Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2021-04-29
ECLI:NL:RBAMS:2021:2323
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,524 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751124-21
RK nummer: 21/984
Datum uitspraak: 29 april 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 februari 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 januari 2021 door the Regional Court in Bydgoszcz, 3rd Penal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 april 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van:
- een judgement of the District Court in Bydgoszcz, 16th Penal Division, van 29 januari 2013 (XVI K 2343/12), waarin aan de opgeëiste persoon een aggregate penalty is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, van welke straf op
5 september 2017 de tenuitvoerlegging is bevolen;
- een judgement of the District Court in Bydgoszcz, 3rd Penal Division, van 16 februari 2017 (III K 912/16), waarin aan de opgeëiste persoon een aggregate penalty is opgelegd, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en één maand, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
4.1.
Inleiding
4.1.1.
De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden (hierna: de Herimplementatiewet). Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.
4.1.2.
In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank eerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
4.1.3.
Doet zich één van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.
4.1.4.
Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.
4.1.5.
In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht als verdachte om in persoon aanwezig te zijn bij zijn proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.
4.1.6.
In het kader van de in overweging 4.1.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.
Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden. Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.
4.1.7.
Het onderzoek naar de vraag of overlevering een schending van de rechten van de verdediging inhoudt, vindt plaats met inachtneming van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
4.1.8.
Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4.1.4 - 4.1.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met d, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor beide vonnissen moet worden geweigerd.
Ten aanzien van het vonnis van 29 januari 2013 (XVI K 2343/12) heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de beslissing waarbij de voorwaardelijke straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf. Niet duidelijk is wat de reden voor deze omzetting was. Daarom moet de overlevering voor dit vonnis worden geweigerd.
Ten aanzien van het vonnis van 16 februari 2017 (III K 912/16) heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon betwist dat hij aanwezig was op de zitting in hoger beroep. Uit het dossier blijkt niet of het vonnis in eerste aanleg is bekrachtigd. Daarom moet ook voor dit vonnis de overlevering worden geweigerd.
4.3.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de overlevering voor beide vonnissen kan worden toegestaan.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van een deel van de feiten is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.
Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:
vonnis XVI K 2343/12:
feit 1: medeplegen van mishandeling;
feit 3: vernieling.
vonnis III K 912/16:
feit 1: medeplegen van mishandeling.
Feit 2 van vonnis XVI K 2343/12 ziet op een poging mishandeling. Dat feit is naar Nederlands recht niet strafbaar.
Met de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet is ook artikel 7 OLW gewijzigd.
Voor zover deze bepaling uitvoering geeft aan artikel 4, punt 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ brengt een kaderbesluitconforme uitleg van deze gewijzigde bepaling mee dat lid 1 een facultatieve weigeringsgrond bevat met betrekking tot het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht van een zogenoemd niet-lijstfeit. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.
De rechtbank ziet in de onderhavige situatie aanleiding om van de weigering af te zien, omdat zij van oordeel is dat onvoldoende aanleiding voor weigering bestaat. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft: het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen. Verder is de overlevering toch al toelaatbaar voor de tenuitvoerlegging van andere in Polen opgelegde vrijheidsstraffen en is de gezamenlijke afdoening van de openstaande vrijheidsstraffen in het belang van de opgeëiste persoon.
6Artikel 6a OLW; beroep op gelijkstelling met een Nederlander
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon sinds 2017 in Nederland verblijft, dat hij hier geworteld is en dat zijn Nederlandse partner zwanger is van hun tweede kind. De opgeëiste persoon heeft sinds zijn komst naar Nederland bij verschillende werkgevers gewerkt.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de opgeëiste persoon niet voldoet aan de vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander.
De rechtbank overweegt als volgt.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De opgeëiste persoon voldoet niet aan het eerste vereiste, aangezien hij niet heeft aangetoond dat hij gedurende een periode van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De rechtbank verwerpt het beroep op gelijkstelling met een Nederlander.
7Verzoek in verband met een procedure in Polen
De raadsman heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat de Poolse raadsman van de opgeëiste persoon een procedure is gestart in Polen. In die procedure heeft de Poolse raadsman betoogd dat de opgeëiste persoon geen binding heeft met Polen en heeft hij het verzoek gedaan om de straffen in Nederland ten uitvoer te leggen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de beslissing op het onderhavige EAB aan te houden in afwachting van de uitkomst van de procedure in Polen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de behandeling van het EAB aan te houden. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hierboven onder 6. heeft overwogen.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
9Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 300 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
10Toepasselijke wetsbepalingen
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz, 3rd Penal Division (Polen).
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en N.M. van Waterschoot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 april 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=178582&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=102487)(Dworzecki), punt 42.
Dworzecki, punt 51.
HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (Generalstaatsanwaltschaft Hamburg), punt 52.
Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, punt 53.
HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74.
Vgl. HvJ EU 29 juni 2017, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:530 (Popławski I), punt 21.