Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2023-09-27
ECLI:NL:RBAMS:2023:6009
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,371 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/031669-23 (was: 13/751227-16)
Datum uitspraak: 27 september 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 26 maart 2016 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juni 2010 door the Circuit Court of Toruń, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 mei 2016, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de behandeling van de vordering op 26 mei 2016 voor onbepaalde tijd aangehouden om de antwoorden op - in een andere zaak gestelde - prejudiciële vragen af te wachten, die ook van belang zouden kunnen zijn voor de afdoening van deze zaak.
De behandeling van het EAB is - met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 13 september 2023, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Toruń van 5 november 2001 (referentie: VIII K 1152/01).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Bij beslissing van the District Court of Toruń van
9 oktober 2003 is de tenuitvoerlegging van deze straf bevolen.
Het vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis van the District Court of Toruń van 5 november 2001 heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing op dit vonnis.
Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie blijkt dat aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf het plegen van een nieuw strafbaar feit ten grondslag ligt. De opgeëiste persoon is hiervoor bij vonnis van the Regional Court in Toruń van 29 november 2002 veroordeeld. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 23 maart 2023 in de zaak LU (C514/21) en PH (C515/21), (ECLI:EU:C:2023:235), volgt dat dit vonnis ook aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. De rechtbank stelt vast dat uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon ook in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. In de enkele stelling van de opgeëiste persoon dat hij bij dit proces niet aanwezig zou zijn geweest, ziet de rechtbank – gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen – geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die informatie. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus evenmin van toepassing op dit vonnis.
4. Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een aan die vreemdeling bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken en de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 30 augustus 2023 volgt dat aan beide voorwaarden voor gelijkstelling is voldaan.
De rechtbank is dan ook (mogelijk) bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland te bevelen. In dit geval zal de rechtbank echter geen gebruik maken van die bevoegdheid. De rechtbank zal de overlevering namelijk, zoals onder 6. uiteengezet, op een andere grond weigeren.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
Overlevering van de opgeëiste persoon kan op basis van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatshebben.
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat is voldaan aan de in de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW genoemde voorwaarden. Gelet op de strafbedreiging in Nederland voor het feit waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld, is op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht sprake van een verjaringstermijn van het recht tot strafvordering van 12 jaar.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 9 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court of Toruń, Polen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 september 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22 OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.