Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-10-01
ECLI:NL:PHR:2024:999
Strafrecht
2,605 tokens
Conclusie
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij verstekarrest van 20 september 2023 door het gerechtshof Den Haag op grond van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is op 16 oktober 2023 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
1.3
De uitkomst van deze conclusie is dat het middel slaagt en de zaak moet worden teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag.
2De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
De op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken houden voor zover van belang het volgende in:
(i) het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op 20 september 2023 te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep, welke dagvaarding blijkens de daarvan opgemaakte akte op 21 augustus 2023 in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Op de dagvaarding is in een afgekaderd tekstblok vermeld:
“U bent gedagvaard om te verschijnen op een ROLZITTING van het hof omdat u hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/ politierechter/ meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat u geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis waartegen u hoger beroep heeft ingesteld zal uw zaak op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenaamde ROLZITTING van het gerechtshof te Den Haag. Deze zitting is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen het vonnis, waarna de behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. U dient er rekening mee te houden dat indien u niet verschijnt en door u ook niet voorafgaand aan of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen u beroep heeft ingesteld de kans bestaat dat het hof u conform artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk verklaart in het door u ingestelde hoger beroep. Ook indien blijkt, dat het hoger beroep niet rechtsgeldig (bijvoorbeeld te laat) is ingesteld, kan het hof u niet-ontvankelijk verklaren.”
(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 september 2023 houdt in:
“De verdachte […] is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. M.E. Pennings, is – hoewel behoorlijk opgeroepen – evenmin verschenen.
De voorzitter doet mededeling van een door de verdachte op 20 september 2023 ondertekende afstandsverklaring, inhoudende dat de verdachte afstand doet van het recht om bij de behandeling van de zaak in hoger beroep aanwezig te zijn.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De voorzitter deelt mede dat de zitting van heden een zogenaamde strafrolzitting betreft, waarop een aanvang wordt gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak in die zin dat uitsluitend de stand van zaken met betrekking tot het naar eerdere indruk zonder grieven ingestelde hoger beroep aan de orde zal komen.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
De advocaat-generaal legt de op schrift gestelde vordering aan het gerechtshof over.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.”
(iii) Het hof heeft vervolgens op dezelfde dag de volgende uitspraak gedaan:
“De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
2.2
De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2023 is aan de verdachte in persoon betekend. Het hof heeft op die datum uitspraak gedaan. Dat betekent mee dat ingevolge art. 432 lid 1 onder a Sv de termijn voor het instellen van cassatieberoep op 4 oktober 2023 afliep. De verdachte heeft echter pas op 16 oktober 2023 beroep in cassatie doen instellen.
2.3
Volgens de stellers van het middel kan de verdachte niet worden tegengeworpen dat hij niet binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof cassatie heeft ingesteld. Daarvoor wordt aangevoerd dat het hof op 20 september 2023 de zaak had moeten aanhouden omdat er grieven waren ingediend. De verdachte had daarom niet behoeven te vermoeden dat het hof de zaak niet tot een nadere datum voor inhoudelijke behandeling zou aanhouden zoals in de dagvaarding was vermeld.
2.4.
Bij de cassatieschriftuur is een bijlage gevoegd, inhoudende een print van een e-mail van 14 september 2023 (9:07 uur) van de raadsman van de verdachte verzonden aan rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl, met als onderwerp “grieven inz. [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2003, rolnummer 22-00085-23, rolzitting 20 september a.s. om 11.36 uur” inhoudende:
“Inzake: [verdachte]/HB
Edelgrootachtbare vrouwe/heer,
Hierbij doe ik u (…) ten behoeve van de aanstaande rolzitting in deze zaak opgave van de grieven.
Het hoger beroep richt zich zowel tegen de bewezenverklaring alsook – subsidiair – tegen de opgelegde straf.
Wilt u de goede ontvangst van deze e-mail aan mij bevestigen a.u.b.?
Bij voorbaat dank.
Met vriendelijke groeten,
M.E. Pennings
Pennings & van Haneghem Advocaten
[...]”
2.4
De hiervoor vermelde print van een e-mail bevindt zich niet bij de ingevolge art. 434 lid 1 Sv door het hof aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding. Ik meen echter dat het e-mailbericht, dat datum en tijdstip van verzending alsmede het e-mailadres van het gerechtshof Den Haag vermeldt, voldoende grond biedt voor het ernstig vermoeden dat het e-mailbericht wel ter griffie van het hof is ontvangen.
2.5
De termijnen waarbinnen rechtsmiddelen moeten worden ingesteld, zijn van openbare orde. Dit heeft tot gevolg dat bij overschrijding van de beroepstermijn een verdachte alleen dan kan worden ontvangen in zijn beroep, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden, die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Dat is onder meer het geval wanneer binnen de beroepstermijn ambtelijke informatie is verstrekt waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de termijn op een ander tijdstip aanvangt.
2.6
Ik meen dat in het onderhavige geval van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is.
Conclusie
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1049, NJ 2021/80, rov. 2.3. Aan de cassatieschriftuur was een uitdraai van het e-mailbericht alsmede een printscreen uit Microsoft Outlook van de map “verzonden items” gehecht. Vgl. ook HR 9 oktober 2018, 17/01646 (niet gepubliceerd), waarin de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest van 3 juli 2018 het middel laat slagen op de gronden vermeld in de conclusie van de A-G. Uit die conclusie blijkt dat aan de cassatieschriftuur een e-mailbericht was gehecht, welke het correcte e-mailadres van het hof Den Haag alsmede datum en tijd van verzending vermeldde. Gelet op deze arresten heb ik afgezien van een nadere navraag bij het hof Den Haag over de daadwerkelijke ontvangst van de e-mail, anders dan mijn collega Keulen blijkens zijn samenhangende conclusies van 24 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:980, ECLI:NL:PHR:2024:981 en ECLI:NL:PHR:2024:982, in welke zaken de e-mailberichten waren verzonden via de dienst voor veilige communicatie “Zivver”.
HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500 m.nt. T.M. Schalken, rov. 5.3 en HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181, rov. 3.3.
HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181, rov. 3.4 en onder meer HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:189, rov. 2.3.
HR 20 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9906, NJ 1995/253, rov. 4.4, HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1553, rov. 2.5, HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462, rov. 3.4, HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8680, rov. 3.5, HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557, NJ 2014/179 m.nt. T.M. Schalken, rov. 3.5 en HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:974, NJ 2019/265, rov. 2.6.
Vgl. HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1816, rov. 2.5.
Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:73, rov. 2.2 (onder verwijzing naar de conclusie van A-G Vegter).