acht de rechtbank daarom niet relevant. [medeverdachte 5] is een criminele getuige. Dat gegeven en de omstandigheid dat hij zelf van (betrokkenheid bij) zeer ernstige strafbare feiten wordt verdacht en het Openbaar Ministerie met hem een verklaringsovereenkomst heeft gesloten in ruil voor strafvermindering, noopt bij gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs uiteraard tot behoedzaamheid. De in artikel 360 lid 2 Sv geformuleerde opdracht van de wetgever aan de rechter om in dat geval daarvoor in het bijzonder reden te geven is ingegeven door het aan de figuur van de kroongetuige verbonden risico. Immers, de voordelen die de kroongetuige uit hoofde van de met hem gemaakte afspraken (kunnen) toevallen bergen het risico in zich dat die getuige kan menen er voordeel bij te hebben om in meer of mindere mate niet naar waarheid te verklaren.
Los van het bovenstaande geldt dat de rechter op grond van artikel 344a lid 4 Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan aannemen op grond van verklaringen van (kort gezegd) kroongetuigen. Die bepaling verzet zich er echter niet tegen dat de bewezenverklaring in beslissende mate wordt aangenomen op grond van de verklaring van een kroongetuige. Het voorgaande betekent dus dat voor een zaak met een enkele kroongetuige de gewone regels van het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv gelden. Dit betekent dat een bewezenverklaring niet geheel gebaseerd mag worden op de verklaring van deze getuige. Het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv betreft echter de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. Deze bepaling verbiedt de rechter om tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
De verklaringen van [medeverdachte 5] dienen dus kritisch bekeken te worden. Daarbij geldt voor de rechtbank dat de kluisverklaringen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid een sleutelrol vervullen, nu van deze verklaringen met de meeste zekerheid aangenomen kan worden dat ze niet zijn beïnvloed door voortschrijdende kennis van het dossier en mediaberichten en andere invloeden die (gewild of ongewild) de authenticiteit van verklaringen kunnen beïnvloeden. [medeverdachte 5] heeft in de periode van januari tot en met mei 2017 in de kluisverklaringen zeer uitgebreid verklaard over de dealfeiten. In deze periode had hij geen toegang tot enig dossier en ook geen toegang tot openbare bronnen (los van de toegang tot Google Maps of Google Street View tijdens verhoren, om bijvoorbeeld een locatie aan te kunnen wijzen). Hij heeft dus enkel uit zijn geheugen kunnen putten. De rechtbank constateert dat [medeverdachte 5] in zijn kluisverklaringen buitengewoon gedetailleerd heeft verklaard over de zaken waar hij zelf bij betrokken zegt te zijn geweest (te weten Kreta, Tennis, Roos/Doorn en de criminele organisatie), zowel over zijn eigen rol als over de rollen van medeverdachten. Over de andere dealfeiten – waar hij niet zelf bij betrokken is geweest – heeft hij eveneens uitgebreid verklaard en daarbij ook steeds aangegeven wat zijn bronnen van wetenschap waren (doorgaans van horen zeggen, waarbij zijn bronnen veelal ‘de straat’, [verdachte] en [medeverdachte 11] waren).
[medeverdachte 5] wist dat zijn verklaringen in aanloop naar een mogelijke kroongetuigenovereenkomst zoveel mogelijk geverifieerd zouden worden en dat leugens over zijn eigen rol (door deze kleiner te maken) of de rollen van anderen (door hen onterecht te beschuldigen) een kroongetuigenovereenkomst in gevaar konden brengen. Wat hij niet wist, was dat de Ennetcom-server en een deel van de PGP-safe-server gekopieerd zouden worden en dat in de periode na het afleggen van de kluisverklaringen een zeer grote hoeveelheid PGP-berichten rondom de dealfeiten boven tafel zou komen en dat deze PGP-berichten ook bij de verificatie van zijn verklaringen konden worden betrokken. De rechtbank constateert dat juist deze PGP-berichten de verklaringen van [medeverdachte 5] op veel punten (vaak tot in de details) ondersteunen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 5] tijdens de vele verhoren – bij de recherche, bij de rechter-commissaris en op zitting – consistent is blijven verklaren over de dealfeiten, zijn eigen rol en de rollen van anderen. De conclusie van de verdediging van [verdachte] dat [medeverdachte 5] een groot aantal evidente onwaarheden heeft verklaard onderschrijft de rechtbank derhalve niet. De rechtbank constateert dat deze beweerdelijke evidente onwaarheden voor zover het de dealfeiten betreft telkens (onderdelen van) verklaringen van [medeverdachte 5] betreffen die geen of weinig ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen. Dat maakt het echter geen onwaarheden. De omstandigheid dat een (deel van een) verklaring niet of niet geheel geverifieerd kan worden, maakt niet dat deze gefalsificeerd (en dus onwaar) is. Het kan uiteraard wel met zich brengen dat de bewijskracht van (dat deel van) die verklaring minder groot is.
De rechtbank beschouwt [medeverdachte 5] gezien het voorgaande als een betrouwbaar verklarende getuige, waar het gaat over strafbare feiten die aan hem en zijn medeverdachten in de zaak Marengo ten laste zijn gelegd. Uiteraard moet de rechtbank bij de beoordeling van de zaaksdossiers steeds onderzoeken of de voor het bewijs relevante onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 5] de betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan. Per zaaksdossier zal, voor zover de kroongetuige daarover voor de verdachten belastend heeft verklaard, nader worden ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 5] .
3.2.6
Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU?
De rechtbank begrijpt uit de dupliek van de verdediging van [medeverdachte 4] dat voorwaardelijk is verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie EU) over – samengevat – de vraag of de beperkingen voor de verdediging om de financiële afspraken met de kroongetuige te kunnen controleren, onder meer tijdens de ondervraging van de kroongetuige, zich nog verdragen met een doeltreffend proces.
De rechtbank komt, gelet op de voorgaande beslissing, toe aan de beoordeling van dit verzoek. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen grond voor het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek daarom af.
3.3
PGP-bewijs
3.3.1
Inleiding
De verdediging heeft verweren gevoerd met betrekking tot de rechtmatigheid van de verkrijging en verwerking van PGP-berichten afkomstig uit de Ennetcom-data en de PGP-safe-data. De rechtbank zal hieronder eerst de feitelijke gang van zaken beschrijven en vervolgens de gevoerde verweren bespreken.
3.3.1.1 Algemene uitgangspunten
Uitgangspunt in ons recht is dat het privéleven en privé-gegevens een hoge mate van bescherming genieten.
Beoordeling
Deze meervoudige ongelijkheid dient bij te dragen tot de niet-ontvankelijkheid en/of bewijsuitsluiting als bedoeld in artikel 359a Sv.
Inhoud bajes-PGP en proceshouding Openbaar Ministerie dienaangaande
De op 17 januari 2024 door het Openbaar Ministerie verspreide inhoud van het PGP-toestel dat [medeverdachte 5] in detentie onder zich heeft gehad toont aan dat hij vanuit detentie, terwijl hij de voor-overeenkomst al heeft getekend, doorgaat met het plegen van zeer ernstige (levens)misdrijven. De kroongetuigenregeling biedt geen plaats aan een kroongetuige die tijdens detentie onder de vleugels van het Openbaar Ministerie ernstig crimineel handelen blijft voortzetten. Een Openbaar Ministerie dat aangeeft dat de berichten passen bij de eerder door de kroongetuige afgelegde verklaringen en zich over dit crimineel handelen in stilzwijgen hult noopt tot een krachtig signaal. Dit is een nieuwe bouwsteen voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Alle hiervoor genoemde onderdelen leveren (tezamen) een ernstige inbreuk op van het recht op een eerlijk proces. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie en subsidiair tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 5] en het PGP-bewijs.
3.4.4.2 Oordeel van de rechtbank
In de algemene inleiding van dit hoofdstuk (zie hoofdstuk 3.1 Algemeen kader vormverzuimen) heeft de rechtbank weergegeven wat de kaders zijn voor de beoordeling of er sprake is van een eerlijk proces. De verdediging heeft een groot aantal omstandigheden aangevoerd die in haar ogen maken dat het proces in eerste aanleg in de zaak van [verdachte] niet eerlijk is geweest.
De rechtbank ziet dit anders. Dat de detentie van [verdachte] in de EBI, met de daarbij behorende beperkingen, de voorbereiding van de verdediging soms lastig heeft gemaakt wil de rechtbank aannemen. Een verdediging voorbereiden met een cliënt in de EBI is complexer dan met een cliënt op vrije voeten of in een regulier Huis van Bewaring. Dat is zeker het geval nu er de laatste jaren – door omstandigheden buiten [verdachte] en de verdediging om – in de EBI aanvullende maatregelen zijn getroffen die het overleg tussen raadsman en cliënt ingewikkelder maken. Het voorbereiden van een verdediging met een cliënt in de EBI kost simpelweg meer tijd. De rechtbank heeft daarom – meermaals – aangegeven desgewenst meer tijd te willen bieden en juist door de lange duur van het proces heeft de verdediging die extra tijd ook gekregen. Inmiddels is [verdachte] overgeplaatst waardoor deze belemmering is vervallen. Hoe dan ook kan niet gezegd worden dat door het verblijf in de EBI geen sprake is van een eerlijk proces.
In het algemeen geldt dat het Openbaar Ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de beoordeling van de vraag of, en zo ja waarvoor, iemand wordt vervolgd. In het licht hiervan kan niet gezegd worden dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid [medeverdachte 5] heeft moeten vervolgen voor meer en/of andere feiten, noch dat zij in redelijkheid [verdachte] niet heeft mogen vervolgen op de wijze als gedaan. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie van zowel [medeverdachte 5] als [verdachte] handelingen in zaaksdossiers waarvoor zij niet apart zijn vervolgd meegewogen bij de ten laste gelegde criminele organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
De verwijten die de verdediging het Openbaar Ministerie maakt in relatie tot de onderzoeken Amazone en Orinoco kan de rechtbank niet volgen. De onderzoeken Amazone, het schietincident waarbij [verdachte] slachtoffer is geworden op 17 december 2017, en Orinoco, het kampschietincident waarbij [medeverdachte 5] een persoon zou hebben beschoten in 2010, zijn geen onderdeel van de zaak Marengo. De rechtbank ziet reeds daarom niet dat het in Marengo relevant is of het Openbaar Ministerie inzake Amazone meer geloof zou hechten aan de lezing van [medeverdachte 5] of die van [verdachte] . De verdediging is steeds in de gelegenheid geweest op de zitting standpunten in te nemen en verzoeken te doen. Dit laatste is een aantal malen gedaan en daarop is door de rechtbank beslist. Zo is er de beslissing van 29 september 2020 met betrekking tot het inzageverzoek in beide dossiers en de vraag of het zaaks-Openbaar Ministerie beschikt over het dossier Amazone, hetgeen niet het geval was, en is er de beslissing van 17 november 2020. Het Openbaar Ministerie heeft op 6 december 2022 op de zitting meegedeeld dat het parket Midden-Nederland in nauw overleg met de politie besloten heeft om geen strafrechtelijk vervolg te geven aan het schietincident van 24 december 2010 omdat vervolging niet opportuun wordt geacht. Hiervoor (zie hoofdstuk 3.2.4.2 Zijn er ongeoorloofde toezeggingen gedaan?) heeft de rechtbank al beslist dat deze beslissing niet kan worden aangemerkt als een ongeoorloofde toezegging.
Het verwijt dat de focus van het verificatie/falsificatie-onderzoek naar de verklaringen van [medeverdachte 5] hoofdzakelijk is gericht op verificatie en daarmee te eenzijdig is, volgt de rechtbank niet. Als er verificatieonderzoek naar een verklaring wordt verricht kan de uitkomst zijn dat de verklaring geverifieerd kon worden of dat deze niet geverifieerd kon worden. Ook het feit dat niet geverifieerd kon worden kan afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de verklaring. Bovendien is het mogelijk dat tijdens een verificatieonderzoek informatie wordt gevonden die strijdig is met de verklaring. Dat dergelijk onderzoek eenzijdig is, volgt de rechtbank niet. Verklaringen van [verdachte] over bijvoorbeeld het kampschietincident en zijn bezoek aan de sportschool op 22 juni 2016 zijn onderzocht. Verder heeft de verdediging ook inzage verkregen in het zogenoemde verificatiejournaal, zie laatstelijk – over de vorm waarin – in de beslissing van de rechtbank van 29 januari 2021. Het heeft de verdediging ook steeds vrij gestaan verzoeken te doen, waaronder ook nadrukkelijk verificatieverzoeken en verzoeken tot voeging van stukken.
Ten aanzien van de stellingen van de verdediging dat zij onvoldoende mogelijkheden heeft gekregen om de PGP-berichten te onderzoeken verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen (zie hoofdstuk 3.3.6.2.2 Inzage in Marengo-dataset).
De verdediging heeft tot slot een aantal bezwaren geuit die betrekking hebben op beslissingen van de rechtbank over:
- het verhoor van de partner van [medeverdachte 5] als getuige (waarbij een deel van de bezwaren zich richt op beslissingen van de rechters-commissarissen);
- het verhoor van [medeverdachte 5] zelf (de planning van deze verhoren en de beslissingen van de rechtbank omtrent welke vragen al dan niet beantwoord moesten worden).
De rechtbank begrijpt de verdediging zo dat het niet zozeer de inhoud van deze beslissingen van de rechtbank is die zij (hier) aan de kaak stelt, maar dat de standpunten van het Openbaar Ministerie in dat kader gezien moeten worden als belemmeringen die de verdedigingsbelangen in ernstige mate schaden. De rechtbank kan de verdediging hierin niet volgen. Het Openbaar Ministerie heeft net als de verdediging het recht zich uit te laten over stellingen, verzoeken, tijdens verhoren gestelde vragen en (beslissingen over) de planning van de rechtbank. De verdediging heeft ten aanzien van deze onderwerpen op de zitting standpunten kunnen innemen en verzoeken kunnen doen. De omstandigheid dat de verdediging zich niet in de visie van het Openbaar Ministerie kan vinden, maakt niet dat [verdachte] geen eerlijk proces heeft gehad.
Conclusie
15 januari 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
00:37
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
“Ja sir vandaag hoge piet advo gemeld dat tito zwaar op lyst staat ook maar u ziet sir zyn slimme mensen echt uitgekookt die actie van die vieze verrader ook niet te begrypen ook opgezet sir die yoego en die chino ook verklaart dus alle 3 sir!
00:56
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
"Ja is wel belangrijk , dat wat gasten moeten slapen , want ze maken openlijk acties zwaar op dit moment
01:00
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
“Zwaar zwaar sir maar moeten goed praten sir want dit is een echte oorlog nu ze hebben ook adressen van iedereen ook van my moeder etc en openlyk zo verraden sir zelf kranten zeggen en sites unicum gebeurt nooit zo door hun zyn jongens ook gepakt etc dus die zyn veeel van plan sir veel ! By petten ingedekt dus al laten ze openlyk slapen zelfverdediging
01:02
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
"Ja dat bedoel ik , net als of scotu uitzoekt waar we allemaal zitten en wie exact bij wie hoort en doorgeven ! Aan die zogenaamde goeie crimis (snitches dus)
01:17
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
“Is ook belangrijk eigenlijk datje scotu heb , dus is wel te begrijpen , maar hoe die gasten het spelen zijn ze slachtoffer en willen ze ons vogelvrij verklaren
01:18
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
“Juist hebben ze al gedaan sir !
01:33
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 4]
“Ok dat is duidelijk vooral als ze 2mans zijn , desnoods rijder fix die 2 gasten zelf doen is belangrijk meneer
10:27
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
"Er zyn 15getuiges sir
10:52
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
"Weet je niet sir 3zyn duidelyk yoego die chino en slager en 12willen ze naam niet van geven sir
Uit het dossier blijkt dat op 19 januari 2016 een bestelbus voorzien van tennisstickers in beslag is genomen. Deze bus was uitgerust met software om heimelijk video-opnames te maken. In de bus is een SD-kaart aangetroffen met daarop observatiefoto’s van [betrokkene 22] (hierna: [betrokkene 22] ), een neef van [medeverdachte 4] , bijgenaamd Bolle. Het onderzoek Vosbergen ziet op deze vondst. Op 23 januari 2016 stelt [betrokkene 22] [medeverdachte 4] ervan op de hoogte dat hij is gewaarschuwd door de politie (petten) en dat zijn leven mogelijk in gevaar is.
23 januari 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
14:00
[betrokkene 22]
[medeverdachte 4]
Salaam broth,
Alles goed?
Der waren net 2petten by me thuis broth van landelijke recherche onderzoek:26 vosbergen. Ze lieten me foto's zien van mijzelf die zyn by mensen aangetroffen en dat ik waarschynlyk sta op een dodenlijst en dat ik moet uitkijken en welke auto ik rij en of ik weet wat bakens zyn ik zij kweet van niks en kweet ook niet wat bakens zijn... Toen ging die me uitleggen wat het was en dat k daar voor moet opassen...
14:04
[betrokkene 22]
[medeverdachte 4]
Voor me deur broth... 3foto's van my dat ik voor de deur sta en een foto van een tennisclub bus...
[medeverdachte 4] informeert een paar minuten later [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Kort daarna informeert hij [medeverdachte 11] en weer wat later informeert hij [medeverdachte 8] . Ze denken alle vier mee met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 11] en [medeverdachte 8] geven aan dat zij gaan uitzoeken wie er achter zou kunnen zitten. Uit de berichten komt naar voren dat [medeverdachte 8] de mogelijkheid met [medeverdachte 4] bespreekt dat [betrokkene 3] er achter zou kunnen zitten.
Dictum
Dat geldt zowel in het Unierecht, waar dit is vastgelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), als in het EVRM, waar het recht op privacy is vastgelegd in artikel 8, als ook in onze nationale wetten. De Nederlandse rechter toetst niet aan de grondwet, maar ook daarin zijn onder andere het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10) en het briefgeheim (artikel 13) vastgelegd.
Deze rechten geven echter geen onbeperkte bescherming. Inperking is mogelijk, maar moet bij wet zijn voorzien en noodzakelijk, evenredig en proportioneel zijn. Dit is bepaald in artikel 52 Handvest en in artikel 8 lid 2 EVRM. Daarbij geldt dat hoe zwaarder de verdenking is (zeer ernstige misdrijven, georganiseerd verband), hoe groter de inbreuk in principe mag zijn.
3.3.1.2 Toetsingskader
Het feit dat de Ennetcom- en PGP-safe-data niet in het onderzoek Marengo zijn vergaard maar in andere onderzoeken (De Vink en Sassenheim), staat niet (zie hoofdstuk 3.1 Algemeen kader vormverzuimen) aan een toetsing van de verkrijging en verwerking in de weg. Toetsing kan aan de orde komen bij een onrechtmatige handeling jegens de verdachte begaan in een ander voorbereidend onderzoek indien het vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of verdere vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank constateert dat de Ennetcom- en PGP-safe-berichten – overigens ook volgens het Openbaar Ministerie zelf – in het onderzoek Marengo een prominente rol spelen in de bewijsconstructie. De rechtbank is daarom van oordeel dat eventuele vormverzuimen bij de verkrijging en de verwerking van de PGP-data binnen de onderzoeken De Vink en Sassenheim van bepalende invloed zijn geweest bij het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachten binnen Marengo. Dit betekent niet dat de rechtbank de onderzoeken De Vink en Sassenheim ziet als voorbereidend onderzoek naar de verdachten in het onderzoek Marengo. Het betekent uitsluitend dat zij reden ziet de rechtmatigheid van de verkrijging en verwerking van de Ennetcom- en PGP-safe-data te toetsen, naar aanleiding van de door verdediging op dit punt gevoerde verweren.
3.3.2
Feitelijke gang van zaken
3.3.2.1 Ennetcom-data (onderzoek De Vink)
In het dossier bevindt zich een groot aantal e-mailberichten afkomstig van in Canada bij het Nederlandse bedrijf Ennetcom veiliggestelde data. Ennetcom leverde diensten op het gebied van versleutelde communicatie. Met BlackBerry-telefoons voorzien van specifieke software konden via een PGP (pretty good privacy)-protocol met daaraan gekoppelde e-mailadressen versleutelde tekstberichten en notities worden verzonden. De gebruikers van de telefoons en e-mailadressen konden op die manier anoniem communiceren. De encryptiesleutels waren opgeslagen op de BlackBerry Enterprise-Servers (hierna: BES-servers) van Ennetcom. Deze servers bevonden zich in Toronto, Canada.
Na een rechtshulpverzoek van Nederland aan de Canadese autoriteiten zijn op 19 april 2016 de gegevens op de servers die door Ennetcom werden gebruikt veiliggesteld. Het rechtshulpverzoek zag op vier destijds lopende strafrechtelijke onderzoeken (Koper, Rooibos, Rendlia en De Vink). Het onderzoek Marengo maakte hier dus geen deel van uit.
Op 13 september 2016 besliste het Superior Court of Justice in Canada dat de bij Ennetcom veilig gestelde data (hierna: de Ennetcom-data) aan Nederland mochten worden verstrekt. De Canadese rechter verbond hieraan de voorwaarden dat de Ennetcom-data alleen mogen worden gebruikt voor onderzoek en vervolging van strafbare feiten als deelneming aan een criminele organisatie, moord, doodslag, witwassen, brand/ontploffing, alsmede pogingen en voorbereidingshandelingen daartoe, die direct verband hielden met de eerder genoemde onderzoeken Koper, Rooibos, Rendlia en De Vink, tenzij hiervoor van tevoren een gerechtelijke machtiging door het Koninkrijk der Nederlanden was afgegeven.
Op 12 januari 2018 hebben de zaaksofficieren van justitie van de onderzoeken Tandem I en II een machtiging gevraagd aan de rechter-commissaris om Ennetcom-gegevens uit Tandem I en II te verstrekken aan en te laten gebruiken door het onderzoeksteam Marengo. In de toelichting op die vordering staat onder andere dat in de datasets in de zaken Tandem I en II gegevens zijn aangetroffen die voor de onderzoeken Tandem I en II niet van betekenis zijn, maar wel voor het onderzoek Marengo en dat tot de verdachten in dat onderzoek [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [verdachte] en [medeverdachte 11] behoren. Bij beslissing van 23 februari 2018heeft de rechter-commissaris het Openbaar Ministerie gemachtigd om de verzochte gegevens beschikbaar te stellen aan het onderzoeksteam Marengo. De informatie heeft geleid tot zestien e-mailadressen die te linken zouden zijn aan [medeverdachte 4] en/of zijn familieleden en aan een aantal liquidaties dan wel pogingen daartoe in de periode 2016/2017 (in het bijzonder de moord op [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) op 17 april 2016, de voorbereiding van moord op [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ), de moord op [slachtoffer 6] op 8 december 2016, de moord op [slachtoffer 2] op 12 januari 2017, de moord op [slachtoffer 1] op 22 juni 2016, de moord op [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) op 9 september 2015 en de poging tot moord op [betrokkene 6] op 11 oktober 2016).
Toen het onderzoeksteam Marengo toegang wilde tot de Ennetcom-data heeft het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris daartoe op 7 maart 2018, aangevuld op 21 maart 2018, om toestemming verzocht. Voor de inhoudelijke toetsing van deze vordering heeft de rechter-commissaris in lijn met eerdere beslissingen op vergelijkbare vorderingen aansluiting gezocht bij artikel 126ng Sv.
De rechter-commissaris heeft op 22 maart 2018 geoordeeld dat in het onderzoek Marengo aan deze voorwaarden is voldaan en bepaald dat onderzoek wordt verricht aan en in de gegevens die zich op de servers van Ennetcom bevonden, dat dit onderzoek op de voet van het bepaalde in artikel 177 Sv via de officier van justitie wordt opgedragen aan het onderzoeksteam Marengo. De rechter-commissaris heeft verder bepaald dat dit onderzoek is beperkt tot de 26 e-mailadressen en de mogelijk vastgelegde contacten daarvan, zoals opgesomd in de vordering van de officier van justitie van 21 maart 2018 en voorts dat dit onderzoek wordt verricht aan de hand van het bij de vordering van 21 maart 2018 gevoegde plan van aanpak, waarbij door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) een dataset wordt samengesteld uit de Ennetcom-data. In de beslissing wordt bepaald dat alleen de gegevens in die dataset mogen worden onderzocht en dat voor zover relevante gegevens worden aangetroffen, deze bevindingen aan de processtukken in het onderzoek Marengo worden toegevoegd. Op aanvullende vorderingen van het Openbaar Ministerie heeft de rechter-commissaris overeenkomstig beslist op 25 april 2018 en 10 september 2019. In het onderzoek De Vink heeft een controle op de aanwezigheid van mogelijke geheimhouders plaatsgevonden in de verkregen data van de servers van Ennetcom.
3.3.2.2 PGP-safe-data (onderzoek Sassenheim)
In het dossier bevindt zich ook een groot aantal berichten die afkomstig zijn uit van in Costa Rica bij het bedrijf Rack Lodge S.A. veiliggestelde data. Het veiligstellen van die data heeft plaatsgevonden in het onderzoek Sassenheim.
Conclusie
De rechtbank leidt uit deze berichten af dat [medeverdachte 8] suggereert dat eventueel een lid van de familie van [betrokkene 3] vermoord zou kunnen worden. Hij zegt ook toe informatie te verzamelen en actie te ondernemen en hij geeft daadwerkelijk informatie over de familie van [betrokkene 3] aan [medeverdachte 4] .
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
16:12
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
Als aanwijzingen zijn naar die hond toe, pakken we gewoon iemand van zijn fam heel simpel! Nemen we hem mee, en voor goed weg! In belgie is er plek iemand weg te doen, gewoon helemaal late verdwijnen! In een badje zoutzuur!
16:16
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
Ik ga alles voor u na mr met plezier wollah! En maakt u zich geen zorgen we neuken hun moeders, heb genoeg mensen klaar staan ook die aan onze kant staan! We gaan alles na en halen alles boven water of hun! Ze hebben ook een slagerij [betrokkene 3] heet die, van zijn vader enzo was die en fam die er in werkt! Maar ik denk dat hij dat niet gaat durven die laffe mietje, die zit alleen achter zwake mensen aan! Daar staat hij bekend om.. Zeg u neefje, plaats allemaal spycams en allerlei dingen bij zijn huis en omgeving dat hij altijd alles goed kan checken ook op afstand en vreemde figuren en altijd een cam die gericht is op zijn auto!
[medeverdachte 4] heeft de observatie van [betrokkene 22] dezelfde avond ook gedeeld met [medeverdachte 9] . Ook hij doet actief onderzoek naar wie er achter de tennisbus zit. Uit berichten aan en afkomstig van [medeverdachte 8] blijkt dat hij in de dagen daarna door [medeverdachte 4] op de hoogte wordt gehouden van hetgeen [betrokkene 22] zegt over wat voor persoon met die bus te maken zou hebben en in wat voor auto deze persoon zou rijden. Weliswaar is de afzender van deze berichten niet bekend, maar gezien de inhoud van deze (doorstuur)berichten in samenhang met gedateerde berichten van [medeverdachte 8] aan [medeverdachte 4] leidt de rechtbank af dat de ongedateerde berichten van [medeverdachte 4] afkomstig zijn. [medeverdachte 4] heeft [betrokkene 22] opgeslagen in zijn PGP-toestel als Bolle n. In deze berichten wordt gesuggereerd dat Chino (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 1] ) met de bus te maken zou hebben.
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
[medeverdachte 8]
Onder
------Origineel bericht------
Van: Bolle n
Aan: Eigen/own
Onderwerp:
Verzonden: 24 Jan 2016 00:39
Ja k ben naar die geweest maar die wist niets ik ga het morgen aan ze vader vragen... Die bus heeft er periode's gestaan dan weer een paar dagen we'll en een paar dagen niet...
Soms kwam die weken niet... Broth ik heb we'll eens een korte persoon gezien precies naast die bus lopen&is in een golf 4 gestapt een kort beetje dikke mocro milimeter haar maar die kan ik niet zeker zeggen dat die daar was by die bus... Maar die heb ik verder nooit meer gezien... Ik en ryder hebben toen een extra rondje gemaakt maar die golf reed gelijk weg...
[medeverdachte 8]
Sir een donkerblauwe golf 4 die beschryving mocro bolle beetje chino of niet?
[medeverdachte 8]
Ok sir en heeft die chino of ze broertje golf 4 donkerblauw
[medeverdachte 8] informeert [medeverdachte 4] over het type auto’s waar de [betrokkenen 1 en 2] in rijden en vraagt waar [betrokkene 22] de Volkswagen Golf 4 heeft gezien. De rechtbank gaat ervan uit, gelet op de inhoud van het doorgestuurde bericht van [betrokkene 22] (Bolle n), dat onderstaand bericht van [medeverdachte 4] afkomstig is en een reactie is op de vraag van [medeverdachte 8] .
24 januari 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
01:01
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
"Laatste keren dat ze reden was bmw x1 hoge model! En silvere polo mr! Waar heeft hij die golf 4 gezien?
[medeverdachte 8]
------Origineel bericht------
Van: Bolle n
Aan: Eigen/own
Onderwerp:
Verzonden: 24 Jan 2016 01:02
Dat busje is een ford busje beetje verlengt model met groene tennisballen aan de zijkant en 1racket....
Een korte mocro eind jaar 30 leren jasje millimeter haar deed breed maar had een buikje en deed zijn nek korter maken.
Hij stapte in een donkerblauwe golf 4 die heb ik 1x gezien samen met het busje...
Dat busje viel me op rond november/december.
[medeverdachte 8] laat [medeverdachte 4] weten dat zij rond gaan vragen.
Dictum
Dit onderzoek zag, kort gezegd, op de faciliterende rol van de aanbieders van PGP-safe. Deze aanbieders werden verdacht van betrokkenheid bij de verkoop van producten en diensten op het gebied van versleutelde communicatie (PGP encrypted BlackBerry’s) aan criminelen. Om onderzoek naar de data van PGP-safe te kunnen doen is op 4 april 2017 (aangevuld op 24 april 2017) een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten in Costa Rica verzonden met onder andere het verzoek onderzoekshandelingen te verrichten aan de infrastructuur, waaronder data aanwezig op de (BES-)server(s), van de leverancier van PGP-diensten en -producten.
Op 9, 10 en 11 mei 2017 is in Costa Rica uitvoering gegeven aan dit rechtshulpverzoek, waarbij onder andere data zijn veiliggesteld die werden aangetroffen op de (BES-)server(s) van PGP-safe. De BES-infrastructuur bevond zich in twee serverkasten waarvan er één sinds 2012 en één sinds 2016 aan PGP-safe was verhuurd. Het onderzoek is beperkt tot de serverkast die was verhuurd sinds 2012. Toen de Costa Ricaanse autoriteiten de doorzoeking beëindigden waren nog niet alle bestanden gekopieerd. De in Costa Rica aangetroffen data en overige goederen zijn vervolgens overgedragen aan het onderzoeksteam Sassenheim. De voorwaarde van een rechterlijke toets voor gebruik van de PGP-safe-data in andere onderzoeken, zoals in de beslissing van de Canadese rechter bij de Ennetcom-data, is door de Costa Ricaanse rechter niet gesteld voor de Sassenheim-data.
In het proces-verbaal onderzoeksbevindingen van 21 december 2017 staat dat in het onderzoek Sassenheim met betrekking tot het PGP-adres ezfk116w@pgpsafe.net relevante berichten zijn aangetroffen met betrekking tot de moord op [slachtoffer 2] op 12 januari 2017 en de poging moord op [betrokkene 4] op 14 januari 2017, waarvan de zaaksofficier van justitie in Sassenheim toestemming heeft gegeven deze te delen. Uit het proces-verbaal van 24 januari 2018 blijkt dat vervolgens door de zaaksofficier van justitie van het onderzoek Sassenheim ook toestemming is gegeven om de zogenoemde metadata van genoemd PGP-adres te delen met het onderzoek Marengo.Vanuit het onderzoek Sassenheim is op 12 februari 2018 aan het onderzoek Marengo een aantal e-mailadressen verstrekt. Op 13 maart 2018 heeft het onderzoeksteam Marengo vanuit het onderzoek Sassenheim e-mailberichten ontvangen van 44 e-mailadressen. Het betrof hier de eerste kring van contacten van de op 12 februari 2018 aan het onderzoek Marengo verstrekte e-mailadressen. Later zijn daar nog e-mailadressen aan toegevoegd.In het onderzoek Sassenheim heeft ook een controle op de aanwezigheid van mogelijke geheimhouders plaatsgevonden in de verkregen data van de servers van PGP-safe.
3.3.2.3 Hansken/Marengo-dataset
Het NFI heeft een zoekmachine, genaamd Hansken, ontwikkeld om grote hoeveelheden data te onderzoeken. Bij het onderzoek aan de Ennetcom-data is gebruik gemaakt van Hansken. De Ennetcom-data zijn in de periode van 13 oktober 2016 tot 12 juli 2017 in Hansken ingevoerd.Op 29 maart 2018 is binnen Hansken een subset gemaakt onder de projectnaam Canadata_26Marengo_PC, die na een nieuwe versie van Hansken is uitgebreid in april 2019.
Ook bij het onderzoek aan de Sassenheim-data is gebruik gemaakt van Hansken. Uit dit onderzoek zijn data verstrekt aan het onderzoek Marengo. Daartoe is op 4 januari 2018 binnen Hansken een zogenoemde subset gemaakt onder de projectnaam Sassenheim_Marengo_PC. Die subset is laatstelijk uitgebreid op 27 augustus 2018.
Aldus is op basis van de (aangevulde) plannen van aanpak met behulp van Hansken gezocht in de Ennetcom-data en is op basis daarvan het Ennetcom-gedeelte van de Marengo-dataset samengesteld. Daarnaast is Sassenheim-data binnen Hansken in een subset ter beschikking gesteld aan Marengo. Tezamen vormen deze sets de Marengo-dataset (hierna: de Marengo-dataset).
3.3.2.4 Controle geheimhouders Marengo-dataset
Op 30 januari 2020 heeft de rechercheofficier van justitie van het Landelijk Parket, die sinds 1 januari 2020 optrad als geheimhoudersofficier van justitie met betrekking tot de Marengo-dataset, het deel van de Marengo-dataset afkomstig van Ennetcom gecontroleerd op de aanwezigheid van mogelijke geheimhouderscommunicatie. Daarbij zijn 77 dataregels voorlopig als geheimhoudersbericht aangemerkt. Op 17 februari 2020 heeft deze geheimhoudersofficier van justitie het deel van de Marengo-dataset afkomstig van PGP-safe gecontroleerd op geheimhouderscommunicatie. Daarbij zijn geen geheimhoudersberichten aangetroffen. Op 26 juni 2020 heeft de geheimhoudersofficier van justitie nader onderzoek gedaan aan de genoemde 77 geïdentificeerde dataregels op basis waarvan ten aanzien van een zestal dataregels is geconcludeerd dat hier geen sprake was van een geheimhoudersbericht. Er zijn 71 dataregels definitief als geheimhoudersbericht aangemerkt.
Op 22 september 2020 heeft de geheimhoudersofficier van justitie opdracht gegeven deze 71 dataregels in de De Vink-dataset en de Marengo-dataset definitief ontoegankelijk te maken. Deze opdracht is op 13 oktober 2020 uitgevoerd. De 71 dataregels zijn blijkens het proces-verbaal 36 unieke berichten.
3.3.3
Gevoerde verweren
3.3.3.1 Verwerving
Er is met betrekking tot de verwerving van de PGP-data in de onderzoeken De Vink en Sassenheim – samengevat – het volgende aangevoerd. De verdediging heeft sterke aanwijzingen dat het hoofddoel van de rechtshulpverzoeken was om de inhoud van alle berichten te verkrijgen. Er is gehandeld in strijd met fundamentele rechtsbeginselen zoals het verbod op détournement de pouvoir, het proportionaliteitsbeginsel, zorgvuldige verslaglegging en de belangen van geheimhouders. Het Openbaar Ministerie heeft ten onrechte artikel 125i Sv aan de rechtshulpverzoeken – en daarmee aan de verkrijging van de PGP-data – ten grondslag gelegd. Artikel 125la Sv, met daarbij een machtiging van de rechter-commissaris, had als basis moeten dienen en bij de uitvoering is niet voldaan aan de beperkende voorwaarden van 125la Sv, gericht op het voorkomen van kennisname van ongerichte bulkdata in het strafrecht. Kennisname van vertrouwelijke communicatie is een doorkruising van grondrechten die gestoeld moet zijn op een bij wet voorzienbare procedure die waarborgt dat de inmenging gericht is en een bepaald karakter heeft met een voorafgaande onafhankelijke rechterlijke toetsing. Daarmee geldt dat bij de verkrijging van de data zonder rechterlijke toetsing vooraf is gehandeld in strijd met het Unierecht en niet aan de materiële eisen uit de Europese jurisprudentie is voldaan. Op basis van deze jurisprudentie is verkrijging van algemene en ongedifferentieerde toegang tot communicatie van tienduizenden Ennetcom- en PGP-safe gebruikers over een min of meer ongelimiteerde tijdsspanne nimmer gerechtvaardigd. De stellingen dat niet geconcludeerd kan worden dat het Openbaar Ministerie zich niet aan de beperkende voorwaarden van artikel 125la Sv heeft gehouden en dat witwassen een ruime grondslag biedt om te achterhalen of de PGP-telefoons voor criminele doeleinden werden ingezet, zijn niet houdbaar. Daarnaast zijn de Canadese en Costa Ricaanse autoriteiten misleid over de aan de rechtshulpverzoeken ten grondslag liggende bevoegdheid en op grond van het vertrouwensbeginsel hebben zij geen effectieve rechterlijke controle kunnen uitoefenen. Ook is de verdenking in het rechtshulpverzoek aan Costa Rica ten onrechte verzwaard met terrorisme. Bovendien is het niet aannemelijk dat de Canadese en Costa Ricaanse rechter zoveel willekeurige berichten van willekeurige PGP-gebruikers hebben willen verstrekken, aldus de verdediging.
Conclusie
Uit de berichten blijkt dat [medeverdachte 8] daadwerkelijk bij zijn broer [medeverdachte 7] (Brede) navraag doet en diens antwoorden aan [medeverdachte 4] doorstuurt.
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
01:03
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
“We moeten rond vragen mr! Altijd als ik een verdachte auto zie maakt niet uit waar! Pak ik altijd de kenteken direct mr, altijd paranioa.. Ik ga even rond vragen wie er zo een auto kan hebben met die beschrijving!
01:12
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
"Onder mr heb mijn broertje gevraagt die weet het ook niet!
------Origineel bericht------
Van: Brede
Aan: Selftest (28/12/15)
Onderwerp:
Verzonden: 24 Jan 2016 02:11
Nee is mijn niet bekend,is er wat gebeurt?heb je kentekens ik kan ze na trekken voor je?
01:24
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
"Onder mr! Die kleine van mij, als u kent wilt checken voortaan of iets!
------Origineel bericht------
Van: Brede
Aan: Selftest (28/12/15)
Onderwerp:
Verzonden: 24 Jan 2016 02:22
Hoofdpijn ik zal me ogen open houden als ik wat zie dan laat ik het je weten,als zoiets nog gebeurt probeer kentekens te pakken geef dat door aan je maat 75,- per kent... En ik zal niks zeggen tegen niemand zulke dingen zijn geen grap. Hoe gaat het met de pijn?
[medeverdachte 5] heeft – het is hiervoor al weergegeven – als achtergrond van de moord op [slachtoffer 1] geschetst dat Slager (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 3] ) verklaringen heeft afgelegd over [medeverdachte 4] , [medeverdachte 11] en anderen, waardoor iedereen naar hem op zoek was. Een deel van deze verklaringen heeft hij gelezen en hij heeft (doorstuur)berichten gezien waaruit duidelijk wordt dat het niet lukt om [betrokkene 3] te vinden en dat daarom is geprobeerd via zijn ‘kliekje’ bij hem te komen. Daarmee worden [slachtoffer 1] en de Chino’s (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) bedoeld. De hiervoor aangehaalde berichten in de periode december 2015 tot en met januari 2016 ondersteunen de verklaring van [medeverdachte 5] over de achtergrond van de moord op [slachtoffer 1] . De berichten uit oktober 2015 maken duidelijk dat er al langer naar [slachtoffer 1] is uitgekeken. Dat geldt ook voor [betrokkene 3] en [betrokkene 1] blijkens hun verklaringen uit 2015 (zie hoofdstuk 4.2.3 Voorgeschiedenis).
4.2.5.3 Periode van 17 tot en met 19 april 2016
Op 17 april 2016 is [slachtoffer 4] , bijgenaamd Hak, in IJsselstein doodgeschoten. Dezelfde dag vindt onderstaande berichtenwisseling tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 23] (hierna: [betrokkene 23] ), een contact van hem, plaats. De rechtbank acht deze van belang omdat hierdoor duidelijk wordt dat er een link bestaat tussen [slachtoffer 4] , [betrokkene 3] en de [betrokkenen 1 en 2] en dat zij allemaal in verband staan met een kennelijke oorlog. Ook de verklaring van [betrokkene 3] speelt hierbij een rol. De gewelddadige dood van [slachtoffer 4] moet de andere partij duidelijk maken hoe ver [medeverdachte 4] bereid is te gaan in een oorlog. Gelet op de inhoud van de berichten gaat de rechtbank ervan uit dat dit dezelfde oorlog is waar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] het over hebben in berichten van januari 2016. Wat [medeverdachte 4] betreft gaat [betrokkene 3] dood (slapen), ongeacht of hij zijn verklaring intrekt.
17 april 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
17:23
[betrokkene 23]
[medeverdachte 4]
Pfff was het een mokro bro ?
------Original Message------
From: Broer.
Dictum
3.3.3.2 Verwerking
Met betrekking tot de verwerking van de PGP-data heeft de verdediging daarnaast het volgende – samengevat – aangevoerd. Het betreft bulkdata die ongericht en zonder aanzien des persoons is verzameld, en die volledig is doorzocht en is verspreid over andere strafzaken. Gegevens mogen op grond van het Unierecht alleen door de politie worden verwerkt als zij rechtmatig zijn verkregen en er sprake is van doelbinding en minimale gegevensverwerking. Regels omtrent verwerking moeten duidelijk en nauwkeurig zijn en voorspelbaar voor degenen op wie deze van toepassing zijn. Daarvan is geen sprake. In de onderzoeken De Vink en Sassenheim zijn de berichten zo ruim mogelijk ontsleuteld, terwijl de communicatie in die onderzoeken kennelijk van ondergeschikt belang was. Dit is een verregaande niet-proportionele inbreuk op de privacy van de gebruikers en artikel 94 Sv vormt daarvoor geen toereikende wettelijke grondslag. Er is vervolgens een systeem opgetuigd waarbij het Openbaar Ministerie beschikt over ongedifferentieerde privacygevoelige informatie en deze met een machtiging van de rechter-commissaris doorverstrekt aan andere onderzoeken zoals Marengo en deze verwerking is in strijd met het Unierecht en het EVRM. Ten aanzien van de PGP-safe-data heeft bij de doorverstrekking geen enkele rechterlijke controle plaatsgevonden en de procedure via de rechter-commissaris die voor de Ennetcom-data is verzonnen is geen effectief rechterlijk toezicht aan de hand van voorziene en duidelijke regels. De verkrijging in Marengo kent als tussenschakel de verkrijging in Tandem II en bij de verkrijging in die zaak hebben eveneens ernstige verzuimen plaatsgevonden.
Voor wat betreft de verwerking heeft de verdediging verweren gevoerd die ingaan op de tactische en technische verwerking van het bronmateriaal via Hansken. Bovendien zijn volgens de verdediging bij de verkrijging en verwerking van de PGP-data geheimhoudersbelangen geschonden.
3.3.4
Oordeel van de rechtbank
3.3.4.1 Toepasselijkheid Unierecht bij de verwerving
De stelling van de verdediging dat de wijze waarop de Nederlandse opsporingsdiensten aan de Ennetcom- en PGP-safe-data zijn gekomen strijdig is met het Unierecht in het licht van Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie, hierna: Richtlijn 2002/58/EG) en de rechtspraak van het Hof van Justitie EU die daarop betrekking heeft, is onjuist. Deze kwestie is voor wat betreft de Ennetcom-data al aan de orde gekomen in het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022. Ook in het arrest van 13 juni 2023 waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen van de rechtbanken Noord-Nederland en Overijssel beantwoordt, wordt hier aandacht aan besteed. Genoemde richtlijn is alleen van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap, met inbegrip van openbare communicatienetwerken die systemen voor gegevensverzameling en identificatie ondersteunen (artikel 3 Richtlijn 2002/58/EG). In de onderzoeken De Vink en Sassenheim zijn geen onderzoeksresultaten verkregen op grond van aan Ennetcom en PGP-safe opgelegde verwerkingsverplichtingen. Het gaat in die zaken om de uitoefening door strafvorderlijke autoriteiten van bevoegdheden waarmee het veiliggestelde berichtenverkeer is verkregen. Bovendien geldt dat Ennetcom en PGP-safe een versleutelde berichtendienst aanboden, waarbij de gebruikers van die diensten in beginsel geen persoonsgegevens kenbaar hoefden te maken en waarbij men alleen met elkaar kon communiceren als men beschikte over een PGP-e-mailadres. Bij de PGP-telefoons die werkten op basis van de zogenoemde S/MIME encryptiestandaard van Ennetcom komt daar nog bij dat sprake was van een gesloten circuit, alleen PGP-telefoons die op basis van deze standaard werkten konden met elkaar communiceren. Er was dan ook geen sprake van verwerking van persoonsgegevens door Ennetcom en PGP-safe. Om die redenen is Richtlijn 2002/58/EG hier niet van belang. Evenmin is er bij de beheerders van de servers sprake van een verwerkingshandeling die valt onder EU-verordening 2016/679 of diens voorganger Richtlijn 95/46/EG.
3.3.4.2 Grondslag van de verkrijging van de data
Uitgangspunt voor de rechtbank is dat de doorzoekingen in serverruimtes in respectievelijk Canada en Costa Rica hebben te gelden als doorzoekingen bij Ennetcom en PGP-safe. Het kopiëren van een server in het kader van een doorzoeking is – anders dan de verdediging stelt – niet gelijk te stellen met bulkinterceptie. Het gaat immers niet om het onderscheppen van communicatie. De door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) vastgestelde kaders voor bulkinterceptie zijn daarom niet zonder meer toepasbaar op de doorzoekingen bij Ennetcom en PGP-safe. De stelling van de verdediging dat het hoofddoel van deze doorzoekingen was om de inhoud van alle berichten die op de servers aanwezig waren te verkrijgen – en dat er daarmee sprake is van overtreding van het verbod op détournement de pouvoir – heeft zij niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd en kan de rechtbank ook niet afleiden uit het strafdossier. Dit verweer wordt daarom verworpen. Dit geldt ook voor het verweer dat de in de rechtshulpverzoeken verzochte doorzoekingen in strijd waren met het beginsel van proportionaliteit: ook daarvoor bestaan onvoldoende aanwijzingen.
Bij de beoordeling van de vraag of het Openbaar Ministerie de rechtshulpverzoeken waarin om deze doorzoekingen werd gevraagd (mede) had moeten baseren op artikel 125la Sv dient als eerste de vraag beantwoord te worden of aanbieders van diensten als Ennetcom en PGP-safe beschouwd moeten worden als “aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst” als bedoeld in dat artikel. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De rechtbank Rotterdam bespreekt in haar vonnissen van 21 september 2021 tegen Ennetcom en haar middellijk bestuurder uitgebreid de wetsgeschiedenis dienaangaande. Kern is dat er aan de hand van die wetsgeschiedenis alle reden is om aan te nemen dat het begrip “aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst” in artikel 125la Sv verouderd is, omdat het verwijst naar de oude aanduiding van voor de Wet Computercriminaliteit II. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het nog in te voeren artikel 2.7.42 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv (nieuw)), gaat ook de wetgever ervan uit dat destijds over het hoofd is gezien om artikel 125la Sv aan de nieuwe omschrijving aan te passen. De rechtbank houdt het er daarom voor dat het begrip “aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst” in artikel 125la Sv dient te worden uitgelegd aan de hand van het begrip “aanbieder van een communicatiedienst” zoals thans verwoord in artikel 138g Sv. Een andere uitleg zou een merkwaardige, onbedoelde en met artikel 8 EVRM strijdige lacune doen ontstaan voor wat betreft de vertrouwelijkheid van elektronisch berichtenverkeer, waar gebruikers van dergelijk berichtenverkeer – destijds nog analoog aan het briefgeheim – in beginsel van uit mochten gaan. Inmiddels is de tekst van artikel 13 Grondwet, waarin de grondwettelijke bescherming van het briefgeheim is verwoord, overigens zodanig aangepast dat deze ook ziet op elektronische communicatie.
Conclusie
Niw.
To: Moi-myself-yo-ben
Subject:
Sent: Apr 17, 2016 7:20 PM
Hahahaha en check straks weer een hoerenzoon
17:26
[medeverdachte 4]
[betrokkene 23]
Ja tuurlyk vriendje van slager chino huilt is zyn brada alle info heeft hy gegeven en zeg die [medeverdachte 10] slager was in kanaleneiland en heb hem gelaten zodat die ze die kk verklaring intrekt en anders oorlog deze jongen was met ons 30jaar en heeft ons verkocht nu kan ze moeder huilen kk hoeren zoon !!! Dus willen ze oorlog gaat nooit meer stoppen!! [medeverdachte 10] wil oorlog om een kk kk verrader begrypt het leven niet meer broertje en zal u zeggen by deze vermoord myn hele familie my kunnen ze niet raken zal rust hebben als myn fam dood is zal ze allemaal laten zien wat oorlog is voor kk kk kkk informanten u afpersen bedreigen genoeg geweest ! [medeverdachte 10] moet weten deze jongen op myn hand opgegroeit en dus niks met hun te maken beter maakt die slager dood
17:31
[betrokkene 23]
[medeverdachte 4]
Bro die slager is ie gewoon in utka ?
17:33
[betrokkene 23]
[medeverdachte 4]
En deze jongen heeft ale info aan slager gegevn of wouten ?? Was deze jongen vriend van u bro ?? En die kk slager ging tog zijn verklaring intreken!!
17:37:20
[betrokkene 23]
[medeverdachte 4]
Ok bro ik ga van de week na m toe moet u mij exact zegen wat ie moet doen !! Doet het gelijk doet ie het niet dan moet ie zelf weten !
------Original Message------
From: Broer. Niw.
To: Moi-myself-yo-ben
Subject:
Sent: Apr 17, 2016 7:32 PM
Broertje tot de dood en verder en erna!! Heb ze fotos heads konden hem neuken en die broertje van chino u lees alleen slager beter praat u met de [medeverdachte 10] kk stront tyfus gangster als iemand van my praat dood hem my zelf broertje grote woorden voor een informant zyn leerling en allah vergeef wy sturen ze erheen!
17:37:41
[medeverdachte 4]
[betrokkene 23]
Broertje wil alleen weten of die nog achter die kk kk hoerenzoon van slager is met ze oorlog dan op ze oude dag zal die geen rust meer zien al denkt ie in utka king te zyn met verrader is uit gespeelt zodat we openlyk oorlog voeren tot aan onze kinderen aan toe !
17:38
[betrokkene 23]
[medeverdachte 4]
dus die kk homo heeft genoeg hun info gegevn !! En die hond heeft we'll balen dat ie gewoon rond loopt !!
------Original Message------
From: Broer. Niw.
To: Moi-myself-yo-ben
Subject:
Sent: Apr 17, 2016 7:34 PM
Deze hoerenzoon heeft alle info gegeven aan slager hy is met chino en ze broertje 24uur en was myn leerling 30jaar broertje dus [medeverdachte 10] moet weten wat ik met myn leerlingen doe. En iedereen fuck hun allemaal oorlog zeker tot dood en verder en nog slager in utka lopen hahahaha tfffooeeeeee vieze kk kk flikkers !
17:42
[medeverdachte 4]
[betrokkene 23]
Hy gaat slapen zodra die zyn verklaring intrekt en iedereen mag het weten hy gaat broertje fuck hem en alles hy hoeft niks in te trekken !!! Kk kk kk hoerenzonen
17:44
[medeverdachte 4]
[betrokkene 23]
Ken die hele hoerenzoon good good niet en die moet ook slapen check mocro deze week !! En dubai nergens meer gaan ze rust vinden
17:45
[betrokkene 23]
[medeverdachte 4]
K weet broer al deze elende heb ik gecreert mijn excuus broer zijn egt rotzooi gasten broer heben geen manieren geen eer niks !! En hun denken dat ie good good er achterzit begrijp u !!
------Original Message------
From: Broer. Niw.
To: Moi-myself-yo-ben
Subject:
Sent: Apr 17, 2016 7:41 PM
En die hele slager is om u broertje niemand anders ! En echt zit my dwars ! Zwaaar dat iemand nog zo praat en hy is goed met u tzzzzzzzzzz fuck hun en iedereen van hem erby laat hem nu info uit iemand halen
17:49
[medeverdachte 4]
[betrokkene 23]
Ok laat het zo broertje is goed slager gaat slapen
Uit onderstaande berichten blijkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] het de dag nadat [slachtoffer 4] vermoord is over hem hebben, hij was een vriend van de [betrokkenen 1 en 2] . [medeverdachte 8] noemt deze mensen ratten en honden. Verder laat [medeverdachte 4] zijn broer [betrokkene 10] die dag weten dat [medeverdachte 9] (black) nieuwe spot auto’s moet regelen. De spots moeten klaar staan. [betrokkene 10] had al aan [medeverdachte 9] doorgegeven dat er snel nieuwe auto’s moeten komen.
Dictum
Het briefgeheim wordt daarom nu brief- en telecommunicatiegeheim genoemd.
Het bovenstaande betekent echter niet dat daarmee artikel 125i Sv geheel uit beeld verdwijnt. Juist in het bijzondere geval dat de aanbieder van een communicatiedienst tevens verdachte is – zoals het geval is bij Ennetcom en PGP-safe – kunnen de opsporingsdiensten in het kader van een doorzoeking gegevens die in een bij die verdachte aanwezige gegevensdrager zijn opgeslagen, vastleggen op de voet van artikel 125i Sv. Artikel 125la Sv komt als lex specialis van artikel 125i Sv in beginsel pas in beeld als er communicatie tussen derden op deze gegevensdrager wordt aangetroffen en de officier van justitie daar kennis van wil nemen. Uit het rechtshulpverzoek inzake Ennetcom komt naar voren dat de politie ter voorbereiding van het rechtshulpverzoek in een testomgeving de BES-infrastructuur heeft nagebouwd. Op basis daarvan verwachtten de opsporingsdiensten dat er mede versleutelde communicatie tussen gebruikers van de dienst op de server zou staan en dat deze wellicht ook te ontsleutelen was. Daarnaast blijkt dat het zoveel mogelijk kennisnemen van die communicatie, in het licht van de witwasverdenking en de daaraan gekoppelde premisse dat de gebruikers overwegend criminelen waren die met elkaar communiceerden over criminele zaken, een doel was van de hele operatie. Ook uit het rechtshulpverzoek inzake PGP-safe blijkt dat de opsporingsdiensten, op basis van de ervaringen die dan al zijn opgedaan met Ennetcom, verwachtten PGP-communicatie tussen gebruikers van de dienst aan te treffen en te kunnen ontsleutelen. De stelling van de verdediging dat het hoofddoel van de rechtshulpverzoeken was om de hand te leggen op alle communicatie is niet onderbouwd en acht de rechtbank, zoals hiervoor al is geoordeeld, ook niet aannemelijk. Het gegeven dat wel verwacht kon worden inhoudelijke communicatie aan te treffen maakt echter dat het Openbaar Ministerie naar het oordeel van de rechtbank artikel 125la Sv mede aan de beide rechtshulpverzoeken ten grondslag had moeten leggen en dat deze dus vergezeld hadden moeten gaan van een machtiging van de rechter-commissaris.
Het ontbreken van de voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris levert een onherstelbaar vormverzuim op. Dit vormverzuim heeft zich weliswaar niet in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachten in Marengo voorgedaan, maar zoals hiervoor overwogen zal wel moeten worden beoordeeld of dit vormverzuim tot consequenties moet leiden in deze strafzaak. Bij die beoordeling houdt de rechtbank rekening met het belang dat het voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat het Openbaar Ministerie artikel 125la Sv bewust buiten toepassing heeft gelaten met als doel om (eventuele restricties van) een rechterlijke machtiging te omzeilen. Evenmin is gebleken dat het Openbaar Ministerie de Canadese en Costa Ricaanse rechter op dit punt doelbewust heeft misleid. De verdediging stelt dat de mededeling in het rechtshulpverzoek dat uit het centrale bedrijfsprocessen systeem naar voren komt dat PGP-safe toestellen voorkomen in onderzoeken met betrekking tot (onder meer) terrorisme als een verzwaring van de verdenking moet worden beschouwd en diende om de Costa Ricaanse autoriteiten te misleiden, maar die stelling kan de rechtbank niet volgen. Deze passage leest de rechtbank als een illustratie van het soort feiten dat met behulp van encrypte communicatie wordt voorbereid en gepleegd.
De rechtbank gaat ervan uit dat, als de officier van justitie in Nederland om een machtiging had verzocht, de rechter-commissaris deze had afgegeven, gezien de ernst van de verdenkingen en hetgeen bekend was over Ennetcom en PGP-safe, namelijk dat de diensten van deze aanbieders (bij uitstek) werden gebruikt om communicatie over ernstige strafbare feiten geheim te kunnen houden, zoals ook uitvoerig uiteen is gezet in de rechtshulpverzoeken. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, te weten rechterlijk toezicht op het verkrijgen van gevoelige gegevens, is groot, maar nakoming van het voorschrift zou in dit geval voor deze zaak geen andere uitkomst hebben gehad. Kennisname van de communicatie van de gebruikers van de diensten van verdachten was immers van evident belang in het licht van de tegen hen – Ennetcom en PGP-safe – bestaande verdenking. De omstandigheid dat bij het kopiëren van de servers een – gezien het retentiebeleid van Ennetcom en PGP-safe – onverwacht grote hoeveelheid versleutelde berichten van gebruikers zijn vastgelegd, maakt dit niet anders.
Het nadeel dat door het vormverzuim zou zijn geleden, kan volgens vaste jurisprudentie niet gelegen zijn in de ontdekking van een strafbaar feit. In het onderhavige geval kan hoogstens in algemene zin worden gezegd dat bij het kopiëren van een dergelijke grote hoeveelheid versleutelde communicatie altijd in enige mate sprake is van privacyschending. De verdachten in Marengo betwisten overigens voor het overgrote deel dat zij degenen zijn die aan de veiliggestelde en overgedragen communicatie hebben deelgenomen. De rechtbank concludeert dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.
3.3.4.3 Verwerking van de PGP-data in de onderzoeken Ennetcom en PGP-safe
De opsporingsdiensten hebben gelet op het voorgaande de datasets met een zeer grote hoeveelheid vertrouwelijke communicatie rechtmatig verkregen door de servers van Ennetcom en PGP-safe te kopiëren. Een wettelijke regeling voor de toegang tot en het beheer van dergelijke datasets kent het Nederlandse strafvorderlijke stelsel nog niet. De datasets zijn immers niet in het beheer van de opsporingsdiensten gekomen door de inbeslagname van een gegevensdrager of door vordering van deze gegevens overeenkomstig artikel 126ng Sv. In de Smartphone-arresten van de Hoge Raad van 4 april 2017 is bepaald dat een opsporingsambtenaar een onderzoek aan deze gegevensdrager kan verrichten indien de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. Indien bij het onderzoek sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene is onderzoek door de officier van justitie of zelfs de rechter-commissaris aangewezen. Daarbij valt – in het licht van artikel 8 EVRM – aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, aldus de Hoge Raad.
Uitgangspunt in deze arresten is het algemene kader voor inbeslagneming van voorwerpen en de daaraan gekoppelde bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen. Deze bevoegdheden kunnen op grond van de artikelen 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van artikel 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens artikel 141 aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van artikel 104 Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar. Deze wettelijke bepalingen vormen ook een voldoende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen als elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Naar het oordeel van de rechtbank dient dat ook te gelden voor dergelijk onderzoek aan van elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken veiliggestelde gegevens, die op basis van een rechtshulpverzoek door een buitenlandse autoriteit zijn overgedragen.
Conclusie
Uit het bericht van 20:29:14 uur in samenhang met het antwoord van [betrokkene 10] blijkt dat de auto’s ook zijn geregeld door [medeverdachte 9] .
18 april 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
20:14
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
"Gaat goed hmdl en met u mr? Nee niet echt alleen een dief die is gaan slapen voor de rest niks bijzonders mr haha!
20:17
[medeverdachte 8]
[medeverdachte 4]
"Was een vriend van die chinos de broertjes gewoon ratten en honden!
20:27
[medeverdachte 4]
[betrokkene 10]
"Waar hun willen hoe eerder hoe beter ! Zorg dat spots klaar staan en die polos moeten uit elkaar zeg black nieuwe spot autos pakken ! Als wat by mam is direct erheen
20:29:05
[betrokkene 10]
[medeverdachte 4]
"heb black al doorgegeven snel nieuwe fietsen te regelen.
20:29:14
[medeverdachte 4]
[betrokkene 10]
"Zyn er !
20:30
[betrokkene 10]
[medeverdachte 4]
"Hij moest nog papieren regelen dat kon niet in 1 dag.
4.2.5.4 Periode van 20 mei tot en met 1 juni 2016
Door [medeverdachte 5] is verklaard dat zich ergens in mei 2016 bij de Platinum Lounge in Utrecht een situatie heeft voorgedaan waardoor gedacht werd dat [medeverdachte 11] ontvoerd zou worden en dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] daarbij betrokken waren. De volgende chats bevestigen dat daar inderdaad sprake van is geweest. Uit onderstaande berichten blijkt verder dat [medeverdachte 4] direct als hij dit hoort informatie over [betrokkene 3] vraagt aan [medeverdachte 8] . Weliswaar ontbreken bij deze chats de antwoorden van [medeverdachte 11] en [medeverdachte 8] , maar uit de inhoud van de chats blijkt dat zij wel hebben geantwoord. [medeverdachte 4] legt aan [medeverdachte 11] uit dat er een oorlog gaande is, dat er op [betrokkene 3] gejaagd gaat worden en dat niet alleen [betrokkene 3] gedood zal worden. [slachtoffer 1] (die yoego), [betrokkene 1] (chino) en [betrokkene 2] (zyn broertje) moeten ook dood. [medeverdachte 4] laat [medeverdachte 8] weten dat [betrokkene 3] iemand (van hem) heeft willen laten ontvoeren en dat nu eerst [betrokkene 3] en dan [betrokkene 1] en [slachtoffer 1] gedood zullen worden. [medeverdachte 4] stuurt [medeverdachte 8] berichten van [medeverdachte 11] (Steen) door. [medeverdachte 4] geeft aan dat als [medeverdachte 11] het wil er ook met [betrokkene 1] kan worden begonnen, hij is in Kanaleneiland en makkelijk voor de jongens van [medeverdachte 4] .
Dictum
Dit is in lijn met het toekomstige artikel 2.7.38 Sv (nieuw), dat in grote lijnen een codificatie van de Smartphone-arresten bevat. Dit artikel spreekt naast stelselmatig onderzoek van gegevens in een digitale gegevensdrager of geautomatiseerd werk, ook over dergelijk onderzoek ten aanzien van gegevens die hieruit zijn overgenomen. Het wettelijk stelsel, zoals door de Hoge Raad uitgelegd in de Smartphone-arresten, voorziet daarmee in een drietrapsraket voor onderzoek dat ook van toepassing is op de veiliggestelde PGP-data.
Het volledig kopiëren van een geautomatiseerd werk wordt in de Memorie van Toelichting van het hiervoor genoemde nieuwe wetsartikel genoemd als voorbeeld van een onderzoekshandeling waarbij op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar is dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven kan worden verkregen. Dat is in zijn algemeenheid juist als dit geautomatiseerde werk te koppelen is aan een persoon, maar daar is in het onderhavige geval geen sprake van. De verwachte privacyschending door het kopiëren van de Ennetcom- en PGP-safe-data is – zelfs bij volledige ontsleuteling van alle berichten – naar zijn aard beperkt, omdat niet te verwachten is dat de data op de server, waaronder de communicatie, direct te herleiden is naar individuele gebruikers. Deze hoefden immers niet hun identiteit of andere persoonsgegevens kenbaar te maken aan de aanbieders van deze dienst en dus is het hoogst onwaarschijnlijk dat (meta)data die rechtstreeks zou kunnen leiden naar de gebruikers, terug zijn te vinden op de servers van Ennetcom en PGP-safe. Ten aanzien van het berichtenverkeer geldt bovendien dat redelijkerwijs te verwachten was dat gebruikers niet onder eigen naam communiceren en dat de communicatie overwegend crimineel en zakelijk van aard zou zijn. Daardoor was in die fase niet op voorhand te voorzien dat bemoeienis van de officier van justitie of rechter-commissaris aangewezen zou zijn. Het onderzoek van de onderzoeksteams De Vink en Sassenheim was niet gericht op identificatie van de gebruikers van de dienst, maar op het vaststellen van de overwegend criminele context van hun communicatie. De kennisname van de communicatie door dit onderzoek was daarom niet meer dan een beperkte inbreuk op de privacy van iedere individuele gebruiker. De omstandigheid dat het veel gebruikers betreft maakt dat niet anders. Overeenkomstig het hiervoor geschetste kader is het ontsleutelen van de communicatie proportioneel en mocht dit vervolgonderzoek in die strafzaken door opsporingsambtenaren plaatsvinden.
3.3.4.4 Doorverstrekking van de PGP-data aan andere onderzoeken
De vraag is of de Nederlandse opsporingsdiensten door het bewaren van die gegevens – volgens de verdediging in strijd met nationale en internationale regels van privacybescherming – ongerichte bulkdata onder zich hebben. Dat er sprake is geweest van het bewaren van een grote hoeveelheid privacygevoelige data is voor de rechtbank evident. Van een algemene en ongedifferentieerde verzameling data, wat doorgaans bedoeld wordt met bulkdata, kan – anders dan de verdediging stelt – echter niet worden gesproken. Het gaat immers om de data van een afgebakende groep, namelijk de gebruikers van respectievelijk Ennetcom en PGP-safe, en om een concrete verdenking dat deze diensten gebruikt werden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten bezig hielden. Dat is een wezenlijk andere situatie dan bijvoorbeeld het bewaren van alle metadata van alle abonnees van een (willekeurige) telecomprovider ten behoeve van toekomstige strafrechtelijke onderzoeken. Desalniettemin staat voor de rechtbank vast dat reeds het bewaren van de data enige inbreuk maakt op de privacy van de betrokkenen. Dat hierbij zou zijn gehandeld in strijd met nationale of Europese wet- en regelgeving is door de verdediging echter niet aannemelijk gemaakt en is de rechtbank ook anderszins niet gebleken.
De vraag is echter wel hoe met deze hoeveelheid onderzoeksgegevens moet worden omgegaan. EU-Richtlijn 2016/680 heeft betrekking op de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd door wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, alsmede het Besluit politiegegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten. Deze regelgeving is van belang als (persoons)gegevens die onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten zijn verkregen en vervolgens aan de Nederlandse autoriteiten ter beschikking zijn gesteld, in Nederland worden verwerkt ten behoeve van de opsporing of vervolging. In zijn algemeenheid is doelbinding een belangrijk beginsel bij de normering van onderzoek aan in de opsporing verkregen gegevens. Met andere woorden: uitgangspunt is dat dergelijke gegevens slechts gebruikt worden voor het doel waarvoor ze verzameld zijn. Doelafwijkend gebruik is echter toegestaan als dit bij wet is voorzien, noodzakelijk en proportioneel is. De eerste Ennetcom-berichten die aan het onderzoeksteam Marengo werden verstrekt waren afkomstig uit het onderzoek Tandem. Dat aan de verkrijging in het onderzoek Tandem gebreken kleven die gevolgen zouden moeten hebben voor het onderzoek Marengo kan de rechtbank niet volgen. Bij de samenstelling van de Tandem-dataset is, om uitvoering te geven aan de voorwaarde zoals gesteld door de Canadese rechter, gekozen voor de daar beschreven procedure bij de rechter-commissaris, via een vordering van de officier van justitie op grond van de artikelen 181, 177 en 126ng Sv. Anders dan de verdediging aanvoert is de constructie die is gekozen om aan de voorwaarden van de Canadese rechter te voldoen, zie de Hoge Raad in het hiervoor aangehaalde arrest van 13 juni 2023, toelaatbaar. Dat in het onderzoek Tandem bij de samenstelling van de dataset niet is gewerkt conform het plan van aanpak op de wijze zoals de rechter-commissaris dat voor ogen had, doet aan de rechtmatigheid van de Tandem-dataset niet af. De rechtbank heeft in die zaak (overigens) geoordeeld dat op dit punt sprake is van een onherstelbaar vormverzuim maar heeft aan dat vormverzuim geen consequenties verbonden.
Dat het onderzoeksteam Tandem in strijd met de Canadese voorwaarde gegevens heeft gedeeld met het onderzoeksteam Marengo vindt geen steun in het dossier, nu dit met machtiging van de rechter-commissaris is gedaan. Anders dan de verdediging stelt, zijn er evenmin aanwijzingen dat opsporingsambtenaren de Tandem-dataset zonder rechterlijke toestemming hebben bestudeerd en gebruikt voor andere onderzoeken.
Hiervoor is bij de beschrijving van de feitelijke gang van zaken vermeld hoe informatie uit de onderzoeken Sassenheim en De Vink (via een tussenstap in het onderzoek Tandem) bij Marengo is gekomen. De vraag is of dit gebruik voor een ander doel is toegestaan. Bij de Ennetcom-data is, om uitvoering te geven aan de voorwaarde zoals gesteld door de Canadese rechter, gekozen voor de daar beschreven procedure bij de rechter-commissaris, via een vordering van de officier van justitie op grond van de artikelen 181, 177 en 126ng Sv. Hiervoor is al overwogen dat deze werkwijze toelaatbaar is. De doorverstrekking is dus bij wet voorzien. Zij is ook proportioneel en noodzakelijk, nu het in de machtigingen van de rechter-commissaris steeds gaat om e-mailadressen en zoektermen die rechtstreeks gerelateerd zijn aan levensdelicten en de identificatie van deze e-mailadressen slechts plaatsvindt voor zover de communicatie enige relevantie heeft voor het onderzoek naar deze levensdelicten.
Conclusie
20 mei 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
10:58
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Huh wat zeg je wie wou jouw meenemen? Waar hoe??
10:59
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Wie wou u meenemen wie zegt dat?
11:01
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Leg even uit hoe wat waar???
11:02:20
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Ok heb je die gasten aangesproken??
11:02:57
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Broer die slager is vaak vaak kanaleiland met die broertje van chino!
11:03
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Salam sir even vraag hebt u nieuws van die slager??
11:05
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Wat voor gasten broer?? Die slager gaat 10juni na rechtbank zyn aanklacht terug trekken alles zeggen ze hebben wat in zyn koffie gedaan! Die slager die wil echt geen problemen als je wilt gaan we vol op hem jagen meteen slapen zeg maar! Maak ik er 24uur werk van
11:07
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Je moet meer hoek van die Amersfoort kyken broer heb u al gezegt ze kunnen niemand van ons pakken alleen jy blyft daar trippen alsof er niks aan de hand is en iedereen weet u bent onze broer en is zware zware oorlog dat heb ik u tevaak uitgelegt u denkt is spelletjes!
11:09
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Ok broer dan gaat ie slapen gaan vol op hem dan 24uur kyk jy welke info je kan krygen ook in span laat ik hem ook slapen waar dan ook België ook goed
11:10
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Nee dan ben je zeker oké duidelyk
11:41
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Maak je niet druk maar je moet weten als slager gaat slapen moet ook die yoego en chino en zyn broertje! En die neefje van [medeverdachte 10] waar jy altyd mee zit zyn broer die is altvd altyd met slager weet alles broer
11:45
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Sir die slager wou gisteren iemand laten ontvoeren die hond
12:01:11
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Ja iemand van my sir haha u kan gedachte lezen gaan ze allemaal laten slapen ben deze hond zat
12:01:13
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
FW: Steen [05/20/2016 @ 2:3 pm]
Toen ik naar buiten kwam hun kwamen niet uit de richting van die bus maar van andere kan of zijn hun afgezet of zijn ze met andere auto gekomen maar toen ik naar de auto liep zag ik hun in die bus zo dome ackie van hun
12:01:17
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
FW: ANGEL OF DEATH
[05/20/2016 @ 2:10 pm]
FW: Steen [05/20/2016 @ 2:5 pm]
lk denk twee morcros en zo holander of oosterblok gast en 1 was op het uit kijk voor de deur bij zo brand trap
12:05:12
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Broer wat is er met u spoor je niet of zo ik vraag.u alleen wat voor auto en gasten zodat ik kan uitzoeken dus wat zeg j
Dictum
Voor de stelling van de verdediging dat de rechter-commissaris is misleid door een onzorgvuldige vertaling van de voorwaarde van de Canadese rechter heeft de rechtbank geen ondersteuning in het dossier aangetroffen.
Voor de doorverstrekking van de PGP-safe-data is de wettelijke procedure van artikel 126dd Sv gevolgd. Deze regeling kent geen voorziening van een rechterlijke toetsing voor zover de doorverstrekte data elektronisch berichtenverkeer betreft waarvan de inhoud in het eerdere strafrechtelijke onderzoek nog niet bekend was. Een dergelijke in de wet verankerde toets ligt – nu zonder meer vaststaat dat de bescherming van het briefgeheim zich ook uitstrekt tot dat elektronisch berichtenverkeer – wel voor de hand. Dit leidt de rechtbank ook af uit de hiervoor al aangehaalde arresten van het EHRM van 25 mei 2021 over interceptie van (bulk)communicatie. De door het kopiëren van de servers van Ennetcom en PGP-safe verkregen communicatie is weliswaar niet door interceptie verkregen, maar het kader dat door het EHRM wordt gegeven voor de verdere verwerking van deze privacygevoelige data is in dit geval wel toepasselijk. Daarbij geldt dat er sprake moet zijn van een ‘independent authorisation’ indien dieper in de data wordt doorgedrongen, zodat een onafhankelijke autoriteit beoordeelt of de inbreuk op de in artikel 8 lid 1 EVRM genoemde belangen binnen de grenzen blijft van wat noodzakelijk is in een democratische samenleving. De Nederlandse officier van justitie voldoet niet aan die eis van onafhankelijkheid. Een machtiging door een rechter-commissaris voldoet daar wel aan. Ook een wijze van rechterlijk toetsen zoals voorgeschreven door de Canadese rechter bij de Ennetcom-data, waarbij kortweg alleen onderzoek naar zeer ernstige strafbare feiten een schending van het briefgeheim rechtvaardigt en een rechter die een en ander normeert, volstaat.
Het ontbreken van een machtiging van een rechter om de PGP-safe gegevens door te verstrekken aan andere onderzoeken is een onherstelbaar vormverzuim. De vraag is vervolgens welke gevolgen dit verzuim dient te hebben. Bij die beoordeling houdt de rechtbank rekening met het belang dat het voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Het belang – bescherming van de privacy – is groot, maar de ernst van dit verzuim dient wel te worden gerelativeerd.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het Openbaar Ministerie bewust een rechterlijke machtiging heeft willen omzeilen; de bestaande wettelijke regeling is immers gevolgd. De criteria op basis waarvan de officier van justitie de PGP-safe-data heeft doorverstrekt – het gaat om een op dat moment nog niet opgehelderd levensdelict en om specifieke e-mailadressen die te koppelen zijn aan de gebruikers van de e-mailadressen die hierover spreken – zijn bovendien zodanig dat een rechter zonder meer deze machtiging zou hebben afgegeven. Deze doorverstrekking voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het nadeel dat door het vormverzuim zou zijn geleden, mag volgens vaste jurisprudentie niet gelegen zijn in de ontdekking van een strafbaar feit. In het onderhavige geval kan als nadeel dan in algemene zin worden genoemd: een inbreuk op de privacy, al betwisten de verdachten in Marengo voor het overgrote deel dat zij degenen zijn die aan de veiliggestelde en overgedragen communicatie hebben deelgenomen. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.
3.3.5
Geheimhoudersbelangen bij verkrijging en verwerking van de PGP-data
3.3.5.1 Verweer van de verdediging
De verdediging betoogt dat de politie en het Openbaar Ministerie bij de verkrijging en verdere verwerking van de PGP-data structureel en opzettelijk tekort zijn geschoten in hun zorgplicht ten aanzien van geheimhoudersbelangen en -rechten en dat dit tot onherstelbare schendingen daarvan heeft geleid. Bovendien stelt zij dat deze schendingen structureel zijn en zich niet tot deze zaak hebben beperkt.
3.3.5.2 Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. In zijn arrest van 20 september 2022 overweegt de Hoge Raad dat met het voorschrift van artikel 126aa lid 2 Sv is beoogd het belang te beschermen dat eenieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk een advocaat te raadplegen, zonder vrees voor openbaarmaking van wat aan de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd. Het voorschrift strekt ertoe dat gegevens die als gevolg van de toepassing van de bevoegdheden genoemd in artikel 126aa lid 1 Sv zijn verkregen, onmiddellijk worden vernietigd indien zij vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv, zodat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Uit artikel 126aa lid 2 Sv vloeit derhalve voort dat gegevens als in die bepaling bedoeld niet in het strafproces kunnen worden gebruikt.
In het Marengo-dossier zijn geen berichten uit de Marengo-dataset gevoegd die later geheimhoudersberichten bleken te zijn. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat in het onderzoek Marengo PGP-geheimhouderscommunicatie tussen verdachten en hun raadslieden op enigerlei wijze een rol heeft gespeeld. Van schending van geheimhoudersbelangen in de zaak Marengo is – voor zover het PGP-kwesties betreft – in zoverre dus geen sprake. Wat in het licht van bovengenoemd kader van artikel 126aa lid 2 Sv wel bevreemdt is dat op meerdere plaatsen in het Marengo-dossier (doorstuur)berichten voorkomen die als (mogelijke) geheimhoudersberichten zijn te identificeren en die kennelijk deel uitmaken van een proces-verbaal dat vanuit een ander onderzoek aan Marengo is verstrekt. Het Openbaar Ministerie noemt daarvan twee voorbeelden en ook de rechtbank is nog een dergelijk bericht tegengekomen. Dergelijke geheimhouderscommunicatie dient niet in een strafproces te kunnen worden gebruikt en dient dus ook niet te worden gevoegd in een ander strafproces. Of dit een verzuim is in de zin van artikel 359a Sv zal aan het eind van deze paragraaf worden besproken.
Voorts dient te worden besproken een door de verdediging aangevoerd incident, waarbij tijdens een inzage door de verdediging (mrs. [advocaat 2] en [advocaat 3] ) bij het NFI op 19 juli 2022 in de Marengo-dataset met behulp van Hansken een geheimhoudersbericht zichtbaar werd. Het NFI heeft in opdracht van het Openbaar Ministerie uiteengezet hoe dit heeft kunnen plaatsvinden. De uitleg komt erop neer dat de Hansken-omgeving waarin deze inzage plaatsvond een andere is dan die waartoe de politie toegang heeft en dat dit bericht abusievelijk zichtbaar was in de NFI-omgeving. Dit zegt uiteraard iets over de (onvolkomen) wijze waarop het onleesbaar maken van geheimhoudersberichten plaatsvindt. Daarop zal verderop in deze paragraaf nader worden ingegaan. Genoemd bericht maakt echter – zoals onbetwist door het Openbaar Ministerie gesteld – geen deel uit van het Marengo-dossier of van de Marengo-dataset waarin procespartijen inzage hebben. Dit wordt bevestigd door het feit dat de verdediging na die inzage heeft verzocht om voeging in het Marengo-dossier van zeven PGP-berichten, waaronder het desbetreffende geheimhoudersbericht, maar dat de politie juist dat ene bericht niet kon vinden. De rechtbank beschouwt deze kwestie dan ook als een onfortuinlijke vergissing tijdens de inzage bij het NFI en niet als een verzuim in de zaak Marengo.
Conclusie
y my nu allemaal zeg ik u bent gek of wat?? En zo wie zo die hond slapen
12:05:45
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
100 procent die ! Want hij werkt met die slager en is zo een domme ezel! Was het een beetje dunne mocro beetje lang rond de 1,85 donkere ogen en beetje dikke wenkbrauwen! Als hij dat kon zien!
12:06
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
FW: Steen [05/20/2016 @ 2:2 pm]
Zo grote bus mercedes sprinter of vw kraffter wel hele grote witte
-----Origineel bericht------
Van: 777777 19 03
Onderwerp: <$RemoveOnDelivery,Confirm> B33AQ
Verzonden: 20 Mei 2016 13:46
Wat voor busje en waren het mocros? Of blackas??
12:11
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Had die geen koelcel boven die bus? Dat het een koelcel bus was? Met die ventialtie systeem op de boven kant? En een grijze achter deur toevallig? En het is 100 procent die groep!, die [betrokkene 49] iemand van zijn jongens of iets en die slager die hond dan! Kan niet anders! Als het die groep is!
12:13
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Steen [05/20/2016 @ 2:20 pm]
Subject: Re:
1 lange dun en twee stevig komt wel met die beschrijfting wat u net gaf
12:13
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Broer dan is die neef van [medeverdachte 10] erby die is altyd nu met slager niet die op die jongen had geschoten maar zyn broer
12:15
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Als u wilt beginnen we met die chino, die is in kanaleneiland en makkelijk voor mijn jongens ook! Kunnen hem helemaal afzetten en snel doen..
Kennen alles daar! Als u ok zegt laat ik er werk van maken! Ben ze ook allemaal zat wollah!
12:19:07
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Als het die slager is, dan is die neef het zeker! Hij is zo een type, hij heeft even kort gezeten voor die ontvoering van goed goed! Deed hij het ook met die slager en [medeverdachte 10] ! En later is er gelekt dat ze weinig geld hadden gekregen en die joegos 6ton! En die neef maar 20 ruggen werd hij gek hahaha! Zij hij tegen [medeverdachte 10] 2 ton ook of ik maak jou af! Want hij had goed goed over de grens en alles gereden enzo!
12:19:08
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Nee hebben oorlog met [medeverdachte 10] broer
12:25
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Broer doe godverdomme niet eigenwys jy weet geen shit man doet alsof je alles weet ga beter info vragen!!!! Die neefje is by [medeverdachte 10] ze broer aan deur gegaan met die suris van nieuwegein bedreigt alles man doe godverdomme niet alsof je beter weet als my ga je info opnieuwvragen
12:39:28
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Broer u bent eigenwys weet precies alles wie wat en waar! U niet blykbaar is met werk geworden mensen na hel sturen en info verzamelen!
12:39:30
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Toen had [medeverdachte 10] die neefje gebeld! En begon hij hem te dreigen ik maak je af en je moet betalen 2ton! Dus afperssen zeg maar!
12:41
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Ik weet dat het klopt u weet geen moer alleeen wat je op straat hoort
Over de kwestie in de laatste chats rond een persoon die twee ton (van [medeverdachte 10] / [medeverdachte 10] ) wil en aan de deur is geweest (by [medeverdachte 10] ze broer) ontspint een discussie tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 11] . De rechtbank hecht hier belang aan omdat de berichten duidelijk maken dat [medeverdachte 4] over zichzelf zegt dat hij alles weet, informatie verzamelt en mensen naar de hel stuurt, dat dat zijn werk is geworden, terwijl [medeverdachte 11] alleen zou weten wat op straat is te horen.
[medeverdachte 4] laat vervolgens kort na elkaar aan [medeverdachte 11] en [medeverdachte 8] weten dat alle zeilen worden bijgezet om [betrokkene 3] snel te doden. [medeverdachte 11] moet [medeverdachte 4] foto’s sturen van [betrokkene 3] . De rechtbank kan niet vaststellen dat [medeverdachte 11] dat daadwerkelijk heeft gedaan. [medeverdachte 4] gaat nu 24 (de rechtbank begrijpt: 24 uur per dag) achter [betrokkene 3] aan. [medeverdachte 4] weet waar [betrokkene 1] en [slachtoffer 1] zijn (heb ik allang lang geplaats) en zij kunnen vandaag meteen worden gedood.
Dictum
In het begin van dit hoofdstuk heeft de rechtbank geoordeeld dat eventuele vormverzuimen bij de verkrijging en de verwerking van de PGP-data binnen de onderzoeken De Vink en Sassenheim van bepalende invloed zijn geweest bij het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachten in het onderzoek Marengo. Gelet daarop dient de rechtbank te beoordelen of in die zaken schendingen van geheimhoudersbelangen hebben plaatsgevonden.
Daarbij geldt voor de rechtbank als uitgangspunt dat het voor de opsporingsdiensten bij het kopiëren van servers weliswaar niet evident was dat daar ook geheimhouderscommunicatie op zou staan, maar dat zij met die mogelijkheid wel rekening dienden te houden. Uit de processen-verbaal waarin hiervan verslag wordt gedaan blijkt ook dat zij dat hebben gedaan. De opsporingsdiensten hebben van meet af aan inspanningen verricht om te bewerkstelligen dat mogelijke geheimhouderscommunicatie werd onderkend en ontoegankelijk werd gemaakt. Zo is op de dag van het veiligstellen van de Ennetcom-data in Canada naar alle PGP-gebruikers van Ennetcom het bericht uitgegaan dat de serverinhoud in beslag is genomen en zijn professioneel verschoningsgerechtigden opgeroepen zich te melden bij de politie. Hetzelfde is gedaan op de dag dat in Costa Rica de PGP-safe server (gedeeltelijk) was gekopieerd.
Deze oproepen hebben er echter niet toe geleid dat enig professioneel verschoningsgerechtigde zich heeft gemeld als Ennetcom- of PGP-safe-gebruiker. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat ofwel professioneel verschoningsgerechtigden, waaronder advocaten, geen gebruik maakten van de diensten van Ennetcom en PGP-safe, ofwel dat zij zich om hen moverende redenen niet hebben willen melden. Als dat laatste het geval is, dan betekent dat dat er mogelijk communicatie die onder het verschoningsrecht valt is verscholen in de voor de opsporingsdiensten toegankelijke berichten. Omdat deze communicatie niet als zodanig is te herkennen zonder daar kennis van te nemen, neemt de professioneel verschoningsgerechtigde het risico dat zijn geprivilegieerde communicatie door de opsporingsdiensten wordt gelezen en zelfs (ongewild) een rol kan gaan spelen in een strafdossier. De verdediging heeft betoogd dat het in strijd zou zijn met haar geheimhoudingsplicht als zij gehoor zou geven aan een dergelijke oproep. Die stelling is – zo begrijpt de rechtbank – kennelijk gebaseerd op de vrees dat ondanks dat een advocaat zijn PGP-adres(sen) heeft doorgegeven, door de opsporingsdiensten kennis zal worden genomen van de inhoud van de berichten van die desbetreffende lijn(en) en/of dat/die PGP-adres(sen) van (een) cliënt(en) waarmee is gecommuniceerd via een achterdeur bekend worden bij de opsporingsdiensten. Dit kennelijk op wantrouwen jegens deze diensten gebaseerde standpunt mag de verdediging innemen, maar het niet melden heeft dan wel tot gevolg dat bovengenoemd risico wordt gelopen. Naar het oordeel van de rechtbank mag van een advocaat in deze situatie worden verwacht dat hij zich inspant om deze professionele spagaat te adresseren, bijvoorbeeld door zich hiermee te wenden tot zijn beroepsorganisatie, die hier vervolgens op kan acteren. Het is de rechtbank niet bekend of dit destijds is gebeurd.
Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie zelf getracht professioneel verschoningsgerechtigden te identificeren door de Ennetcom- en PGP-safe-data te doorzoeken op relevant geachte zoektermen. Naar het oordeel van de rechtbank was er op dat moment geen aanleiding voor om bij die zoektocht individuele geheimhouders (die zich immers niet gemeld hadden) of enige beroepsorganisatie te betrekken. De zoekslag die volgde heeft geleid tot de vondst van berichten die herleidbaar waren naar e-mailadressen die mogelijk in gebruik waren bij professioneel verschoningsgerechtigden. Die e-mailadressen en de bijbehorende data zijn hierop onzichtbaar en ontoegankelijk gemaakt. Voorts is een procedure in het leven geroepen die inhoudt dat indien bij het doorzoeken van de data toch op mogelijke informatie van professioneel verschoningsgerechtigden wordt gestuit, deze informatie ontoegankelijk wordt gemaakt, waarbij door personen buiten het onderzoeksteam wordt beoordeeld of ook de andere communicatie die herleidbaar is naar dat e-mailadres mogelijk onder het verschoningsrecht valt. De beoordeling of in een dergelijk geval sprake is van geheimhouderscommunicatie wordt gedaan door een officier van justitie die niet bij het betreffende onderzoek betrokken is. In afwachting van diens beslissing wordt de aangetroffen communicatie steeds zekerheidshalve onzichtbaar gemaakt.
De vraag die beantwoord moet worden is of het Openbaar Ministerie met deze benadering de in acht te nemen zorgvuldigheid ter zake van de communicatie van professioneel verschoningsgerechtigden voldoende heeft gewaarborgd. Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 20 september 2022 leidt de rechtbank af dat het zogenoemde uitgrijzen van geheimhouderscommunicatie slechts te beschouwen is als vernietigen als bedoeld in artikel 126aa lid 2 Sv, als verzekerd is dat de gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht kan worden geslagen. Dat verzekeren heeft de Hoge Raad zodanig genormeerd dat vaststellingen dienen te worden gedaan over de wijze waarop is gewaarborgd dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de uitgegrijsde gegevens, waarbij ook van belang is dat als er technisch mogelijkheden bestaan om eenmaal gegrijsde informatie opnieuw toegankelijk te maken, moet blijken voor wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden deze gegevens dan opnieuw toegankelijk kunnen worden.
Uit de hiervoor beschreven inspanningen blijkt dat het Openbaar Ministerie zich zeer bewust was van de noodzaak om protocollen te ontwikkelen over de wijze waarop voldaan zou moeten worden aan de bepalingen van artikel 126aa lid 2 Sv en artikel 5 lid 1 en 2 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken.
Het dossier bevat de reeds aangehaalde processen-verbaal over het schoningsproces in de zaken De Vink en Sassenheim. Ook bevat het dossier algemene NFI-informatie over de functionaliteiten binnen Hansken (zoals het toekennen van de verschillende ‘rollen’) om procedures rondom geheimhouderinformatie te faciliteren overeenkomstig de – eveneens in het dossier gevoegde – Handleiding Verwerking geheimhouderinformatie aangetroffen in inbeslaggenomen voorwerpen en in digitale bestanden van de landelijke vergadering rechercheofficieren, van juni 2014.
De rechtbank stelt vast dat het uitgrijzen in de zaken De Vink en Sassenheim niet volledig aan de door de Hoge Raad geformuleerde standaard voldoet. Met name aan de eis dat ‘moet blijken voor wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden deze gegevens dan opnieuw toegankelijk kunnen worden’ is in de zaken De Vink en Sassenheim onvoldoende kenbaar voor de rechtbank voldaan. En uit het incident waarbij de verdediging tijdens een inzage bij het NFI opeens op een geheimhoudersbericht in een zogenoemde werkset kon stuiten terwijl dat bericht eigenlijk uitgegrijsd was, leidt de rechtbank af dat in de uitvoering dingen mis kunnen gaan. Echt verbazingwekkend is dat natuurlijk niet. Het Openbaar Ministerie, de politie en het NFI hadden – door het kopiëren van de servers van Ennetcom en PGP-safe met daarop miljoenen versleutelde berichten – met een nieuw fenomeen te maken. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij daarbij geprobeerd zo goed mogelijk de belangen van professionele geheimhouders te beschermen.
Het niet-vernietigen als bedoeld in artikel 126aa lid 2 Sv (of overeenkomstig de door de Hoge Raad geformuleerde standaard uitgrijzen) van geheimhouderscommunicatie levert een onherstelbaar vormverzuim op.
Conclusie
Daaruit leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 4] daarvoor de mensen gereed heeft. [betrokkene 3] is kennelijk in Spanje (span) en kan gevonden worden via observatie (OT) op een ander (schele [betrokkene 24] ).
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
12:22
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
1st die hond slager dan de rest ben ze zat nu die chino en yoego zyn stront
12:46
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Maar ok is genoeg geweest we gaan gewoon vol vol op die slager nu kk hoerenzoon moet slapen klaar! Stuur my zyn foto's geef ik het aan de jongens in span
12:47
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Sir laten we even vol vol op de slager gaan waar die ok is gaat ie slapen nu klaar ermee
12:53
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Broer stuur my zyn foto aub
13:33
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Ok broer ga er nu 24op klaar dan chino en yoego kan ik vandaag direct doen
13:41
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Die heb ik allang lang geplaats chino en die yoego die kk [betrokkene 25] is gaan slapen gaf hun info over ons daarom na hell gestuurt die slager gaat en al moeten we ze hele familie laten slapen klaar ermee
14:12
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Broer als we OT op die schele [betrokkene 24] zetten hebben we die slager zo!! Hy zit barca [betrokkene 24]
14:18
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Broer twyfel niet aan myn info ben er 24uur dagelyks mee bezig wat begrypt u niet wilt u dat slager gaat slapen of blyven praten om niks
14:24
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 11]
Ok dan volg my wat ik u zeg die man gaat slapen en ze hele kk familie u mee nemen heb u 1000000000x gezegt is oorlog
[medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bespreken een dag later ook de bijna ontvoering van [medeverdachte 11] . Weliswaar ontbreken de antwoorden van [medeverdachte 2] , maar uit de inhoud van de berichten leidt de rechtbank af dat hij heeft geantwoord. [medeverdachte 4] benoemt in de berichten dat [medeverdachte 11] pas na dit incident wil dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] (wy) [betrokkene 3] pakken en dat zij klaar staan voor [medeverdachte 11] . Het is gebeurd bij de zaak van zijn kleine, de rechtbank begrijpt hieruit dat de Platinum Lounge wordt bedoeld. [medeverdachte 5] verklaart dat [medeverdachte 4] vanaf dat moment de twee [betrokkenen 1 en 2] (Chino) wil aanpakken en [slachtoffer 1] later. De verklaring van [medeverdachte 5] dat de houding van [medeverdachte 11] is veranderd sinds dit incident wordt ondersteund door bovenstaande berichten.
Dictum
Dit vormverzuim heeft zich weliswaar niet in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachten in Marengo voorgedaan, maar zoals hiervoor overwogen zal wel moeten worden beoordeeld of dit vormverzuim tot consequenties moet leiden in deze strafzaak. Bij die beoordeling houdt de rechtbank rekening met het belang dat het voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het Openbaar Ministerie bewust laks is geweest met het ontoegankelijk maken van geheimhoudersberichten in de datasets. Integendeel, uit de verslaglegging leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie zijn uiterste best heeft gedaan om deze berichten zo snel mogelijk te onderkennen en af te schermen. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, te weten het belang dat eenieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk een professioneel verschoningsgerechtigde te raadplegen, zonder vrees voor openbaarmaking van wat aan deze professioneel verschoningsgerechtigde in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, is uiteraard groot. Van enig nadeel veroorzaakt door het vormverzuim voor de verdachten in de zaken De Vink en Sassenheim is echter geen sprake, reeds omdat de verdachten in die zaken niet door de niet-naleving van het voorschrift waren getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Zij waren immers geen professioneel verschoningsgerechtigden en gesteld noch gebleken is dat berichten van hen met een professioneel verschoningsgerechtigde in het dossier waren gevoegd.
Dat geldt evenzeer voor de verdachten in de zaak Marengo. Ook zij lijden geen concreet nadeel. De berichten van de onderkende e-mailadressen van geheimhouders zijn in De Vink en Sassenheim ontoegankelijk gemaakt. Deze zijn, voor zover zij al deel uitmaakten van het door de rechter-commissaris goedgekeurde plan van aanpak voor Marengo, binnen de Marengo-dataset nooit zichtbaar geweest. Uit een latere controle van de Marengo-dataset is gebleken dat het deel afkomstig uit de PGP-safe-data geen (potentiële) geheimhoudersberichten bevatte. Het deel afkomstig uit de Ennetcom-dataset bleek bij die controle uiteindelijk 71 dataregels (36 unieke berichten) te bevatten die als geheimhoudersbericht waren aan te merken. Die zijn vervolgens alsnog ontoegankelijk gemaakt. Op het onbetwiste totaal van ruim 875.000 dataregels die de Marengo-dataset bevat is dit aantal gering te noemen. Bovendien zijn, zoals hiervoor al is vastgesteld, vanuit de Marengo-dataset geen geheimhoudersberichten in het Marengo-dossier terechtgekomen en gesteld noch gebleken is dat het gaat om enige communicatie tussen een van de verdachten en hun raadslieden.
De stelling van de verdediging dat geheimhouderscommunicatie bij de start van de verdenking, bij het samenstellen van het dossier of bij beslissingen in de opsporing een rol hebben gespeeld, is op geen enkele manier onderbouwd. Ook de stelling dat geheimhoudersberichten lange tijd voor velen zichtbaar zijn geweest is niet onderbouwd. De rechtbank concludeert dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.
Los van het bovenstaande levert het voegen van uit andere onderzoeken afkomstige geheimhouderscommunicatie in het strafdossier Marengo – zoals hiervoor beschreven – ook een vormverzuim op. Het verstrekken van geheimhoudersberichten die onderdeel uitmaken van een proces-verbaal in een ander onderzoek aan Marengo is niet toegestaan. De omstandigheid dat deze communicatie pas op een later moment als geheimhouderscommunicatie wordt onderkend maakt dat niet anders. Met uitzondering van het door het Openbaar Ministerie aangehaalde tweede voorbeeld, uit de telefoon van [betrokkene 11] , lijken die (doorstuur)berichten communicatie tussen [medeverdachte 4] en zijn toenmalige raadsvrouw te bevatten en die communicatie hoort uiteraard niet in dit strafdossier thuis. Het belang om deze communicatie uit strafdossiers te houden is groot. Nu de communicatie echter geen relevantie heeft voor de strafzaak en hoogstens eruit afgeleid zou kunnen worden dat zij met elkaar communiceren, is er geen nadeel voor [medeverdachte 4] veroorzaakt door het vormverzuim. Ook voor de andere Marengo-verdachten geldt dat zij geen nadeel lijden door dit verzuim.
De verdediging van [medeverdachte 4] betoogt dat het geheimhoudersbericht in het eerste voorbeeld waarin de bijnaam van [betrokkene 12] (de verdachte in de zaak Tandem II, hierna: [betrokkene 12] ) voorkomt tactisch gebruikt is en verweven blijft met de aan [medeverdachte 4] toegeschreven accounts. Voor zover de verdediging daarmee bedoelt dat de identificatie van de PGP-lijn 39x7w1nz2h@ennetcom.biz (hierna ook: 39x7) van [medeverdachte 4] (mede) heeft kunnen plaatsvinden doordat kennis is genomen van dat geheimhoudersbericht, volgt de rechtbank haar daarin niet. De identificatie van de 39x7 heeft in het onderzoek Tandem II immers plaatsgevonden aan de hand van berichtenwisseling tussen [medeverdachte 4] en diens broer en zus. De rechtbank concludeert het voorgaande beschouwend ook hier dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.
3.3.6
Tactische en technische verwerking van de PGP-data
3.3.6.1 Verweren van de verdediging
De verweren van de verdediging over de tactische en technische verwerking van de PGP-data zien voor een belangrijk deel op de stelling dat geen sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, in het bijzonder omdat het recht op gelijke proceskansen (equality of arms) als invulling van artikel 6 lid 3 onder b EVRM zou zijn geschonden. De verdediging meent dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om het met Hansken verkregen bewijsmateriaal te kunnen controleren en betwisten omdat zij geen toegang heeft gekregen tot de brondata en de software van Hansken. De ontwikkeling en het gebruik van Hansken zijn niet gereguleerd en er is geen mogelijkheid tot contra-expertise. Hansken had bovendien niet gebruikt mogen worden omdat het een buitenwettelijk technisch hulpmiddel is, nu het niet voldoet aan de eisen die daaraan in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (hierna: het Besluit) worden gesteld. Ten slotte zijn de data onvolledig en forensisch onbetrouwbaar.
3.3.6.2 Oordeel van de rechtbank
3.3.6.2.1 Inzage in brondata
De rechtbank stelt voorop dat de brondata geen deel uitmaken van de processtukken. De Hoge Raad heeft in het eerste Ennetcom-arrest van 28 juni 2022 het juridisch kader voor de beoordeling van verzoeken van de verdediging om voeging van althans inzage in niet tot de processtukken behorende gegevens (nogmaals) uiteengezet.
De maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak daarvan is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken.
De verdediging kan – mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier – een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken.
Conclusie
Het aspect dat [medeverdachte 11] tot het veronderstelde ontvoeringsincident buiten de oorlog van [medeverdachte 4] wil blijven wordt verder ondersteund door de volgende berichten van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] .
21 mei 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
11:22
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
Ok die kale Was byna ontvoert hy zegt die slager
11:25
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
Ja heb hem dat heeeel duidelyk gemaakt nu komen huilen die slager moet slapen zei hem duidelyk hy wou niks niks ermee temaken hebben
11:26
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
Nee in utka sir by zaak van ze kleine die man doet alsof er niks is en wat blykt 99% die neefje van [medeverdachte 10] wou hem meenemen
11:43
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
Hy Was met ze kleine en had ze door nu pas wil die dat wy slager pakken pffffff
11:47
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
Ja precies dat legde ik hem uit en u ziet wie staat er klaar voor hem wy niemand anders
11:52
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 2]
Ja precies sir u hebt echt gelyk beter kan ik het niet zeggen sir
[medeverdachte 11] heeft diezelfde dag contact met zijn broer [medeverdachte 12] (die door [medeverdachte 11] is opgeslagen onder de naam Hary). Deze denkt mee met [medeverdachte 11] en stelt voor om een zender onder de auto van [betrokkene 1] (chinees) te plaatsen om op die manier bij [betrokkene 3] uit te komen. Dat gaat niet omdat [betrokkene 3] in Spanje is. [medeverdachte 11] laat zijn broer [medeverdachte 12] weten dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wil pakken om daarmee een boodschap af te geven. [medeverdachte 12] wil dan weten wat [medeverdachte 4] (die kleine) erover zegt.
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
18:53
[medeverdachte 11]
[medeverdachte 12]
Nee die is in spanje
------Origineel bericht------
Van: Hary
Aan: Seltest 11-03
Onderwerp:
Verzonden: 21 Mei 2016 20:51
Ja goed hoor ben even in a dam.
Nu. Nog wat gehoord.
Weet je wat ik denk als ik een zender onder die chinees ze wagi zet dan weet je wel gelijk waar die slager is denk je niet. ??
18:56:08
[medeverdachte 11]
[medeverdachte 12]
Ik denk ik pak gewoon die chinees en zijn broertje [betrokkene 2] dan wetten ze ook niet spotten
18:56:58
[medeverdachte 12]
[medeverdachte 11]
Ok.
19:03
[medeverdachte 12]
[medeverdachte 11]
En wat zegt die kleine ??
Op 23 mei 2016 stuurt [medeverdachte 4] een bericht van [medeverdachte 11] (Cold stone) door aan [medeverdachte 8] , waarin [medeverdachte 11] beschrijft wat er is gebeurd tijdens het ontvoeringsincident. Hij was in de Platinum Lounge (zaak van mijn broetje). [medeverdachte 12] en [verdachte] waren daar ook ( Z en M ). [verdachte] heeft [medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ) een bericht gestuurd. Vanaf een trap buiten is hij in de gaten gehouden door een broer van [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ), die met [betrokkene 3] (slager) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) gaat. De rechtbank leidt uit dit bericht ook af dat [medeverdachte 4] op dat moment weet wie [medeverdachte 5] is, over hem wordt immers geen enkele uitleg gegeven.
Dictum
Tijdens het vooronderzoek kan een dergelijk verzoek worden gedaan overeenkomstig de in artikel 34 Sv geregelde procedure. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting beslist de zittingsrechter – zo nodig op basis van de bevindingen van nader onderzoek dat door een ander dan de zittingsrechter, bijvoorbeeld de rechter-commissaris, is verricht naar de aard en de inhoud van de betreffende stukken en gegevens – of en zo ja, in welke mate en op welke wijze, die inzage kan worden toegestaan.
In dit proces heeft de verdediging meerdere malen verzocht om inzage in de brondata, welke verzoeken door de rechtbank zijn afgewezen. Anders dan de verdediging stelt volgt uit de Europese jurisprudentie niet dat de verdediging daar recht op heeft. Het EHRM overweegt ten aanzien van grote datasets onder meer dat het beginsel van equality of arms niet inhoudt dat de verdediging het ongeclausuleerde recht heeft op toegang tot de volledige dataset. Als de opsporingsinstantie niet op de hoogte is van de inhoud van de totale dataset en de verdediging niet duidelijk vermeldt welke specifieke kwesties in de data onderzocht moeten worden en daarvoor redenen aandraagt of specifieke zoekopdrachten voorstelt, is er geen sprake van het achterhouden van bewijs. Het onderzoeksteam Marengo en het Openbaar Ministerie hebben allebei geen inzage in de brondata. De verdediging wenst in feite dus verdergaande toegang tot de Ennetcom- en PGP-safe-data te verkrijgen dan het Openbaar Ministerie heeft en daartoe bestaat, ook bezien in het licht van artikel 6 EVRM, geen aanleiding. Ten aanzien van de toegang tot de Ennetcom-data komt daar nog bij dat een verdergaande toegang in strijd zou zijn met de door de Canadese rechter gestelde voorwaarden. De verdediging heeft evenwel steeds de mogelijkheid gehad zich te wenden tot de rechter-commissaris met een onderbouwd verzoek, bijvoorbeeld met opgave van relevante zoektermen, om binnen de brondata te (laten) zoeken naar specifieke berichten waarvan de verdediging meent dat de Marengo-dataset daarmee zou moeten worden uitgebreid. Van deze laatste mogelijkheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het vooraf moeten opgeven van zoektermen een ongeoorloofde inperking is van haar rechten, volgt de rechtbank haar daarin niet. Overeenkomstig artikel 34 Sv mag van de verdediging immers een concrete onderbouwing verlangd worden. Vanwege de met een ongeclausuleerde inzage gepaard gaande inbreuk op de privacy van zeer veel andere personen en gelet op de in het geding zijnde opsporingsbelangen, is de restrictie dat zij concreet, bijvoorbeeld door het opgeven van zoektermen, vermeldt waarnaar in de brondata gezocht zou moeten worden, gerechtvaardigd. De verdediging heeft alleen gesteld dat zich in die brondata mogelijk ontlastende PGP-berichten bevinden, maar deze enkele algemene stelling is onvoldoende voor het oordeel dat inzage in alle brondata noodzakelijk is voor de voorbereiding van de verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot voeging.
3.3.6.2.2 Inzage in Marengo-dataset
Uit de Marengo-dataset zijn berichten geselecteerd die volgens het Openbaar Ministerie redelijkerwijs van belang konden zijn voor enige door de rechtbank in de strafzaken van verdachten te nemen beslissing. Deze berichten zijn aan het procesdossier toegevoegd. De volledige Marengo-dataset behoort echter niet tot de processtukken. Daarvoor geldt hetzelfde juridisch kader uit het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022. De gedurende dit proces (herhaalde) verzoeken van de verdediging om de Marengo-dataset aan haar te verstrekken zijn door de rechtbank steeds afgewezen. Hoewel het onderzoeksteam Marengo wel over de Marengo-dataset beschikt acht de rechtbank het niet verstrekken daarvan aan de verdediging gerechtvaardigd. De daartoe aangedragen argumenten – de privacybelangen van (onbekende) derden en het algemene belang dat berichten die mogelijk relevant zijn voor de opsporing in andere zaken, niet onnodig worden verstrekt – acht de rechtbank valide. De rechtbank wijst in dit verband op de mededeling van het Openbaar Ministerie op de zittingen van 27 en 28 februari en 6 maart 2020 dat ‘slechts’ tien procent van de (toen nog circa 610.000) berichten in de Marengo-dataset uit communicatie van de aan verdachten toe te schrijven PGP-lijnen bestaat en dat het bij de overige negentig procent van de berichten gaat om communicatie van derden of van verdachten via op dat moment (nog) niet geïdentificeerde PGP-lijnen. Ook het EHRM heeft in dit kader overwogen dat het noodzakelijk kan zijn om de verdediging de toegang tot materiaal te beperken om de fundamentele rechten van anderen of een belangrijk algemeen belang te waarborgen. Dat de verdediging niet de beschikking heeft gekregen over de volledige Marengo-dataset maar daarin alleen inzage heeft gekregen acht de rechtbank – mede gelet op wat hierna over die inzagemogelijkheden wordt overwogen – dan ook niet in strijd met het beginsel van equality of arms.
De verdediging heeft wel recht op inzage in de Marengo-dataset. Zij heeft die inzagemogelijkheid gekregen vanaf 10 februari 2020. De Marengo-dataset kon door de raadslieden op afspraak bij politiebureaus in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht worden ingezien. De Marengo-dataset was daarnaast ook op afspraak in te zien op een laptop in de penitentiaire inrichting in aanwezigheid van de gedetineerde verdachte. In de Extra Beveiligde Inrichting (hierna: EBI) in Vught waren op afspraak twee laptops met daarop de Marengo-dataset beschikbaar, zodat aan beide zijden van de glazen wand tussen de raadsman en de verdachte een laptop beschikbaar was. Ook kon de verdediging zelf op afspraak bij het NFI in de Marengo-dataset zoeken met behulp van Hansken. Enkele raadslieden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Verder heeft de rechtbank op 13 maart 2020 beslist dat de zogenoemde ‘eigen lijnen’ – te weten alle berichten van een door de politie aan een specifieke verdachte toegeschreven PGP-adres – tijdelijk ter beschikking moeten worden gesteld aan de raadslieden van die verdachte. Naar aanleiding van deze beslissing heeft het Openbaar Ministerie aan de raadslieden een laptop met die ‘eigen lijnen’ verstrekt. Het gaat dus om berichten uit de Marengo-dataset, maar die berichten zijn geen processtukken, behalve voor zover berichten van die lijnen al aan het procesdossier waren toegevoegd. Enkele raadslieden hebben nadat zij inzage hebben gekregen in de Marengo-dataset en/of de aan hen verstrekte ‘eigen lijnen’ verzocht om voeging van extra berichten, waarna die berichten aan het procesdossier zijn toegevoegd.
De verdediging heeft in de loop van dit proces herhaaldelijk gesteld dat de geboden inzagemogelijkheden onvoldoende waren vanwege – samengevat – praktische bezwaren rondom de inzage en problemen die zich bij het zoeken in de dataset voordeden. De rechtbank wijst erop dat zij op 11 en 12 maart 2021 een regiezitting heeft gehouden waarbij de verdediging specifieke PGP-onderzoekswensen kon indienen en zij de rechtbank heeft kunnen tonen tegen welke problemen zij aanliep bij de geboden inzagemogelijkheden. De rechtbank heeft ter zitting van 12 maart 2021 geconstateerd dat het zoeken in de dataset met wat tips en een nadere toelichting van het Openbaar Ministerie snel mogelijk was en dat het langer duurde als er niet efficiënt werd gezocht. De antwoorden op vragen van de verdediging bleken veelal terug te vinden in de bijgeleverde handleiding en bepaalde problemen of onhandigheden in het zoeken waren terug te voeren op (relatieve) onbekendheid of onervarenheid met zoekmogelijkheden in Excel of PDF. Niet alle raadslieden hadden op dat moment al gebruik gemaakt van alle geboden faciliteiten.
Conclusie
Dit bericht stemt geheel overeen met de verklaring van [medeverdachte 5] .
23 mei 2016
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
11:02
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Onder
------Origineel bericht------
Van: Cold stone
Aan: Selftest 19-2 16
Onderwerp: Re:
Verzonden: 22 Mei 2016 10:20 AM
Oke ik was net in utrecht aangekomen toen ben ik naar zaak van mijn broetje gegaan Z was daar ook M ook ik dacht wat etten dan ga ik weg M is weg gegaan de deur uit zag hij iemand met petje voor de deur bij die trap hij smsde [medeverdachte 5] of hij die jongen in de gaten moest houden maar ik wist niks ervan toen zei Z tegen mijn met dat en jongen in de zaak is de compa van M is dat hij ook [betrokkene 2] heet op eens gaat die jongen weg uit de zaak toen werd ik wakker ik dacht ik moet hier weg ja hoor er liepen drie gasten zo yogos twee liepen naar bus en 1 liep naar richting die jongen die mijn in de gaten had toen wist ik hoe laat het is op de trap buiten waar die jongen zat kon mijn vanaf de trap mijn in zicht houden die jongen is broertje van die [betrokkene 1] die met slager gaat en [slachtoffer 1] (…)
[medeverdachte 4] heeft op 23 mei 2016 uitgebreid contact over de kwestie met [medeverdachte 8] , hij wil dat de [betrokkenen 1 en 2] , [betrokkene 3] en [slachtoffer 1] gedood worden. [betrokkene 2] (die kk broertje van chino’) is degene die aan het posten was. [medeverdachte 4] vraagt [medeverdachte 8] om hulp om deze mensen te plaatsen zodat zij meteen gedood kunnen worden. Hij vraagt [medeverdachte 8] ook in welke volgorde hij vindt dat zij gedood moeten worden. [medeverdachte 4] zal zijn schutters (heads) sturen en wil een chauffeur (ryder) van [medeverdachte 8] , omdat zijn mensen de weg kennen. [medeverdachte 4] heeft ook twee auto’s (fietsen) staan en wil er met spoed vier bij. [medeverdachte 4] regelt de rest zelf. Hij heeft alles klaar en het liefst pakt hij [slachtoffer 1] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tegelijk, desnoods met twee teams. [medeverdachte 4] heeft er al een team op zitten en binnen drie uur staat alles klaar. Uit de berichten maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 8] daadwerkelijk een chauffeur zal leveren. Hij heeft [medeverdachte 4] ook voorgesteld een zender te gebruiken, welk aanbod is afgeslagen. Uit het bericht van 11:27 uur maakt de rechtbank verder op dat [medeverdachte 8] het adres van [betrokkene 1] heeft gegeven aan [medeverdachte 4] en dat [medeverdachte 4] hem gevraagd heeft ook het adres van [betrokkene 2] te geven. Uit een doorstuurbericht van [medeverdachte 4] , via [medeverdachte 11] aan [medeverdachte 12] , van 11:30 uur (dat verderop in dit vonnis is opgenomen) blijkt dat [medeverdachte 4] een paar minuten later ook weet waar [betrokkene 2] woont.
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
08:35:27
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Sir die kk broertje van chino Was aan het posten 2yoegos en mocro die waren bus wilden die jongen ontvoeren in overvecht! Die chino en ze broertje moeten slapen koste wat kost! En die kk slager
08:35:41
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Hoe bedoelt u tegen [medeverdachte 10] ?
08:40:18
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Hy stond op brandtrap zaak in de gaten houden en 1yoego liep na hem snel maar die jongen had ze door
08:41
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Maar moet die chino met ze broertje plaatsen tegelyk doen beste!
08:44
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 8]
Daarom enkeltke kan u my.