Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-24
ECLI:NL:RBAMS:2024:6501
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,588 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-256270-24
Datum uitspraak: 24 oktober 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 12 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juli 2023 door the Circuit Court in Sieradz, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek op de zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Op de zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Zduńska Wola van 14 december 2022, referentie II K 229/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, drie maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de zitting waarop de zaak is behandeld en die tot de beslissing heeft geleid en er doen zich geen van de omstandigheden voor als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW. Ook is er anderszins geen reden af te zien van weigering op grond van art. 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft een adres opgegeven bij de Poolse autoriteiten, namelijk het adres van zijn moeder in Polen. De toenmalige partner van de moeder van de opgeëiste persoon heeft de aan de opgeëiste persoon gerichte post –
waaronder de oproeping voor de zitting – weggegooid. Hij was zodoende niet op de hoogte van de zittingsdatum.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. Van deze weigeringsgrond kan echter worden afgezien, nu geen sprake is van schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen, een adres opgegeven en naar dit adres is de oproeping voor de zitting verzonden. Voor zover aangenomen moet worden dat de post van de opgeëiste persoon is weggegooid door de toenmalige partner van zijn moeder, komt dit voor rekening en risico van de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 5 september 2024 volgt het volgende. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de verdenking tegen hem. Hij is immers op 29 mei 2022 aangehouden voor (onder meer) rijden onder invloed van alcohol en heeft toen een nacht vastgezeten. Voorts is de opgeëiste persoon tijdens de pre-trial proceedings op 28 juni 2022 verhoord als verdachte. Hij heeft toen een adres opgegeven (volgens zijn zeggen: zijn oude adres in Polen waar zijn moeder nog woonde) en heeft een adresinstructie gekregen. De opgeëiste persoon is daarbij ook gewezen op de consequenties van het niet naleven van deze adresinstructie. Deze adresinstructie heeft hij ondertekend, zoals de opgeëiste persoon overigens ter zitting heeft bevestigd. De oproep voor de zitting is daarop twee keer naar het adres gestuurd dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven. Iedere keer kwam de oproep retour nadat een kennisgeving is achtergelaten.
De rechtbank komt tot de volgende tussenconclusies.
De opgeëiste persoon is op de hoogte geweest van de strafrechtelijke verdenking tegen hem en van de mogelijkheid van een strafrechtelijke procedure. Tevens heeft hij in dit kader een adres verstrekt waarop hij bereikbaar was voor post van de Poolse autoriteiten. Hij heeft geweten dat hij gedurende de gehele procedure eventuele adreswijzigingen moest doorgeven en wat de procedurele gevolgen zouden zijn indien hij niet bereikbaar zou zijn op het door hem opgegeven adres. Alle poststukken in de strafrechtelijke procedure zijn aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden. De opgeëiste persoon heeft niet betwist dat officiële correspondentie over deze zaak is verzonden naar het door hem opgegeven adres.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Los van het antwoord op de vraag of zijn post ook daadwerkelijk is weggegooid door de toenmalige partner van zijn moeder, zoals de opgeëiste persoon heeft verklaard, heeft de opgeëiste persoon zelf het adres van zijn moeder doorgegeven aan de Poolse autoriteiten als adres waarop hij officiële correspondentie kan ontvangen. Daarmee komt het vervolgens voor risico en rekening van de opgeëiste persoon zelf dat hij ook daadwerkelijk op dat adres post kan ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank levert overlevering aan Polen dan ook geen schending van zijn verdedigings-rechten op.
De rechtbank verwerpt het verweer.
4Strafbaarheid: Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Beoordeling
De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af en overweegt daartoe het volgende.
Aan de vordering ex artikel 23 OLW van de officier van justitie ligt nog steeds een geldig EAB ten grondslag. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de wens van de Poolse autoriteiten dat de opgeëiste persoon wordt overgeleverd, en ziet dan ook geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van het namens de opgeëiste persoon in Polen gedane gratieverzoek. Bovendien is er te weinig concreet zicht op de stand van de gratieprocedure in Polen en daarmee binnen welke termijn op het gratieverzoek zal worden beslist.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8 en 9 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Sieradz, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).