Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-03
ECLI:NL:PHR:2026:213
Strafrecht
718 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:PHR:2026:213 text/xml public 2026-03-24T14:35:02 2026-02-28 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-03 24/00732 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:480 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:213 text/html public 2026-03-02T16:57:45 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:213 Parket bij de Hoge Raad , 03-03-2026 / 24/00732 Conclusie AG. Middel over afwijzing aanhoudingsverzoek. Om redenen genoemd in vandaag eveneens genomen conclusie in samenhangende zaak 24/00731 faalt middel. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/00731 en 24/00729. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00732 Zitting 3 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 28 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-004027-23) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Er bestaat samenhang met de zaken 24/00731 en 24/00729. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.F.J. Kramer, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gelijkluidend aan het eerste middel in de samenhangende zaak met nummer 24/00731 waarin ik vandaag ook concludeer. Bovendien heeft het middel betrekking op hetzelfde aanhoudingsverzoek en dezelfde motivering van de afwijzende beslissing door het hof. In mijn conclusie in deze samenhangende zaak heb ik uiteengezet waarom het middel faalt. In deze zaak volsta ik met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie. 5. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende zaak en kan eveneens worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 6. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM geschonden. Gelet op de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf en de te verwachten overschrijding van de redelijke termijn, kan worden volstaan met een constatering van die overschrijding. 7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het verzoek tot aanhouding is gedaan tijdens de gelijktijdige, doch niet gevoegde, behandeling van de samenhangende zaak. Van de behandeling van die zaken zijn afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. Het verzoek tot aanhouding en de (motivering van de) afwijzende beslissing zijn echter gelijk aan elkaar. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2.