Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-28
ECLI:NL:RBAMS:2024:1133
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,445 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.342146-23 (EAB II)
Datum uitspraak: 28 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 28 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2023 door een rechter van the II Criminal Division of the Regional Court in Częstochowa, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 31 januari 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 januari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.G. Eckhardt, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in gelegenheid te stellen vragen aan de Poolse autoriteiten te stellen over een ander overleveringsverzoek voor de opgeëiste persoon dat gelijktijdig is behandeld. Ten aanzien van onderhavig EAB is geen aanvullende informatie opgevraagd.
Zitting van 14 februari 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 14 februari 2024, in aanwezigheid
van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.G. Eckhardt, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Lubliniec van 28 oktober 2022, kenmerk: II K 71/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 1 jaar, 7 maanden en 24 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
In het onderhavige EAB is meegedeeld dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij de behandeling van zijn zaak en dat hij tijdens het voorarrest een adres heeft opgegeven, terwijl uit de aanvullende informatie blijkt dat hij een adresinstructie heeft ontvangen. Gelet op het feit dat in EAB I onjuiste informatie is verstrekt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat ook de overlevering voor EAB II dient te worden geweigerd omdat de rechtbank niet van de juistheid van de informatie kan uitgaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden toegestaan. De opgeëiste persoon is weliswaar niet aanwezig geweest op de zitting die tot het vonnis heeft geleid, maar hij heeft wel een adresinstructie ontvangen, waardoor hij door niet te verschijnen ter zitting van de Poolse rechtbank afstand heeft gedaan van zijn recht ter zitting aanwezig te zijn. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van de weigeringsgrond in artikel 12 OLW.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. De rechtbank volgt derhalve het verweer van de raadsman niet. De rechtbank overweegt daartoe dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure die tegen hem liep, immers is hij aangehouden geweest en heeft hij zes dagen in voorarrest gezeten. Uit de aanvullende informatie blijkt dat hij een adresinstructie heeft ontvangen en deze op 13 oktober 2021 heeft ondertekend. In deze adresinstructie is de opgeëiste persoon onder meer gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en dat, wanneer hij dit nalaat, correspondentie die is verstuurd naar het laatst opgegeven adres wordt geacht juist betekend te zijn, hetgeen de rechtbank aldus begrijpt als dat de procedure dan zonder zijn aanwezigheid kon worden voortgezet en afgerond.
Uit de genoemde aanvullende informatie blijkt verder dat de Poolse autoriteiten hebben gepoogd om de opgeëiste persoon op te roepen voor de zitting van 20 juli 2022, door twee keer tevergeefs een oproep te sturen naar zijn adres. De oproeping is ook niet opgehaald bij het postkantoor waar die is achtergelaten en is vervolgens, overeenkomstig de aan de opgeëiste persoon gegeven instructie, als rechtsgeldig betekend aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon, die op de hoogte was van de strafprocedure en de verdenking, op deze manier ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om op de zitting van 20 juli 2022 aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de autoriteiten.
De rechtbank ziet dan ook af van weigering van de overlevering op grond van artikel 12 OLW.
4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
- Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
- Poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a, en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Częstochowa (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).