Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-11
ECLI:NL:RBAMS:2024:3482
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenuitspraak
2,965 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-099182-24
Datum uitspraak: 11 juni 2024
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 15 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 maart 2024 door the District Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [naam PI],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een sentence of the Regional Court in Kwidzyn imposed on 24 August 2022, met referentie II K 990/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsman
De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman zo dat de overlevering volgens hem moet worden geweigerd, omdat het EAB, ook in samenhang bezien met de aanvullende informatie, ongenoegzaam is. Het is namelijk onduidelijk of de overlevering wordt gevraagd ten behoeve van een vonnis waaraan meerdere vonnissen ten grondslag liggen of een vonnis waarin meerdere straffen zijn samengevoegd. Dit is mede relevant gelet op de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Mocht de rechtbank dit geen aanleiding vinden om de overlevering te weigeren, heeft de raadsman verzocht om hierover nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is, omdat duidelijk is dat het gaat om een vonnis waarin twee straffen zijn samengevoegd.
Beoordeling
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Uit het EAB – waarin wordt gesproken over een ‘aggregate sentence’ – en de aanvullende informatie van 8 mei 2024, volgt dat de overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vonnis dat is opgelegd ten aanzien van twee strafbare feiten, waarbij de daarvoor geldende straffen bij elkaar zijn samengevoegd. De rechtbank ziet daarmee ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen hierover aan de Poolse autoriteiten.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd;
mishandeling.
5Artikel 11 OLW: Poolse rechtstaat
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat. Naast dat er mogelijk sprake is van een samengesteld vonnis, zonder dat bekend is hoe de procedures in de daaraan ten grondslag liggende vonnissen zijn verlopen, heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij niet op de hoogte is geweest van de procedure in hoger beroep. Gelet op die verklaring, kunnen de Poolse autoriteiten niet volstaan met de mededeling dat de advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld en dat tijdens de behandeling van het hoger beroep een advocaat aanwezig is geweest. De overlevering moet daarom worden geweigerd, dan wel moeten hierover nadere vragen worden gesteld aan de Poolse autoriteiten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat nu de informatie die hieromtrent is verschaft door de Poolse autoriteiten leidt tot het oordeel dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW aan de orde is.
Beoordeling
Uit de aanvullende informatie van 8 mei 2024 volgt dat bij arrest van de District Court in Gdańsk van 6 april 2023 de zaak ten gronde definitief is afgedaan en daartegen geen gewoon rechtsmiddel open staat. Dat betekent dat de rechtbank enkel de procedure in hoger beroep hoeft te toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Het arrest van de District Court in Gdańsk van 6 april 2023 is gewezen, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die de beslissing heeft geleid, zodat moet worden beoordeeld of zich één van de omstandigheden heeft voorgedaan genoemd in artikel 12, onder a tot en met d, OLW.
Uit de aanvullende informatie van 8 mei 2024 blijkt dat het hoger beroep is ingesteld door de advocaat van de opgeëiste persoon en dat een gekozen advocaat vervolgens op de zitting aanwezig is geweest. Dat doet vermoeden dat de omstandigheid als bedoeld onder artikel 12, onder b, OLW zich heeft voorgedaan. De rechtbank beschikt echter niet over voldoende informatie om te beoordelen of dat inderdaad het geval is geweest en, mocht dit niet het geval zijn, of de opgeëiste persoon op andere wijze gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten in hoger beroep dan wel daarvan – al dan niet stilzwijgend – afstand heeft gedaan.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak daarom aanhouden om aan de Poolse autoriteiten de volgende vragen voor te leggen:
Ten aanzien van het arrest van 6 april 2023 van the District Court in Gdańsk met referentie V Ka 2253/22:
1. Is de gekozen advocaat, die op de zitting aanwezig is geweest, door de opgeëiste persoon daartoe gemachtigd en heeft deze advocaat ook ter zitting de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd?
2. Zo niet, heeft de opgeëiste persoon gedurende de strafrechtelijke procedure in deze zaak een adresinstructie ontvangen waarbij hij is gewezen op de verplichting om de Poolse autoriteiten van eventuele adreswijzigingen te voorzien?
3. Zo ja, was deze adresinstructie geldig tot aan de executie van de straf en is dit ook aan de opgeëiste persoon medegedeeld?
4. Is de oproep voor de zitting naar het adres gestuurd dat door de opgeëiste persoon ten behoeve van deze procedure is opgegeven?
6Schorsingsverzoek
De raadsman heeft verzocht om indien de behandeling van de zaak wordt aangehouden, de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen. De rechtbank wijst dit verzoek af.
Uit de stukken is niet gebleken dat de opgeëiste persoon enige binding heeft met Nederland, zodat ook niet duidelijk is of en hoe het bestaande vluchtgevaar kan worden ondervangen.
Dictum
De rechtbank:
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 6. genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Gdańsk, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB;
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor 11 juli 2024, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn,
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en
tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. G.M. Beunk en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.