Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-05-14
ECLI:NL:PHR:2024:509
Strafrecht
2,472 tokens
Conclusie
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 21 februari 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. "belaging" en 2. “gebruikmakende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren, te vervangen door veertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren en met algemene en bijzondere voorwaarden als nader omschreven. Het hof heeft daarnaast een fototoestel verbeurd verklaard en de teruggave van een inbeslaggenomen goed (computer) gelast.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Voordat ik het middel bespreek, vraagt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep de aandacht.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
De akte cassatie houdt het volgende in:
“heden, 25 februari 2022, verscheen ter griffie van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch
[betrokkene 1] ,
administratief ambtenaar bij dit gerechtshof,
blijkens de aan de akte gehechte bijzondere volmacht ontvangen d.d. 25 februari 2022,
schriftelijk gemachtigde van:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1972,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
die verklaarde beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van 21 februari 2022, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen, door dit hof gewezen in de zaak met parketnummer 20-000389-19 tegen [verdachte] voornoemd.”
2.2
Bij deze akte is een e-mail gevoegd die op 25 februari 2022 is verzonden aan de strafgriffie van het hof ’s-Hertogenbosch en die inhoudt:
“Geachte griffier,
Bijgaand ontvangt u een afschrift van mijn schrijven inzake het verzoek tot instellen van cassatieberoep namens mijn kantoorgenoot, alsmede het gewezen arrest en waar ik kortheidshalve naar verwijs.”
2.3
De bijgevoegde scan houdt het volgende in:
“VOLMACHT INSTELLEN CASSATIE BEROEP
(…)
Geachte griffier,
Recentelijk wendde zich tot mij, [verdachte] , (…), met het verzoek om namens hem cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gewezen op 21 februari 2022, met parketnummer 20-000389-19
(…)
Cliënt kan zich met het arrest niet verenigen. Cliënt stelt zich op het standpunt dat hij onschuldig is en dat de straf te hoog is.
Bij dezen machtig ik de griffier om per ommegaande een akte van cassatieberoep op te maken en cassatieberoep in te stellen. Vriendelijk verzoek ik u op dit per ommegaande aan mij toe te zenden.
Daarbij stel ik me in de procedure om voor cliënt als advocaat op te treden in cassatie.
In afwachting daarvan. Bij voorbaat mijn dank daarvoor.”
2.4
Een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om beroep in cassatie in te stellen moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van dat beroep. De brief van mr. P.F.M. Gulickx houdt niet in dat hij bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het beroep in cassatie.
2.5
Uit de omstandigheid dat namens de verdachte een cassatieschriftuur is ingediend door dezelfde advocaat namens wie de onder 2.3 gevoegde scan aan de griffie van het hof is verzonden, moet worden afgeleid dat de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen. Daarom leidt die onvolkomen volmacht niet tot niet-ontvankelijkverklaring in dit beroep.
Het middel
3.1
Het middel komt op tegen een tweetal door het hof gestelde bijzondere voorwaarden die kort gezegd inhouden (i) dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft en (ii) dat de verdachte zich laat behandelen door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De steller van het middel wijst erop dat de verdachte aan een zeer uitgebreid psychisch onderzoek onderworpen is geweest en dat uit dit onderzoek volgt dat het recidivegevaar laag is. Om die reden zou het onbegrijpelijk en onnavolgbaar zijn waarom het hof deze bijzondere voorwaarden heeft gesteld. In het middel wordt niet geklaagd over de formulering of reikwijdte van de voorwaarden, maar slechts over de reden tot oplegging daarvan.
3.2
De uitspraak van het hof bevat ten aanzien van de strafoplegging onder meer de volgende beslissingen:
“Het hof:
(…)
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt (…).
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarden. Daartoe moet de veroordeelde zich binnen drie dagen melden na onherroepelijk worden van het arrest melden bij Reclassering Nederland (RN) op het adres: [b-straat 1] te [plaats] .
- dat de veroordeelde zich laat behandelen door Impegno of een soortgelijke (forensische) zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling,
- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (dochters van de buurvrouw van de veroordeelde) en [betrokkene 4] (verkoopmedewerkster [A] ).
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.”
3.3
De uitspraak van het hof houdt onder het kopje “Op te leggen sanctie” verder onder meer het volgende in:
“Het hof heeft verder acht geslagen op het naar aanleiding van een psychologisch onderzoek van de verdachte opgemaakte rapport van psycholoog drs. Legra d.d. 23 november 2018. De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat het bewezenverklaarde onder 1 in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend (ten aanzien van feit 2 kon geen reconstructie worden gemaakt). Het hof schaart zich achter deze conclusies en zal beide bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. De psycholoog heeft nog geadviseerd dat aan de verdachte een ambulante behandeling in combinatie met een reclasseringstoezicht wordt opgelegd om de kans op recidive te verkleinen.
Beoordeling
3.8
Het middel faalt.
Afronding
4.
4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken. In zoverre is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. In het licht van de opgelegde voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om daaraan enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4.3
Deze conclusie strekt verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212, HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 en HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:92.
Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975.
F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde: een onderzoek naar de voorwaardelijke veroordeling en andere voorwaardelijke modaliteiten (diss. Nijmegen), Deventer: Gouda Quint 1996, p. 58.
Vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:973.
Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
Daarbij merk ik op dat de reclassering heeft geadviseerd om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dat advies heeft het hof (kennelijk) niet overgenomen.
Vgl. HR 24 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.