Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-06-25
ECLI:NL:PHR:2024:684
Strafrecht
1,832 tokens
=== CONCLUSIE ===
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 september 2013 het vonnis van de rechtbank Maastricht van 3 december 2012 bevestigd, met aanvulling van de in het vonnis aangehaalde wetsartikelen met art. 36b en art. 36c Sr. Bij dat vonnis is de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank bij dit vonnis een beslissing genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2013 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
is niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B. Damen, advocaat te Maastricht, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
[…]
Het hof:
- schorst, gehoord de advocaat-generaal en rekening houdend met de door de verdediging opgegeven verhinderdata, het onderzoek tot de terechtzitting van het hof van 13 september 2013 te 11.05 uur;
- beveelt de oproeping van verdachte tegen de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting;
- overweegt dat de raadsman van de verdachte heden kennis heeft genomen van de dag en het tijdstip van de hierboven genoemde terechtzitting.”
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2013 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [plaats] , [b-str] ,
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B. Damen, advocaat te Maastricht, die mededeelt geen contact met zijn cliënt te hebben gehad en niet bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn.
De voorzitter merkt op dat de raadsman bij de eerdere zitting heeft gezegd wel bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn.
De raadsman deelt daarop mede dat hij zich destijds wel gemachtigd achtte, maar dat hij sindsdien geen enkel contact meer heeft kunnen krijgen met de verdachte, zodat hij zich thans niet gevolmachtigd acht.
Na korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede in te stemmen met het standpunt van de raadsman dat hij niet gemachtigd is.
In verband met de gewijzigde samenstelling van het hof wordt het onderzoek, dat ter terechtzitting van 18 juni 2013 werd geschorst, opnieuw aangevangen.
[…]
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 27 september 2013 te 09.30 uur.”
3.3
Het bestreden arrest van het hof van 27 september 2013 houdt onder meer het volgende in:
“TEGENSPRAAK
(Let wel: op laatste zitting 13 september 2013: raadsman niet gemachtigd; onip)”
3.4
Uit het voorgaande blijkt dat de zaak van de verdachte in hoger beroep voor het eerst is behandeld op 18 juni 2013. De verdachte is op deze terechtzitting niet verschenen. Uit de stukken van het geding volgt niet dat de dagvaarding voor deze terechtzitting in persoon is betekend. De raadsman van de verdachte is wel verschenen op de terechtzitting van 18 juni 2013. Hij heeft verklaard uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Het onderzoek is voor bepaalde tijd geschorst tot 13 september 2013. Op deze terechtzitting is de verdachte wederom niet verschenen. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de oproeping voor de terechtzitting van 13 september 2013 in persoon is betekend. De raadsman van de verdachte was wel aanwezig, maar heeft verklaard dat hij niet bepaaldelijk gevolmachtigd was, met welk standpunt het hof heeft ingestemd. Wegens de gewijzigde samenstelling van het hof is het onderzoek opnieuw aangevangen. Het arrest is op 27 september 2013 op tegenspraak gewezen.
3.5
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1363, overwogen dat voor het instellen van beroep in cassatie een termijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt wanneer op de (nadere) terechtzitting een gemachtigde raadsman als bedoeld in art. 279 lid 1 Sv is verschenen. Deze termijn blijft ook gelden als na schorsing van het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde tijd op de nadere terechtzitting noch de verdachte noch een gemachtigd raadsman is verschenen.
3.6
Nu in de onderhavige zaak een gemachtigd raadsman is verschenen op de terechtzitting van 18 juni 2013, het onderzoek op die terechtzitting is geschorst voor bepaalde tijd tot 13 september 2013 en de verdachte, noch een gemachtigd raadsman is verschenen op die terechtzitting van 13 september 2013, was in dit geval een termijn voor het instellen van beroep in cassatie van toepassing van veertien dagen na de uiteinduitspraak van het hof van 27 september 2013. Het cassatieberoep is ingesteld op 21 april 2022. Het cassatieberoep is dus te laat ingesteld, waardoor de verdachte niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het arrest is overigens terecht op tegenspraak is gewezen. Een behandeling die als gevolg van art. 279 lid 2 Sv geldt als een procedure op tegenspraak, blijft als zodanig gelden wanneer op de nadere terechtzitting(en) (bij afwezigheid van de verdachte) geen gemachtigde raadsman verschijnt, ook indien op die nadere terechtzitting(en) het onderzoek opnieuw is aangevangen. Zie HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG3022, NJ 2004/167, m.nt. T.M.C.J. Schalken, r.o. 3.7.
HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1363, NJ 2023/341, m.nt. N. Jörg, r.o. 2.3.