Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:PHR:2026:94
Strafrecht
2,005 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:PHR:2026:94 text/xml public 2026-03-31T12:45:36 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-17 23/04821 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:515 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:94 text/html public 2026-03-31T11:03:38 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:94 Parket bij de Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/04821 Conclusie AG. Eenvoudige belediging ambtenaar in functie. Falend middel over bestanddeel "gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening". Ambtshalve opmerking over overschrijding redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot verwerping beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04821 Zitting 20 januari 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 1 december 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-004314-22), wegens "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het middel 2.1 Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van “gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het hof die bewezenverklaring ontoereikend dan wel niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. 2.2 In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat jegens de verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond en evenmin dat sprake was van een staandehouding. Gelet hierop bestond er op grond van art. 55b Sv geen bevoegdheid om de verdachte te fouilleren ter vaststelling van zijn identiteit. De steller van het middel merkt op dat art. 2 Wet op de identificatieplicht ook geen fouilleringsbevoegdheid in het leven roept. Verder zou uit de bewijsvoering niet volgen dat de verdachte weigerde zijn identiteit kenbaar te maken, maar alleen dat hij niet zijn volledige naam noemde en aanzienlijk onder invloed van alcohol verkeerde. 3 De bewezenverklaring en de bewijsvoering 3.1 Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat: “hij op 25 juni te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent politie Oost-Nederland), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen “kankermongool”.” 3.2 Het hof heeft het volgende bewijsmiddel gebezigd: “Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding verdachte, genummerd PL0600-2022286101-2, gesloten en ondertekend op 25 juni 2022 door [verbalisant 1] , hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland. en [verbalisant 2] , inspecteur bij de Eenheid Oost-Nederland voor zover inhoudende, op pagina 4 en 5 zakelijk weergeven: Op zaterdag 25 juni 2022 waren wij verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , in dienst voor de incident afhandeling binnen de gemeente [plaats] . Wij waren in uniform gekleed, reden in een als zodanig herkenbaar dienstvoertuig en waren bij het operationeel centrum (OC) te [plaats] gestuurd naar [a-straat] in [plaats] in verband met een agressieve dronken man welke aanstalten maakte om op een scooter te stappen. Tevens was hij zojuist met zijn scooter omgevallen. Ter plaatse zag ik, [verbalisant 1] , een man met een korte broek en een donker shirt zwalken over [a-straat] . Ik zag dat omstanders naar de man wezen. Later bleek dit te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] en hierna te noemen verdachte. Ik, [verbalisant 1] , ben met verdachte in gesprek gegaan. Ik zag dat hij onvast ter been was, bloeddoorlopen ogen had. Ik hoorde dat hij met dubbele tong sprak en rook dat hij riekte naar het inwendig gebruik van alcohol. Ik vroeg de man naar zijn naam. Ik hoorde dat hij zei dat hij Pietje Piepelepop heette of iets wat daarop leek. Hierop vroeg ik verdachte of hij mij een geldig legitimatiebewijs kon geven. Ik hoorde dat hij zei dat hij deze niet bij zich had. Hierop heb ik nog drie keer geprobeerd om de naam van verdachte te achterhalen zodat ik deze kon opzoeken in ons systeem. Ik hoorde dat verdachte niet verder kwam dan dat hij [verdachte] heet. Hierop tegen hem gezegd dat ik hem ga fouilleren op grond van de wet ID. Ik voelde aan zijn jaszak en voelde een portemonnee. Deze heb ik eruit gehaald en zag dat hier een geldige identiteitskaart in zat. Hierop zag ik dat verdachte mij aankeek en hoorde dal hij zei: "Kankermongool!" Ik zag dat er diverse omstanders stonden te kijken naar wat er gebeurde. Hierdoor voelde ik mij in mijn goede naam en eer aangetast.” 3.3 Met betrekking tot het bewijs heeft het hof overwogen: “Het hof is anders dan de raadsman van oordeel dat [verbalisant 1] handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt immers dat verdachte, die door de verbalisanten was staande gehouden, weigerde zijn identiteit kenbaar te maken. De verbalisanten hadden daarom op basis van artikel 55b van het Wetboek van Strafrecht de bevoegdheid verdachte aan zijn kleding te onderzoeken ter vaststelling van zijn identiteit. Het hof ziet geen reden om aan de bevindingen van de verbalisanten te twijfelen.” 4 Het juridisch kader 4.1 In de onderhavige zaak zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang: - Art. 27 lid 1 Sv luidt: “1. Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. 2.” - Art. 27a Sv luidt: “1. De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats. Het vaststellen van zijn identiteit omvat tevens een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. (…).” - Art. 52 Sv luidt: “Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en hem daartoe staande te houden. - Art. 55b lid 1 Sv luidt: “1. De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.” 5 De bespreking van het middel 5.1 Uit de bewijsvoering van het hof komt het volgende naar voren. De opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn op zaterdag 25 juni 2022 op een melding afgekomen over een agressieve dronken man die net van een scooter was gevallen en aanstalten maakte om weer op die scooter te stappen. Ter plaatse troffen zij de verdachte, die over een plein zwalkte, onvast ter been was, bloeddoorlopen ogen had, met dubbele tong sprak en rook naar alcoholgebruik. Uit de omstandigheid dat [verbalisant 1] de verdachte, ten aanzien waarvan op dat moment duidelijke aanwijzingen waren dat hij in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde (art. 453 Sr), naar zijn naam vroeg heeft het hof kennelijk afgeleid dat de verdachte op dat moment was staande gehouden en dat de verbalisant met het vragen naar zijn naam en een legitimatiebewijs probeerde zijn identiteit vast te stellen overeenkomstig art. 52 Sv.