Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-10-05
ECLI:NL:PHR:2021:897
Strafrecht
2,686 tokens
Conclusie
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 19 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2020, waarbij de verdachte wegens “schuldheling” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen.
Namens de verdachte heeft mr. J.J. Sneller, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel is gericht tegen de beslissing van het hof om de verdachte in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2020 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de verdachte op 23 januari 2020 op tegenspraak is veroordeeld door de rechtbank Amsterdam. Het hoger beroep dat op 20 februari 2020 is ingesteld zou derhalve niet ontvankelijk zijn.
De verdachte voert aan dat hij tijdens de zitting heeft gevraagd of hij in hoger beroep mag gaan. De rechter heeft gezegd dat dit mag. Toen heeft hij aangegeven bij deze hoger beroep in te stellen.
Verder geeft de verdachte aan dat hij zonder zijn advocaat was en er van uit ging op de juiste wijze hoger beroep te hebben ingesteld. Hij wist niet welke procedure hij verder moest volgen. Hij ging ervan uit dat alles goed is gegaan. Het klopt, aldus de verdachte, dat hij dezelfde dag nog contact heeft gehad met zijn advocaat, maar die heeft niet geïnformeerd of op de juiste wijze hoger beroep was ingesteld. Die ging ervan uit dat dat correct was gedaan.
De advocaat-generaal voert het woord en leest zijn vordering voor. Hij vordert dat de verdachte, wegens overschrijding van de appeltermijn, niet ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. De dagvaarding heeft de verdachte in persoon ontvangen. De verdachte is op 23 januari 2020 bekend geworden met het vonnis en heeft niet binnen veertien dagen appel ingesteld. De advocaat-generaal verwijst in dat verband naar de informatie op de achterzijde van de dagvaarding.
De raadsman voert aan dat de verdachte in persoon heeft laten weten dat hij in hoger beroep ging, zoals hem dit is voorgehouden. Men had hem er op moeten wijzen dat hij beneden, dat wil zeggen bij de griffie, hoger beroep moest instellen. Hij mocht er op vertrouwen op de juiste wijze hoger beroep te hebben ingesteld.
De verdachte voegt daaraan toe dat het meer dan duidelijk was dat hij hoger beroep aantekende.
Na beraad in raadkamer wordt het onderzoek ter terechtzitting gesloten en deelt de voorzitter de uitspraak direct mede […].”
5. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 23 januari 2020 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte is op 23 januari 2020 ter terechtzitting verschenen en is bij vonnis op tegenspraak veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 20 februari 2020.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”
6. Het middel zelf behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld, onjuist is, aangezien de verdachte door ter terechtzitting in eerste aanleg, na de behandeling van de zaak en nadat hem mondeling de uitspraak (het vonnis) is meegedeeld en hem de mogelijkheid is geboden van dat vonnis binnen veertien dagen in beroep te komen, onmiddellijk ten overstaan van eenieder heeft verklaard dat hij hoger beroep wilde instellen, zodat de verdachte dit rechtsmiddel tijdig en op de juiste wijze heeft aangewend.
7. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld. Art. 449, eerste lid, Sv houdt in dat hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring af te leggen “op de griffie” van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven. In HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6742 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een soortgelijke klacht geoordeeld dat de stelling dat de verdachte, door ter terechtzitting ten overstaan van de politierechter en de griffier te kennen te geven dat hij tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep wilde instellen, tijdig en rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld, niet als juist kan worden aanvaard. Ik zie geen reden van de in die zaak gevolgde lijn thans af te wijken en verwijs daarvoor graag naar de lezenswaardige en aan dat arrest voorafgaande conclusie van mijn toenmalige ambtgenoot Knigge.
8. De toelichting op het middel volgt evenwel nog een ander spoor. Daarin valt onder meer te lezen dat bij de verdachte “het gerechtvaardigd vertrouwen [is] ontstaan dat hij tijdig en juist hoger beroep heeft ingesteld”. De steller van het middel heeft zeven bijlagen bijgevoegd die dat standpunt willen onderbouwen. In dat licht bezien – en met enige welwillendheid – meen ik dat in het middel de klacht moet worden gelezen dat het oordeel van het hof dat de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep niet verontschuldigbaar is geweest, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.
9. Deze in het middel vervatte klacht heeft beduidend betere papieren. Ik licht dit hieronder toe.
10. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte in de regel betekent dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen, en dat dit gevolg daaraan uitsluitend niet kan worden verbonden indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Is duidelijk en gemotiveerd het verweer gevoerd dat een termijn voor het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden, dan is de rechter verplicht bij verwerping van dit verweer zijn beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed te nemen.
11. De Hoge Raad heeft zich er niet ongevoelig voor getoond dat ter terechtzitting in eerste aanleg bij de niet van rechtsbijstand voorziene verdachte verwarring kan ontstaan, doordat de rechter hem op de voet van art. 381, eerste lid, Sv opmerkzaam zal maken op zijn recht om afstand te doen van de mogelijkheid hoger beroep in te stellen, doch, indien de verdachte zegt daarvan geen afstand te doen, de wet de rechter er dan niet toe verplicht de verdachte er op te wijzen op welke wijze het hoger beroep dient te worden ingesteld. Een dergelijk misverstand werd ter beoordeling aan de Hoge Raad voorgelegd in diens arrest van 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694, NJ 2010/585, m.nt. Buruma. De verdachte voerde ter terechtzitting in hoger beroep aan dat hij tegenover de politierechter op de vraag of hij afstand deed van zijn recht op het instellen van hoger beroep had gezegd dat hij in hoger beroep ging, en dat hij dacht dat dit toereikend was. Vervolgens had de verdachte pas nadat hij contact had gehad met zijn raadsman en hij erachter was gekomen dat zijn verklaring ter terechtzitting onvoldoende was, alsnog hoger beroep ingesteld, aldus het verweer. Het hof verklaarde de verdachte op de voet van art. 408, eerste lid aanhef en onder b, Sv niet-ontvankelijk omdat het beroep te laat was ingesteld. Het hof had daarbij evenwel verzuimd te responderen op het verweer van de verdachte, welk verweer bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan als een beroep op verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding.
Conclusie
16. Het middel slaagt.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Ook de Hoge Raad verwees in het arrest naar de conclusie van Knigge (ECLI:NL:PHR:2011:BO6742), waarin met betrekking tot het vereiste dat de verklaring “op de griffie” wordt afgelegd de strekking en achtergronden helder voor het voetlicht worden gebracht.
Zie onder meer HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557, NJ 2014/179, m.nt. Schalken; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1612; HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:770, NJ 2020/328, m.nt. Ouwerkerk; en HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:927 en 928.
Zie HR 22 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700; HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694, NJ 2010/585, m.nt. Buruma; en HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2681, NJ 2011/546.
De politierechter zou, na de verdachte kennis te hebben gegeven van (kort gezegd) de beroepsmogelijkheid en beroepstermijn en na verdachtes aankondiging in hoger beroep te willen gaan, hebben gezegd: “Dat is prima”.
Anders komt het te liggen – dat wil zeggen: van een bijzondere omstandigheid als hier bedoeld is geen sprake – wanneer de verdachte reeds bij verstek is veroordeeld en zich pas na de uitspraak van de politierechter in de zittingszaal vervoegt en dan door de politierechter wordt geïnformeerd over de gedane uitspraak; zie HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1612 en HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2789, NJ 2015/37, m.nt. Rozemond.
Onder de ingezonden stukken van het geding heb ik geen proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aangetroffen. De steller van het middel voert in de toelichting aan, zo begrijp ik, dat hem in zijn hoedanigheid van raadsman van de verdachte in hoger beroep telefonisch is medegedeeld dat een proces-verbaal niet is opgemaakt en dat dit ook niet meer zal gebeuren. Onder de bedoelde gedingstukken bevinden zich wel niet-ondertekende zittingsaantekeningen die kennelijk betrekking hebben op de terechtzitting in eerste aanleg. Deze aantekeningen houden onder het kopje “Beslissing” onder meer in de vermelding: “Ik ga in hoger beroep.”