Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-05
ECLI:NL:PHR:2024:1078
Strafrecht
13,296 tokens
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 1 juni 2022 door het gerechtshof Amsterdam:
in de zaak 13Shogun
wegens:
- onder 1: mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, lid 1 onder 1°, 4°, 6° en 9° Sr omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, en mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, lid 1 onder 6° Sr omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- onder 2: medeplegen van gewoontewitwassen;
en
in de zaak 13Overloon
wegens:
- onder 1: mensenhandel terwijl de in artikel 273f, lid 1 onder 1°, 3°, 4°, 6° en 9° Sr omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- onder 2: mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, lid 1 onder 6° Sr omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- onder 3: medeplegen van gewoontewitwassen,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren (met aftrek van voorarrest). Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van een benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest vermeld.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02186 en 22/02143. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G. Spong, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2Het eerste middel
2.1
Het eerste middel bevat twee klachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip “uitbuiting” in de zin van art. 273f Sr. Deze klacht raakt aan de bewezenverklaring van alle feiten waarin de verdachte (diverse vormen van) mensenhandel wordt verweten.
In de tweede plaats kan volgens de steller van het middel de bewezen verklaarde uitbuiting c.q. het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.
Ik zal eerst ingaan op de eerste klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip “uitbuiting”.
Uitbuitingssituatie?
2.2
Deze klacht is gericht tegen de inleidende overweging die het hof in zijn arrest heeft gewijd aan de vraag wanneer sprake is van een uitbuitingssituatie, meer specifiek tegen de betekenis die het hof geeft aan de eventuele instemming van het slachtoffer.
2.3
Deze overweging van het hof luidt als volgt [met onderstreping door mij, TS]:
“Inleidende overweging
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is bij prostitutie sprake van een uitbuitingssituatie, indien de betrokken prostituee in situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (HR 5 februari 2002, LJN:AD5235). Mondig betekent dat de prostituee zelfstandig kan bepalen of en wanneer en voor wie er wordt gewerkt en ook dat de prostituee zelf de beschikking heeft over de inkomsten uit dat werk. Uitbuiting veronderstelt wel altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. Instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting is niet relevant.
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen sprake is van door de verdachte en zijn mededaders – door gebruikmaking van dwangmiddelen – met dwang doen uitvoeren van prostitutiewerkzaamheden door de genoemde vrouwen. Van een situatie waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren, was aldus door handelen van de verdachte en zijn mededaders in het geheel geen sprake.
Het oogmerk van uitbuiting acht het hof daarom ten aanzien van alle in de bewezenverklaring genoemde vrouwen bewezen.”
2.4
In zijn arrest van 5 februari 2002, waarnaar het hof verwijst, haalt de Hoge Raad de wetsgeschiedenis van art. 250ter (oud) Sr aan. Vervolgens overweegt de Hoge Raad:
“5.5. Uit deze wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat, indien zich een situatie voordoet - door de wetgever als uitbuitingssituatie aangeduid - waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant - waarbij als een geval waarin een uitbuitingssituatie kan worden verondersteld onder meer wordt genoemd dat de prostitué(e) illegaal in Nederland verblijft - degene die de betrokkene tot prostitutie heeft gebracht niet een beroep erop kan doen dat zijn opzet niet erop gericht was dat de betrokkene zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van (het gebruik van) het overwicht dat uit de desbetreffende feitelijke verhoudingen voortvloeide.”
2.5
De steller van het middel interpreteert deze passage in het arrest van de HR als volgt:
“4. Mondigheid veronderstelt dus een vrije keuze van handelen en beslissen. Dit brengt mee dat indien de mondige prostituée(e) een vrije keuze maakt om in te stemmen met een beoogde of bestaande uitbuiting van strafbare uitbuiting geen sprake is.”
2.6
Volgens de steller van het middel geeft het oordeel van het hof dat de instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant is, dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Slechts wanneer het slachtoffer door het gebruik van één van de genoemde dwangmiddelen een reële, vrije keuze wordt onthouden, doet de eventuele instemming met de uitbuiting niet ter zake, aldus nog steeds de steller van het middel.
2.7
Ik kan deze redenering niet volgen. Als ik het goed begrijp komt deze erop neer dat instemming van het slachtoffer met uitbuiting, deze uitbuiting straffeloos maakt, mits die instemming voortkomt uit een reële, vrije keuze. Of nog anders verwoord: uitbuiting is niet strafbaar als daar door het slachtoffer vrijwillig mee wordt ingestemd. Dát kan ik in de hiervoor onder 2.4 geciteerde passage uit het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 2002 niet lezen. De “vrije keuze” heeft in die passage betrekking op het “al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant” en niet op de uitbuiting.
2.8
Voor het standpunt van de steller van het middel kan ook geen steun worden gevonden in art. 1 lid 2 van het Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel, waar de steller van het middel naar verwijst. Overigens is dit Kaderbesluit in 2011 vervangen door Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan.
2.9
Art. 2 van de Richtlijn 2011/36/EU luidt, voor zover voor onderhavige zaak van belang:
“Artikel 2
Strafbare feiten op het gebied van mensenhandel
1.
Overwegingen
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat een 50/50-verdelingsafspraak in de voorliggende casus erop duidt dat sprake is van een uitbuitingssituatie. Het afstaan van de helft van de verdiensten zonder dat daar een noemenswaardige tegenprestatie tegenover staat, is ongebruikelijk en duidt - zeker in een situatie van prostitutie - op uitbuiting. Dat [slachtoffer 2] daarnaast ook de woonlasten betaalde en geld afgaf aan de familie van de verdachte bevestigt dit temeer.
Met inachtneming van de eerdere vaststelling dat [slachtoffer 2] zich - door toedoen van de verdachte en zijn medeverdachten - niet bevond in situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren en zich dus bevond in een uitbuitingssituatie, komt het hof tot de bewezenverklaring dat de verdachte voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 2]. Het ten laste gelegde artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr acht het hof dus bewezen.”
2.15
De steller van het middel brengt hier tegenin:
(i) dat het oordeel van het hof dat een 50/50-verdelingsafspraak in de voorliggende casus duidt op een uitbuitingssituatie, nu het hof heeft overwogen dat het afstaan van de helft van de verdienste zonder dat daar een noemenswaardige tegenprestatie tegenover staat ongebruikelijk is zonder te motiveren waarom dat ongebruikelijk is, onbegrijpelijk is;
(ii) dat daardoor het begrip ‘uitbuiting’ in de uitspraak van het hof aanzienlijk wordt verruimd, omdat het hof niet de nuance uit de jurisprudentie van de Hoge Raad aanbrengt gelegen in de vrije keuze met betrekking tot het aangaan of voorzetten van de relatie met de exploitant;
(iii) dat, gelet op in de schriftuur aangehaalde en door het hof als bewijsmiddel gebezigde sms-berichten en telefoongesprek met de verdachte, het oordeel van het hof dat [slachtoffer 2] zich niet bevond in een situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondig prostituee in Nederland pleegt te verkeren en niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid had een vrije keuze te maken met betrekking tot het voortzetten van haar relatie tot de verdachte onbegrijpelijk is, nu zij in “krasse bewoordingen” haar ongenoegen met haar situatie en zijn houding uit en
(iv) dat, gelet op de inhoud van die gesprekken, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het opzet van de verdachte erop gericht was dat [slachtoffer 2] zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van het overwicht dat uit de desbetreffende feitelijke verhoudingen voortvloeide.
2.16
Het hof heeft, gemotiveerd, geoordeeld dat door de verdachte gebruik is gemaakt van de in de bewezenverklaring opgenomen dwangmiddelen, waaronder misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en de kwetsbare positie van het slachtoffer. Het hof heeft geoordeeld dat [slachtoffer 2] in een uitbuitingssituatie verkeerde en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij werkzaam was in de prostitutie, dat zij zich niet bevond in een situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren en dat in de voorliggende casus een 50/50-verdelingsafspraak op een uitbuitingssituatie duidt. Dit oordeel is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
2.17
Aan die begrijpelijkheid doet niet af (klacht i) dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het afstaan van de helft van de verdiensten zonder dat daar een noemenswaardige tegenprestatie tegenover staat ongebruikelijk is. Deze overweging behoeft geen nadere motivering. Voorts deel ik het standpunt van de steller van het middel niet, dat het hof onvoldoende acht heeft geslagen op de vraag naar de vrije keuze van [slachtoffer 2] in het aangaan of voortzetten van de relatie met de verdachte en medeverdachten (klacht ii). Daarbij wijs ik erop dat het hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat de 50/50-verdeling er “in de voorliggende casus” op duidt dat sprake is van een uitbuitingssituatie en daarnaast onder meer heeft vastgesteld dat sprake is van de toepassing van dwangmiddelen en dat [slachtoffer 2] zich niet bevindt in een positie waarin een mondig prostituee in Nederland pleegt te verkeren.
2.18
Ten aanzien van klacht (iii) geldt allereerst dat het oordeel van het hof berust op een waardering van de bewijsmiddelen die aan het hof is voorbehouden. In cassatie kan dit oordeel alleen worden getoetst op begrijpelijkheid. Gelet op de overige door het hof vastgestelde en uit de bewijsmiddelen afgeleide feiten en omstandigheden is dit oordeel niet onbegrijpelijk. De stelling dat het uiten van ongenoegen over de situatie door het slachtoffer betekent dat zij wél de mogelijkheid had een vrije keuze te maken met betrekking tot het aangaan of voortzetten van haar relatie tot degene door wie zij wordt uitgebuit, doet daar niet aan af.
2.19
De klacht die ziet op het opzet van de verdachte (klacht iv) is geformuleerd in het verlengde van klacht (iii) en betreft de opzet in het kader van het handelen door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Voor de bewezenverklaring van dit opzet is van belang of sprake was een uitbuitingssituatie. In dat geval kan door de verdachte die het slachtoffer tot prostitutie heeft gebracht geen beroep worden gedaan op het ontbreken van opzet op handelen door misbruik. Wel is vereist dat de verdachte zich bewust was van de omstandigheden waaruit dit overwicht voortvloeide, of werd verondersteld voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn.
2.20
De inhoud van de in de schriftuur aangehaalde sms-berichten en telefoongesprek staat niet aan een bewezenverklaring van het opzet in de weg. Nu het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat [slachtoffer 2] zich bevond in een uitbuitingssituatie en tevens heeft geoordeeld – hetgeen in cassatie niet wordt betwist – dat de verdachte wetenschap had over het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiende overwicht op [slachtoffer 2], slaagt ook deze klacht niet. Ten overvloede merk ik op dat het hof ook handelen door misbruik van de kwetsbare positie, dwang en andere feitelijkheden en door misleiding bewezen heeft verklaard en dat over dit oordeel in cassatie niet wordt geklaagd, terwijl de aanwezigheid van één van de in art. 273f lid 1 sub 1 Sr vermelde dwangmiddelen voldoende is voor een bewezenverklaring.
2.21
De klachten falen.
Klacht over het oordeel van het hof m.b.t. [slachtoffer 1] (zaak 13Shogun feit 1 en zaak 13Overloon feit 2)
2.22
Van de bewezen verklaarde feiten hebben twee feiten betrekking op [slachtoffer 1]. De schriftuur is niet specifiek gericht op één van de twee feiten zodat ik aanneem dat de klacht met betrekking tot beide feiten wordt aangevoerd.
Conclusie
6.1
De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
6.2
Ambtshalve heb ik, afgezien van hetgeen ik onder 5.1 heb opgemerkt, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Met parketnummer 23-004352-16.
Met parketnummer 23-004353-16.
HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235.
Kamerstukken II, 1988-1989, 21 207, nr. 3, blz. 3 e.v. en Kamerstukken II, 1988-1989, 21 027, nr. 5, blz. 3
en 7. Deze is nog steeds van betekenis, omdat de inhoud van art. 250ter (oud) Sr is geïncorporeerd in het huidige art. 273f Sr.
Zie Van der Meij in: T&C Sr, art. 273f Sr, aant. 1.
De voetnoten zijn weggelaten.
In de schriftuur zijn passages aangehaald uit het in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddel 28 t.a.v. 13Overloon, een proces-verbaal m.b.t. tapgesprekken. De aangehaalde passages betreffen een sms gestuurd op 14 september 2014 (p. 50), een telefoongesprek op 2 februari 2015 (p. 53) en twee opvolgende sms-berichten op 16 september 2014 (p. 50). Dit bewijsmiddel is opgenomen in de bewijsmiddelen ten aanzien van zaak 13Overloon feiten 1, 2 en 4, onder het kopje “tapgesprekken”.
Zie ook HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 (81 RO) en die hieraan voorafgaande conclusie van AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2023:747, in welke zaak het hof had vastgesteld dat sprake was van uitbuiting en daarin onder meer had betrokken dat “gelet op de te verrichten werkzaamheden door de aangeefsters enerzijds en verdachte anderzijds gesteld [kan] worden dat geen sprake was van een eerlijke verdeling” (de verdeling was 50-50 terwijl “de aangeefsters het sekswerk verrichtten” en de verdachte wachtte tot zij klaar waren en in geval van escort de aangeefsters vervoerde).
HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235, rov. 5.5 en 5.6; HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Y. Buruma, rov. 2.5.1.
Feit 1 betreft voorts mensenhandel gepleegd ten aanzien van [slachtoffer 3].
Feit 1 betreft voorts mensenhandel gepleegd ten aanzien van [slachtoffer 1].
Bewijsmiddelen t.a.v. 13Shogun: bewijsmiddel 7, p. 9.
HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655, m.nt. N. Keijzer (voorhanden hebben); HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, NJ 2013/453, m.nt. J.M. Reijntjes (verwerven) Vgl. m.b.t. middellijk uit misdrijf afkomstige voorwerpen HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.8.
HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, NJ 2015/160.
HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.3.
HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.4.1 en 2.4.2. Zie voorts onder meer HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770 (81 RO) en daaraan voorafgaande conclusie ECLI:NL:PHR:2015:978; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1950 (81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie ECLI:NL:PHR:2018:544; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2344.
Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor onder 3.3 weergegeven regels worden omzeild enkel door het ten laste leggen en/of bewezen verklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben".
HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. N. Keijzer.
Bewijsmiddelen t.a.v. 13Overloon: bewijsmiddelen 9, 12, 13, 15 en 16, p. 39-41; bewijsmiddelen 18 t/m 27, p. 42-49; bewijsmiddel 28, p. 49-50; bewijsmiddelen 42, p. 63. Bewijsmiddelen t.a.v. 13Shogun: bewijsmiddelen 3 en 4, p. 5-6; bewijsmiddelen 24-25, p. 16-17.
Vgl. onder meer HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2639 (81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Bleichrodt ECLI:NL:PHR:2015:1487, onder 35, t.a.v. het storten van uit eigen misdrijf verkregen gelden op een buitenlandse bankrekening; HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:174 (81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Vegter, onder 28, t.a.v. geld dat onder meer werd overgedragen naar rekeningen op naam van verschillende bv’s en daarmee “een uiteenlopende bestemming” kreeg; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2499, NJ 2019/102, m.nt. J.M. Reijntjes t.a.v. het laten storten van door misdrijf verkregen gelden op bankrekeningen op naam van een ander die feitelijk aan de verdachte ter beschikking stonden en HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3023 (81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Hofstee ECLI:NL:PHR:2017:1125 t.a.v. gelden die werden verplaatst naar ondernemingen van de verdachte en daarna werden overgeboekt naar buitenlandse ondernemingen waarvan de verdachte de UBO was, en die gedeeltelijk werden besteed aan de aanschaf van een auto voor de verdachte.
Bewijsmiddelen t.a.v. 13 Overloon: 42, p. 62 en 63; bewijsmiddelen 50 en 51, p. 66-68. Bewijsmiddelen t.a.v. 13Shogun: bewijsmiddel 3, p. 4 en 5; bewijsmiddelen 22-23, p. 13-15. Vgl.. onder meer HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 (81 RO) en die hieraan voorafgaande conclusie van AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2023:747 onder 5.9.
Zie onder meer HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 en HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831.
Zie onder meer HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 en HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831 en ter illustratie van een geval waarin eendaadse samenloop kan worden aangenomen ondanks een enigszins uiteenlopende strekking HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:501, rov. 4.3.3 (witwassen en heling) en HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:280 (art. 312 lid 1 en art. 284 lid 1, sub 1° Sr).
HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831, rov. 3.3.2.
Conclusie
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de hierna volgende opzettelijke gedragingen strafbaar te stellen:
het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen, daaronder begrepen de wisseling of overdracht van de controle over deze personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, door ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen, teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die controle heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting.
2. Met een kwetsbare positie wordt een situatie bedoeld waarin de betrokkene geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.
3. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van prostitutie van anderen, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of dienstverlening — bedelarij daaronder begrepen — slavernij en met slavernij vergelijkbare praktijken, dienstbaarheid, uitbuiting van strafbare activiteiten, en de verwijdering van organen.
4. De instemming van een slachtoffer van mensenhandel met de beoogde of daadwerkelijke uitbuiting is irrelevant indien een van de in lid 1 genoemde middelen is gebruikt.
(…)”
Deze bepaling is in 2013 geïmplementeerd in de Nederlandse strafwetgeving, waarbij ook art. 273f Sr is aangescherpt en uitgebreid. Uit het vierde lid van art. 2 van de richtlijn blijkt onmiskenbaar dat indien een van de uitbuitingsgedragingen is gehanteerd, instemming van het slachtoffer er niet meer toe doet.
2.10
Het hof heeft in zijn overweging tot uitdrukking gebracht dat uitbuiting een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit veronderstelt en dat, in dat geval, instemming van het slachtoffer niet relevant is. In zijn beoordeling van de vraag of sprake is van een uitbuitingssituatie betrekt het hof voorts dat er dwangmiddelen zijn toegepast. Dit oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
2.11
Deze deelklacht faalt.
Klachten over de bewezenverklaring
2.12
In het eerste middel wordt voorts geklaagd over (de begrijpelijkheid van) het oordeel van het hof ten aanzien van drie van de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen, te weten [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. Bij de bespreking van deze klachten geef ik steeds per feit de bewezenverklaring, en indien relevant voor de bespreking van het middel ook de bewijsoverwegingen, van het hof weer. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen in deze zaak beslaan bijna 80 pagina’s. Een volledige weergave hiervan voert te ver. Waar dit nodig is voor de bespreking van een klacht, geef ik een bewijsmiddel weer of volsta ik met een verwijzing naar het betreffende bewijsmiddel.
Klachten over het oordeel van het hof m.b.t. [slachtoffer 2] (zaak 13Overloon feit 1)
2.13
Ten laste van de verdachte is onder feit 1, zaak 13Overloon, bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 05 augustus 2011 tot en met 10 februari 2015 in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een ander, te weten [slachtoffer 2]
(sub 1)
door dwang en andere feitelijkheden en door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer 2],
en
(sub 3)
voornoemde [slachtoffer 2] heeft aangeworven en medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 2] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (te weten: prostitutiewerkzaamheden)
en
(sub 4)
die [slachtoffer 2] met de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)
en
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 2]
en
(sub 9)
die [slachtoffer 2] met de voornoemde middelen heeft bewogen hem, verdachte en zijn mededaders te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer 2] met of voor een derde
immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, terwijl hij wist dat die [slachtoffer 2] een jong kind heeft en in een slechte financiële situatie verkeerde en de Nederlandse taal niet spreekt en dat die [slachtoffer 2] verliefd op hem, verdachte, is en van hem, verdachte, houdt
geregeld dat zij in Amsterdam in de prostitutie kon gaan werken en tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat zij in Amsterdam veel geld in de prostitutie kon verdienen
die [slachtoffer 2] gezegd dat zij 50% van haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden zelf mocht houden en dat zij 50% van haar inkomsten aan hem, verdachte en zijn mededaders af moest staan in ruil voor het regelen van werk voor die [slachtoffer 2] en
die [slachtoffer 2] met de auto en met het vliegtuig en met de trein naar Nederland gebracht en/of laten brengen, teneinde die [slachtoffer 2] in de prostitutie te laten werken en de reis voor de [slachtoffer 2] geregeld en de reiskosten voor die [slachtoffer 2] betaald en
die [slachtoffer 2] wegwijs gemaakt op de Amsterdamse Wallen en die [slachtoffer 2] geholpen met het huren van een prostitutieraam en met het regelen van de benodigde documenten en
die [slachtoffer 2] gehuisvest in een woning in [plaats] en
die [slachtoffer 2] een groot deel van haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte, af laten staan en
die [slachtoffer 2] geïnstrueerd hem, verdachte, na elke klant te bellen en gecodeerd door te geven hoeveel geld zij had verdiend en
een relatie met die [slachtoffer 2] onderhouden en
die [slachtoffer 2] vanuit Hongarije meegenomen naar Nederland om die [slachtoffer 2] in Nederland in de prostitutie te laten werken en
voor die [slachtoffer 2] onderdak geregeld en met die [slachtoffer 2] samengewoond en
die [slachtoffer 2] van telefoonnummer laten wisselen en
die [slachtoffer 2] haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden telkens aan hem, verdachte, en zijn mededaders af laten staan en
die [slachtoffer 2] weinig van haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden laten houden en
die [slachtoffer 2] toestemming laten vragen voor het overmaken van geld aan haar familie en ex-schoonfamilie en
die [slachtoffer 2] haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden door haarzelf en door zijn, verdachtes, mededaders aan hem, verdachte en aan zijn mededaders en aan door hem opgegeven familieleden en vrienden van hem, verdachte, laten overmaken via money transfers en overboekingen per bank”
2.14
Het hof heeft daartoe – voor zover voor de bespreking van het middel relevant en in aanvulling op de inleidende overwegingen – het volgende overwogen:
“De overwegingen van het hof ten aanzien van de middelen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 2] op haar 17e jaar in Hongarije zwanger raakte. Ze had geen geld voor zichzelf of haar zoontje en had geen opleiding of beroep en heeft er toen voor gekozen om in de prostitutie te gaan werken. Haar zoontje bleef in Hongarije bij haar (ex-) schoonfamilie. Zij was bevriend met [betrokkene 4], de partner van de verdachte, die dit werk al in Amsterdam deed.
Overwegingen
2.23
Ten laste van de verdachte is onder zaak 13Shogun feit 1, onder meer, bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 11 maart 2008 tot en met 4 december 2008 te Amsterdam en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met anderen,
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1];”
en onder zaak 13Overloon feit 3 dat:
“hij in de periode van 3 november 2005 tot 11 maart 2008 in Hongarije en te Alkmaar en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1987)
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1]”.
2.24
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het opzet van de verdachte erop gericht was dat [slachtoffer 1] zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van het overwicht dat uit de desbetreffende feitelijke verhoudingen voortvloeide, omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat:
(i) zij zich aan de invloed van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft weten te onttrekken;
(ii) zij een rol heeft vervuld bij het innen en overmaken van het geld dat door de andere vrouwen werd verdiend en
(iii) zij afwist van de “money-transfers” en aldus medeplichtig was aan de gedragingen te dezer zake van verzoeker.
2.25
De klacht ziet op het opzet van de verdachte ten aanzien van handelen door misbruik van het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op [slachtoffer 1]. De bewezenverklaring ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft in de onderhavige zaak echter uitsluitend betrekking op het in art. 273f lid 1 sub 6 Sr strafbaar gestelde voordeel trekken uit uitbuiting. De bewezenverklaring omvat niet het – wel ten laste gelegde – handelen door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of het opzet hierop. Nu de klacht zich hiertegen expliciet richt, terwijl dit niet is bewezen verklaard, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Klacht over het oordeel van het hof m.b.t. [slachtoffer 3] (zaak 13Shogun, feit 1)
2.26
Ten laste van de verdachte is onder zaak 13Shogun feit 1, onder meer, bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 11 maart 2008 tot en met 4 december 2008 te Amsterdam en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 3]
(sub 1) door dwang en andere feitelijkheden heeft gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [slachtoffer 3]
en
(sub 4)
die [slachtoffer 3] met de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden
en
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 3]
en
(sub 9)
die [slachtoffer 3] met voornoemde middelen heeft bewogen hem, verdachte en zijn mededaders, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer 3] met of voor een derde
immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen
voor die [slachtoffer 3] een woning geregeld in Nederland, en
die [slachtoffer 3] als prostituee laten werken te Amsterdam en
die [slachtoffer 3] op de werkplek (voortdurend) onder toezicht en controle gehouden en/of laten houden en
regelmatig die [slachtoffer 3] gedurende haar werkzaamheden opgebeld en/of laten opbellen waarbij die [slachtoffer 3] moest aangeven/aangaf en/of verslag moest doen en/of deed van hoe de zaken ervoor stonden en/of hoeveel klanten zij gehad had en/of hoeveel geld zij verdiend had en/of of zij bezet of vrij was en/of wanneer zij begon en/of stopte met werken en
die [slachtoffer 3] bewogen om vele uren achter elkaar te werken en/of (in telefoongesprekken) gezegd dat zij op moest schieten en/of dat zij harder moest werken voordat ze naar huis (in Hongarije) mag en
die [slachtoffer 3] bewogen om haar diensten aan te bieden tegen lagere prijzen dan gebruikelijk en
die [slachtoffer 3] bewogen om (een groot deel van) de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte en/of zijn medeverdachten af te staan en/of af te dragen”
2.27
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de voor het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 3] “duidt op een vrije keuze” en “erop [duidt] dat zij zich niet heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van (het gebruik van) overwicht dat uit bepaalde feitelijke verhoudingen voortvloeide”, omdat zij hierin verklaart:
“Ik deed het voor mijn familie, met name mijn moeder”.
en
“Op de vraag hoe ik achter het raam ben terechtgekomen, antwoord ik dat ik met [verdachte] contact heb gezocht. [verdachte] heeft met mij contact gezocht. Er zijn toen werkafspraken gemaakt.”
2.28
Ook over deze klacht kan ik kort zijn. De bewezenverklaring ten aanzien van [slachtoffer 3] houdt niet in dat door de verdachte misbruik is gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3Het tweede middel
3.1
In het middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het onder feit 2 in de zaak 13Shogun en onder feit 3 in de zaak 13Overloon ten laste gelegde gewoontewitwassen. Aangevoerd wordt dat de kwalificatieuitsluitingsgrond van toepassing is, nu het witwassen ziet op gelden die de verdachte heeft verkregen uit eigen misdrijf en geen sprake is van gedragingen die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die bedragen gericht karakter hebben.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder zaak 13Shogun feit 2 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 13 april 2007 tot en met 3 december 2008 in Nederlandsen in Hongarije, tezamen en in vereniging met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers heeft hij, verdachte en zijn mededaders geldbedragen, te weten
een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] verrichte prostitutiewerkzaamheden en
door hem, verdachte, verstuurde of ontvangen geldbedragen van € 2.176,- en € 3.284,- en € 2.730,-
overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf”
en onder zaak 13Overloon feit 3 dat:
“hij in de periode van 3 november 2005 tot en met 12 april 2007 en van 5 augustus 2011 tot en met 10 februari 2015 in Nederland en Hongarije, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, contante geldbedragen, te weten: een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verrichte prostitutiewerkzaamheden, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk - afkomstig waren uit misdrijf.”
3.3
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf in beginsel niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Dit is slechts anders indien de feitenrechter heeft gemotiveerd dat verdachtes handelingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.
Conclusie
Er werd [slachtoffer 2] verteld dat zij in Amsterdam meerdere honderden euro’s kon verdienen en dat zij van wat zij verdiende 50% aan de verdachte moest geven. Kort nadat zij 18 jaar was geworden is zij naar Amsterdam gegaan en is bij [betrokkene 4], de verdachte en hun zoontje gaan wonen. [betrokkene 4] heeft haar geholpen met het vinden van een kamer. Na enige tijd kreeg zij een relatie met de verdachte. Ze heeft enige tijd met de verdachte in [plaats] gewoond, toen [betrokkene 4] weg was, werkte nagenoeg elke dag in de prostitutie en betaalde de huur omdat de verdachte niet werkte. Ze heeft in Hongarije zijn familie ontmoet en heeft zo afgesproken om het door haar verdiende geld naar zijn familie over te maken.
Een tapgesprek van 11 september 2014 tussen [slachtoffer 2] en de verdachte gaat als volgt:
“NNV (hof: [slachtoffer 2]): [zucht], lk ben nogal van slag, ja. Dat zou jij ook moeten weten, volgens mij.
NNM: Ik geloof het best. Maar ik ben er al bijna, dus je kan wel tot rust komen.
[pauze]
NNM: Hoor eens, pak even een pen en papier. Hé, luister, noteer wat ik zeg: [betrokkene 1], met een '[…]"...
NNV: Lange […]?
NNM: Ja. [betrokkene 1], met een '[…]' aan het eind.
NNM: [betrokkene 1]. En heb je [slachtoffer 1] met '[…]' aan het eind genoteerd?
NNV: [betrokkene 1].
NNM: Ja, zo moet het.
NNV: Ja. [leest voor] [betrokkene 1].
NNM: Zo moet het, ja. Goed zo. Nou, net als de vorige keer. Want ik ga morgen de kaartjes kopen. Mis je mij al?
NNV: [op chagrijnige toon] Nee.
NNM: Nou, ik mis jou wel heel erg. Ik kan amper wachten tot ik de liefde met je kan bedrijven.
NNV: [verheft iets haar stem] En hoe is het wanneer je je vrouw neukt, verlang je ook dan naar mij?!
NNM: Ehhh...ja!"
[betrokkene 1] is een zus van [betrokkene 4], aan wie blijkens de bewijsmiddelen zowel door [betrokkene 2] (op 12 september 2014) en [betrokkene 3] via money transfers geldbedragen zijn overgemaakt. [betrokkene 3] heeft verklaard dat dat hij voor [slachtoffer 2] en [verdachte] geld heeft overgemaakt naar Hongarije, [slachtoffer 2] zei dat ze moest werken en vroeg hem om het geld over te maken. Ze gaven dan ook de naam naar wie hij het moest overmaken. Hij kreeg het geld van [verdachte], waar [slachtoffer 2] dan bij was, en als [verdachte] er niet was van [slachtoffer 2]. De (ex-)vrouw van [betrokkene 3], [betrokkene 2], heeft ook een keer een money transfer uitgevoerd. Kort na dit gesprek stuurt [slachtoffer 2] een sms aan [verdachte]: “Luister, ik heb 3,3 keitjes (hof: synoniem voor geld) en als het je niet bevalt, laten we dan uit elkaar gaan, aan één woord heb ik genoeg* maar kom niet met die lariekoek. Wees gerust, ik zal niet boos zijn, denk erover na en wees eerlijk”.
In een gesprek van 16 september 2014 zegt de verdachte tegen [slachtoffer 2]: "Vanaf nu zal alles beter worden.”
Een gesprek van tussen [slachtoffer 2] en de verdachte van 17 september 2014 gaat als volgt:
“[slachtoffer 2] (sh) bun [verdachte] (sh NNMan […])
[slachtoffer 2] begint het gesprek op boze toon. Ze klinkt gedurende het hele gesprek heel overstuur. Zij verwijt [verdachte] dat hij al drie weken aan een stuk door zegt dat hij komt.
[slachtoffer 2]: denk je dat ik dan niet van slag raak?! Dat je mij maar gewoon neerzet waar jij dat wil, dat je mij belt wanneer jij dat wilt, zodat ik als het aan jou ligt kan wegrotten, en dat was hel?!
[slachtoffer 2]: [op heel geëmotioneerde toon, waardoor ze struikelt in haar eigen woorden] Eens In de twee weken werp je hen iets toe, en dat was het dan! Het was toch zo dat je twee keer per week [woord ntv],
NNM: Jaah...
[slachtoffer 2]: [Laat hem niet uitpraten] Ze kunnen wat jou betreft stikken!
NNM: Praat niet zo. [slachtoffer 2]: Luister eens. Zij zijn niet het belangrijkste. Maar dat vierjarig kind. Weetje wat dat is, een vierjarig kind?! 'Hé?!
NNM: 'Dat ze wat mij betreft kunnen stikken'.. Als ik me niet over je zoon ontfermde, dan zou ik daar al heel lang niet meer komen.
[slachtoffer 2]: En waarom kon je dan vorige geen eten voor ze brengen?!
[slachtoffer 2]: Ik heb het niet over je kinderen maar over jou. Hoe denk je dat dat voor mij voelt?! Er is geen eten! En mijn zoon heeft ook niets ie eten! Kan je dat enig ruk schelen?!
NNM: Ik ga hu effe naar je zoon toe...
[slachtoffer 2]: [onderbreekt hem] Kan mij niets schelen, je helpt toch totaal niet, kan mij niet schelen! Ze kopen in de winkel op de pof en als ik thuis ben, zal ik de lening betalen.
[slachtoffer 2]: En hoe gedraag jij je dan met mij?! Alsof ik jullie voetveeg was. Jullie voetveeg!”
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de (ex-)schoonfamilie waar het zoontje van [slachtoffer 2] verbleef financiële problemen had en dat wat [slachtoffer 2] bijdroeg voor haar zoontje niet voldoende was voor zijn verzorging.
Een gesprek van 2 februari 2015 tussen [slachtoffer 2] en de verdachte gaat als volgt:
“[slachtoffer 2]: Verdraai mijn woorden niet en luister naar mij want ik luister ook naar jou, Ik zei tegen jou: als het jou om de "stenen" gaat, als dat jou interesseert, de afspraak wat we thuis hebben gemaakt hoe en wat toch? Als het bij jou erom gaat dan moet er niets tussen ons zijn. En ik weet heel goed watje wilt. De "stenen" kwetsen jou. Als het thema met de "stenen" zo bleef hoe we het hebben afgesproken dan had je mij niet gewild. Dan zou je mij niet willen. Daar draaide het altijd tussen ons om. Je kan nu wel zeggen dat je van mij houdt ik geloof je niet. Ik geloof je niet.
[verdachte]: Hoor eens, mijn geluk bestaat uit de 2 kinderen, de rest is niets.
[slachtoffer 2]: Laat maar. Waarom heb je haar dan zwanger gemaakt?”
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte [slachtoffer 2] opdraagt een nieuwe telefoon te nemen en dat [slachtoffer 2] toestemming aan de verdachte vraagt om geld naar haar familie te sturen omdat ze schulden hebben. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] voor de verdachte werkte. Zij zag vaak dat [slachtoffer 2] werd gebeld of dat er een sms kwam. Dan werd zij zenuwachtig. Als de straat niet goed liep, dan zei [slachtoffer 2] dat de verdachte ontevreden zou zijn over haar, dan was zij bang om naar huis te gaan. Zij droeg haar geld af aan de verdachte. [slachtoffer 2] werd altijd voorgehouden dat de verdachte geen goede relatie met zijn vrouw had en dat hij verliefd op [slachtoffer 2] zou zijn, aldus. [slachtoffer 1].
Naar het oordeel van het hof bevond [slachtoffer 2] zich in een kwetsbare positie. Ze was jong moeder geworden, had geen werk en geld. Haar is voorgehouden dat zij in Amsterdam, een stad waar ze niet bekend was, veel geld als prostituee kon verdienen. Echter gaf ze eerst 50% van haar verdiensten af aan de verdachte, terwijl zij ook zijn woonlasten in Amsterdam betaalde, en wist de verdachte haar later te bewegen het door haar verdiende geld (via derden) naar zijn familie over te maken.
Overwegingen
Met deze rechtspraak wordt beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch schuldig maakt aan witwassen en wordt ook bevorderd dat in zo’n geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf in de vervolging centraal staat.
3.4
De kwalificatieuitsluitingsgrond ziet uitsluitend op gevallen waarin enkel het verwerven en/of voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen bewezen is verklaard en heeft in beginsel geen betrekking op het “overdragen”, “gebruik maken” en “omzetten” van voorwerpen. Dit is slechts anders wanneer zich het bijzondere geval voordoet dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien het overdragen of omzetten slechts bestaat uit het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. In zo’n bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft.
3.5
Een dergelijk bijzonder geval is in onderhavige zaak niet aan de orde. In de toelichting op het middel wordt ten onrechte als uitgangspunt genomen dat het hof met de bewezenverklaring (slechts) het oog heeft gehad op het storten van geld op de eigen bankrekening van verdachte, het door [slachtoffer 1] overmaken van geld aan de verdachte als rechtstreeks begunstigde of het aan de verdachte afgeven van contante geldbedragen. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt immers ook dat in opdracht van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (via money transfers) geldbedragen werden overgemaakt naar derden in het buitenland, via wie het geld vervolgens bij de verdachte en de medeverdachten terechtkwam en/of dat (contante) geldbedragen in Nederland aan derden werden gegeven en die derden deze in opdracht van de verdachte en de medeverdachten (via money transfers) overmaakten. Voor zover het middel berust op het standpunt dat de kwalificatieuitsluitingsgrond ook op deze gevallen van toepassing is vindt dit geen steun in het recht. Voorts heeft het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen het oog gehad op het omzetten van de (contante) geldbedragen, in de vorm van het in hun eigen levensonderhoud voorzien en de aanschaf van (luxe)goederen zoals sieraden en een woning.
4Het derde middel
4.1
Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] (zaak 13Shogun) en van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (zaak 13Overloon) en het gewoontewitwassen van de opbrengsten uit de door hen verrichte prostitutiewerkzaamheden geen eendaadse samenloop heeft aangenomen.
4.2
Daartoe wordt aangevoerd dat in onderhavig geval sprake is van sterk samenhangende feiten, omdat het bewezen verklaarde witwassen het profijttrekken uit de prostitutie impliceert: “zonder die prostitutie viel er niets wit te wassen”. Vanwege deze samenhang moet volgens de steller van het middel onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing voorkomen worden door middel van een aan art. 55 lid Sr ontleende mildere behandeling.
4.3
Art. 55 lid 1 Sr bevat een regeling voor de situatie dat een feit in meer dan één strafbepaling valt. In zo’n geval van eendaadse samenloop wordt slechts één van de bepalingen toegepast; bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de beoordeling of sprake is van eendaadse samenloop vooral ziet op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat een enigszins uiteenlopen van de strekking van de betreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Deze ruimte voor eendaadse samenloop vindt mede steun in het verwante art. 68 Sr dat ook dubbele strafbaarstelling beoogt te voorkomen. In het kader van art. 68 Sr is evenzo, naast de aan de orde zijnde gedraging, de juridische aard van de feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.
4.4
In de onderhavige zaak is van de vorenbedoelde samenhang geen sprake. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 is opgemerkt ten aanzien van het bewezen verklaarde gewoontewitwassen, kan mijns inziens niet gezegd worden dat de bewezen verklaarde gedragingen in die mate samenhangen dat de verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt. Het profijt trekken uit de uitbuiting komt feitelijk neer op het verkrijgen van de beschikking over de verdiensten uit c.q. het verdienen aan de prostitutiewerkzaamheden. Het (gewoonte)witwassen behelst gedragingen die, vervolgens, plaatsvinden met deze verdiensten: het bewezen verklaarde overdragen en omzetten van de geldbedragen. Hieronder vallen ook de gedragingen waarmee wordt bewerkstelligd dat de opbrengst van het gepleegde misdrijf aan het zicht van justitie wordt onttrokken en dat daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. De gedragingen leveren geen min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op. Voor zover in de toelichting op het middel de gestelde samenhang wordt ontleend aan de omstandigheid dat er zonder de prostitutie “niets [viel] wit te wassen], miskent de steller van het middel dat witwassen altijd een gronddelict verondersteld, waaruit het wit te wassen voorwerp is verkregen.
4.5
Van eendaadse samenloop is bovendien geen sprake vanwege de omstandigheid dat de rechtsbelangen ter bescherming waarvan art. 273f lid 1 sub 6 Sr en art. 420ter Sr dienen (aanzienlijk) uiteenlopen. Waar de strafbaarstelling van art. 273f Sr strekt ter bescherming tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen, beschermt de strafbaarstelling van (gewoonte)witwassen de integriteit van het financiële en economische verkeer. Hoewel voor het aannemen van eendaadse samenloop – indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat, quod non – niet is vereist dat de bepalingen identiek zijn in strekking, speelt (het verschil in) de strekking van de betreffende bepalingen nog steeds een rol in de beoordeling van de samenloop en meen ik dat ook op grond hiervan in de het onderhavige geval niet van eendaadse samenloop kan worden gesproken.
4.6
Het middel faalt.
4.7
Ten overvloede merk ik op dat, zelfs als het middel zou slagen, dit niet tot vernietiging hoeft te leiden, aangezien de opgelegde straf, een gevangenisstraf van vier jaren, (ver) onder het strafmaximum ligt en het onterecht uitgaan van eendaadse samenloop nog niet met zich brengt dat van onevenredige bestraffing sprake is. Uitgaande van eendaadse samenloop, zou de (tijdens de pleegperiode) bij art.