Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-02-08
ECLI:NL:PHR:2022:123
Strafrecht
14,071 tokens
Conclusie
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de betrokkene.
1. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft na terugwijzing van de zaak door Uw Raad bij arrest van 21 oktober 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 136.111,69 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 131.000,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 20/03515. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. A.B.E. van Kan en mr. A. Cinar, advocaten te Beek, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof op onbegrijpelijke dan wel ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel zou hebben gehad, door middel van het begaan van een soortgelijk feit, te weten hennephandel, waaromtrent voldoende aanwijzingen zouden bestaan dat het door betrokkene is begaan.
5. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje ‘Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel’ het volgende overwogen:
‘De betrokkene is bij arrest van dit hof van 21 oktober 2020 onder parketnummer 20-002421-18 tot straf veroordeeld onder meer ter zake een eerdere bewezenverklaring in een arrest van dit hof van 23 oktober 2015, parketnummer 20-001224-14, inhoudende dat:
‘hij op 1 september 2011 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,287 kilo, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II’.
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene is begaan, te weten hennephandel, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel als volgt moet worden geschat.
Het hof heeft de navolgende aanwijzingen voor betrokkenheid van betrokkene bij hennephandel, waarbij met het strafdossier wordt gedoeld op het dossier van de politie Regio Limburg Zuid, leiding district Kerkrade, registratienummer: PL2425 2011102070, doorgenummerde, dossierpagina’s 1 t/m 239.
Bij de doorzoeking van het bedrijfspand van betrokkene op 1 september 2011 werden naast een hoeveelheid van 10.287 gram hennep eveneens andere aan hennephandel gerelateerde voorwerpen aangetroffen, zoals een weegschaal met schaal, meerdere mobiele telefoons, een geldtelmachine, twee elektrische schakelborden zoals die regelmatig worden aangetroffen bij hennepkwekerijen en buiten het bedrijfspand plastic zakken met hennepresten (strafdossier, dossierpagina’s 50 t/m 53). Het hof merkt daarbij op dat de grote hoeveelheid hennep van ruim 10 kilo die is aangetroffen in het bedrijfspand van betrokkene, op zichzelf al een (sterke) aanwijzing oplevert voor de betrokkenheid van betrokkene bij hennephandel. In samenhang bezien met de overige genoemde zaken die zijn aangetroffen in dat pand, is de aanwijzing daarvoor nog sterker.
Berekening van het voordeel
Het hof neemt voor de schatting tot uitgangspunt het proces-verbaal van politie op 1 november 2012 opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , opgenomen op de doorgenummerde pagina’s 26 t/m 38 van het dossier met nummer 60-105125, met bijlagen. In dit proces-verbaal wordt aan de hand van een kasopstelling over de onderzoeksperiode van 1 januari 2007 tot en met 23 augustus 2012 tot een voordeelsbedrag gekomen.
Bij een kasopstelling wordt de omvang van onverklaarbare inkomsten aangetoond wanneer meer contante uitgaven zijn gedaan dan op basis van contante ontvangsten mogelijk is geweest.
De kasopstelling in het dossier heeft de navolgende opzet (dossierpagina 37):
Beginsaldo Kas: NIHIL
+/+ Legale contante ontvangsten: € 14.376,22
= Beschikbaar voor contant: € 14.376,22
-/- Werkelijk gedane uitgaven: € 276.694,31
= Theoretisch berekend eindsaldo kas: -/- € 262.318,09
Met de rechtbank neemt het hof in vorenstaande opstelling niet mee het werkelijke eindsaldo kas ten bedrage van € 29.375,- nu dit het aangetroffen geldbedrag was voortkomend uit een delict waarvoor betrokkene is vrijgesproken.
Onderzoeksperiode
Anders dan in voormeld proces-verbaal en de rechtbank, zal het hof voormelde onderzoeksperiode in het voordeel van de betrokkene beperken tot de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 april 2012. Voor zover dat gevolgen heeft voor posten uit de kasopstelling, zal dat hierna aan de orde komen.
De posten uit voormelde kasopstelling komen hierna aan de orde voor zover deze door de verdediging zijn betwist.
Beginsaldo Kas
De verdediging heeft betwist dat het beginsaldo van de kas nihil is geweest. Volgens de verdediging is aannemelijk dat de betrokkene bij aanvang van de onderzoeksperiode contante bedragen beschikbaar heeft gehad tot tenminste een bedrag van € 40.028,-, zijnde het destijds geldende belastingvrije vermogen (in box 3) voor de inkomstenbelasting voor de betrokkene en zijn partner tezamen. De verdediging heeft ter ondersteuning hiervan een drietal stukken overgelegd, te weten:
1. een aan de betrokkene en zijn echtgenote geadresseerde afrekening d.d. 14 juli 2000 van notaris [A] betreffende de aankoop en hypotheek van de woning aan [a-straat 1] te [plaats] ;
2. een aan de betrokkene en zijn echtgenote geadresseerde afrekening d.d. 19 juli 2000 van [B] Notarissen betreffende de levering van de woning aan [b-straat 1] te [plaats] ;
3. een rekeningafschrift d.d. 6 februari 2009 van DSB bank betreffende een kredietrekening op naam van de betrokkene.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Met betrekking tot de onder 1 en 2 genoemde stukken stelt het hof in de eerste plaats vast dat de periode tussen de datum van de afrekeningen en de start van de onderzoeksperiode ongeveer zes en half jaar betreft. In de tweede plaats blijkt uit die stukken niet in hoeverre de op die afrekeningen genoemde bedragen tot de beschikking over contante bedragen bij de betrokkene hebben geleid.
Wat betreft het onder 1 genoemde stuk zou het gaan om een depot van fl. 25.000,-, omgerekend € 11.344,50. Onduidelijk is echter of het depot is uitgekeerd aan de betrokkene en zijn partner. Stukken ter onderbouwing daarvan zijn door de verdediging niet overgelegd.
In de onder 2 genoemde afrekening wordt gesproken over een door de betrokkene en zijn echtgenote te ontvangen bedrag van fl. 45.283,48, omgerekend (door de verdediging) € 20.548,75. Het hof wil er van uitgaan dat dit bedrag daadwerkelijk door de betrokkene en zijn echtgenote op hun bankrekening is ontvangen (zoals wordt aangekondigd op de afrekening), maar er zijn geen bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat dit bedrag geheel of gedeeltelijk contant door de betrokkene en zijn echtgenote is opgenomen.
‘ Gelet op het genoemde forse tijdsverloop tussen de datum van de afrekeningen en de start van de onderzoeksperiode en de onduidelijkheid of de op de afrekeningen genoemde bedragen daadwerkelijk zijn uitgekeerd dan wel tot beschikbare contante bedragen hebben geleid, leiden de onder 1 en 2 genoemde stukken het hof niet tot het oordeel dat de betrokkene op 1 januari 2007 over enig contant bedrag heeft beschikt.
Uit het onder 3 genoemde rekeningafschrift zou volgens de verdediging blijken dat de betrokkene al vóór februari 2009 een krediet van € 21.201,51 had opgenomen. Uit dit afschrift van 6 februari 2009, met afschriftnummer 100, blijkt echter in het geheel niet wanneer dat krediet zou zijn opgenomen en of de betrokkene dit bedrag reeds bij de start van de onderzoeksperiode tot zijn beschikking had (hetgeen wellicht wel naar voren komt uit afschriften 1 t/m 99, die de verdediging niet aan het hof heeft overgelegd).
Conclusie
Ook deze informatie leidt het hof dan ook niet tot de conclusie dat de betrokkene bij de start van de onderzoeksperiode de beschikking had over contant geld.
Het hof komt tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden dat er op 1 januari 2007 sprake is geweest van een hoeveelheid contant geld waarover betrokkene bij de aanvang van de onderzoeksperiode kon beschikken, zodat het beginsaldo op juiste gronden op nihil is gesteld.
Werkelijk gedane contante uitgaven
In het dossier zijn de navolgende werkelijke uitgaven in de kasopstelling opgenomen:
- contante stortingen op bankrekeningen
- bonnen/facturen
- Nibud-uitgaven
- vakanties/reizen
- voer- en vaartuigen
- verbetering/verbouwing woning
Contante stortingen op bankrekeningen
In het voordeel van de betrokkene zal het hof bij de kasopstelling niet betrekken de contante stortingen op bankrekeningen van betrokkene en diens partner ten bedrage van € 60.932,69.
Contante uitgaven uit bonnen/facturen
De contante uitgaven uit bonnen en facturen zijn in het dossier gesteld op € 45.068,85.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bonnen en facturen tot een bedrag van € 23.304,84 toewijsbaar aan de betrokkene zijn. Het hof zal de verdediging daarin volgen.
Hierop wordt nog een correctie aangebracht voor een bedrag van € 20,-. De verdediging heeft namelijk abusievelijk een factuur van Maaslandse Recreatiecentra d.d. 10-10-2011 van € 100,- buiten de berekening gehouden, terwijl dit een factuur van Maaslandse Recreatiecentra d.d. 26-06-2012 van € 80,- betreft.
Daarmee stelt het hof deze post op € 23.324,84.
Nibud-uitgaven
Het hof zal, overeenkomstig het kennelijke standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging, alleen de navolgende NIBUD-normen hanteren:
- voeding € 273,- per maand
- overige huishoudelijke uitgaven € 135,- per maand
- kleding en schoeisel € 79,- per maand
- contributies/abonnementen € 48.- per maand +
Totaal: € 535,- per maand.
Over de gehele onderzoeksperiode van 1 januari 2007 tot en met 30 april 2012 (64 maanden) levert dit aan NIBUD-uitgaven op een bedrag van (64 x € 535,-) € 34.240,-
De verdediging heeft gesteld dat de post voeding à € 273,- per maand dient te worden gehalveerd (€ 136,50), omdat uit een door de verdediging overgelegde verklaring van de vader van de betrokkene zou blijken dat de betrokkene en zijn echtgenote in de onderzoeksperiode zeker 4 tot 5 keer per week bij de vader en de moeder van de betrokkene hebben meegegeten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] , vader van de betrokkene, is gedateerd op 8 september 2020. Het hof ziet niet in waarom de verdediging pas nu een dergelijke verklaring inbrengt, aangezien dat NIBUD-uitgaven reeds op de zitting in eerste aanleg op 25 maart 2014 aan de orde zijn gesteld. Daarnaast acht het hof het niet aannemelijk dat [betrokkene 1] zich anno 2020 nog zou kunnen herinneren of de betrokkene en zijn echtgenote in de gehele onderzoeksperiode 4 tot 5 keer per week hebben meegegeten. Het hof stelt deze verklaring dan ook terzijde en zal uitgaan van een bedrag aan voeding per maand van € 273,-.
Contante uitgaven vakanties/reizen
In het dossier zijn contante uitgaven ten bedrage van € 11.546,07 meegenomen voor reizen naar Italië (Juli 2011), Jamaica (April 2011) en Zuid-Afrika (Juli 2010).
Tevens is een bedrag van € 1.000,- ter zake een onbekende reis opgenomen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat deze uitgavenpost onvoldoende is onderbouwd en deze zal derhalve niet als contante uitgave worden meegenomen.
Contante uitgaven voer- en vaartuigen
In de kasopstelling is ter zake de contante uitgaven voor aankoop van voer- en vaartuigen een totaalbedrag opgenomen van € 98.599,-
De verdediging heeft verweer gevoerd ter zake de navolgende posten:
Renault Traffic
Voor een Renault Traffic is in de kasopstelling een bedrag van € 5.250,- meegenomen als aankoopbedrag van € 12.500,- minus het verkoopbedrag van € 7.250,-.
In eerste aanleg heeft de verdediging gesteld dat bij de aankoop van voormelde auto een Mercedes Vito is ingeruild waardoor een gering bedrag is bijbetaald. In het hoger beroep is dit verweer niet langer gehandhaafd, maar heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de Mercedes Vito op 6 januari 2010 is verkocht aan een zekere [betrokkene 2] , die volgens de verdediging inmiddels zou zijn overleden, voor een bedrag van € 7.000,- waarmee de kasopstelling gecorrigeerd zou moeten worden.
Het hof volgt de verdediging niet in laatstgenoemd standpunt vanwege het ontbreken van enige onderbouwing.
Het hof zal overeenkomstig de kasopstelling de uitgave ter zake de Renault Traffic stellen op € 5.250,-.
Porsche Cayenne
In de kasopstelling is voor de aankoop van een Porsche Cayenne een bedrag van € 20.000,- opgenomen.
De verdediging heeft gesteld dat deze post uit de kasopstelling dient te worden gehaald, omdat uit een door de verdediging overgelegde verklaring van de schoonvader van de betrokkene, [betrokkene 3] , zou blijken dat de Porsche door de schoonvader is gekocht en aan hem in eigendom toebehoorde. Dit wordt ondersteund door twee op de naam van [betrokkene 3] gestelde en zich in het dossier bevindende facturen van Porsche [D] , aldus de verdediging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] is gedateerd op 2 september 2020. Het hof ziet niet in waarom de verdediging een verklaring met deze inhoud pas tijdens de zitting van 7 oktober 2020 heeft ingebracht, terwijl tijdens de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg zijdens de verdediging nog werd opgemerkt: ‘Ten aanzien van de Porsche Cayenne zijn geen opmerkingen.’ Bovendien wordt de verklaring van [betrokkene 3] weersproken door de bevindingen van de politie zoals vermeld op p. 261-262 van het dossier, waaruit overigens onder meer naar voren komt dat de politie [betrokkene 3] hieromtrent heeft willen horen, maar [betrokkene 3] de politie destijds niet te woord wilde staan. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de Porsche Cayenne aan de betrokkene toebehoorde. De door de verdediging genoemde facturen maken dit niet anders.
Gelet op het vorenstaande zal het hof € 20.000,- als contante uitgave voor de Porsche Cayenne in aanmerking nemen.
Audi A4
In de kasopstelling is voor de aankoop van een Audi A4 een bedrag van € 22.500,- opgenomen.
De verdediging heeft zijn in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat op deze auto een BMW en een Kawasaki-motor is ingeruild waardoor betrokkene niet meer dan € 7.500,- zou hebben bijbetaald.
Met de rechtbank verwerpt het hof dit verweer, nu deze stelling niet nader is onderbouwd met facturen/geschriften waaruit van deze inruil en waarden is gebleken. Daaraan doen niet af de in hoger beroep overgelegde RDW-uitdraaien van de BMW en Kawasaki-motor.
Audi TT
In de kasopstelling is voor de aankoop van een Audi TT een bedrag van € 35.000,- opgenomen.
De verdediging heeft gesteld, in tegenstelling tot het eerder door de verdediging genoemde bedrag van € 25.000,-, dat voor deze auto een bedrag van € 22.500,- is betaald voor welk bedrag betrokkene € 15.000,- van de [betrokkene 4] heeft geleend.
De stelling van de verdediging dat € 22.500,- voor de Audi TT is betaald wordt op geen enkele wijze onderbouwd en derhalve door het hof verworpen. Wel acht het hof aannemelijk dat betrokkene € 15.000,- heeft geleend voor de aankoop van deze auto.
Gelet op het vorenstaande zal het hof (€ 35.000,- -/- € 15.000,-=) € 20.000,- als contante uitgave in aanmerking nemen.
Mini Cooper
In de kasopstelling is voor de aankoop van een Mini Cooper een bedrag van € 5.250,- opgenomen. Dit betreft het geschatte aankoopbedrag van € 17.000,- minus € 11.750,-, zijnde het bedrag waarvoor de auto uiteindelijk is verkocht.
Conclusie
De verdediging heeft verzocht de Mini Cooper niet mee te nemen in de berekening omdat het voertuig is gekocht door de echtgenote van de betrokkene. Het hof volgt de verdediging in zoverre zodat de Mini Cooper niet bij de kasopstelling zal worden betrokken.
Batavus fiets
In de kasopstelling is voor een Batavus fiets een bedrag van € 2.099,- opgenomen.
De verdediging heeft zijn in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat de fiets een afscheidscadeau voor de partner van betrokkene is geweest afkomstig van haar inmiddels overleden moeder. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging ter zitting op 9 oktober 2015 een handgeschreven verklaring van de partner van betrokkene overgelegd waarin is neergelegd dat de partner dit bedrag van haar moeder zou hebben ontvangen voor de aankoop van de fiets.
Met overlegging van voormelde handgeschreven brief acht het hof de stelling van de verdediging genoegzaam onderbouwd en zal het de kasopstelling met genoemd bedrag corrigeren.
Conclusie
De totaalpost ter zake de uitgave voor voer- en vaartuigen wordt daarmee door het hof gesteld op: (€ 98.599,- -/- € 15.000,- (correctie Audi TT) -/- € 5.250,- (correctie Mini Cooper) -/- € 2.099,- (correctie Batavus fiets =)
€ 76.250,-
Contante uitgaven verbetering/verbouwing woning
In de kasopstelling is ter zake de contante uitgaven voor de woning een bedrag opgenomen van in totaal € 5.127,- in verband met de bouw van een terrasoverkapping. De verdediging heeft zich ten aanzien van dit bedrag uitdrukkelijk gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Samenvattend met betrekking tot de contante uitgaven:
Met inachtneming van het vorenstaande stelt het hof de contante uitgaven als volgt vast:
- contante uitgaven uit bonnen/facturen € 23.324,84
- NIBUD-uitgaven € 34.240,-
- contante uitgaven vakanties/reizen € 11.546,07
- contante uitgaven voer- en vaartuigen € 76.250,-
- contante uitgaven verbetering/verbouwing woning € 5.127,- +
Totaal: € 150.487,91
Samenvattend met betrekking tot de kasopstelling
Op grond van al het vorenstaande stelt het hof de uiteindelijke kasopstelling als volgt vast:
Beginsaldo kas: nihil
+/+ Legale contante ontvangsten: € 14.376,22
= Beschikbaar voor contant: € 14.376,22
-/- Werkelijke contante uitgaven: € 150.487,91
= verschil € 136.111,69 NEGATIEF
Het hof stelt het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel daarmee vast op voormeld bedrag.
Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.’
6. De bewijsmiddelen houden het volgende in (met weglating van verwijzingen):
‘1.
Proces-verbaal bevindingen belastingdienst/bedrijfsadministratie, op 2 februari 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant] (...), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het bedrijf [E] , gevestigd aan de [c-straat 1] te [plaats] , wordt gebruikt als opslagplaats van weed. Uit onderzoek bij de Kamer van Koophandel blijkt [betrokkene ] een van de drie vennoten te zijn van het bedrijf [E] V.O.F., gevestigd op de [c-straat 1] te [plaats] .
De identiteitsgegevens van [betrokkene ] zijn:
[betrokkene ] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende [a-straat 1] te [plaats] .
De personalia van de overige vennoten zijn:
- [betrokkene 4]
- [betrokkene 5] .
Op 1 september 2011 is een doorzoeking verricht in het bedrijfspand van [E] .
Tijdens deze doorzoeking werd onder andere in totaal 10.287 gram (het hof leest dit gezien p.4 van bovengenoemd proces-verbaal en de bij de strafzaak behorende beslaglijst verbeterd) hennep aangetroffen en in beslag genomen.
Door mij werd een onderzoek gedaan naar de inkomens- en vermogensbestanddelen.
Uit de door de belastingdienst Maastricht verstrekte gegevens blijkt onder andere dat:
[betrokkene ]
- in 2009 in loondienst was bij [F] B.V. en [G] B.V. (coffeeshop) en een arbeidsinkomen had van € 16.680,-. Verder nog een UWV-uitkering van € 1.222,- per jaar;
- in 2009 een bedrag van € 10.721,- aan rentelasten voor zijn hypotheek heeft betaald;
- in 2010 een uitkering van € 11.048,- als winst uit onderneming heeft genoten. Daarnaast een UWV-uitkering van € 1.220,-;
- in 2010 een bedrag van € 10.177,- aan rentelasten voor zijn hypotheek heeft betaald;
- aan het einde van 2010 over een Nederlands spaartegoed kon beschikken van € 1.208,-.
Verder bleek dat [E] V.O.F. vanaf 01 mei 2011 drie vennoten had, te weten verdachten [betrokkene 6] , [betrokkene 4] en [betrokkene 4] (bedoeld zal zijn, gelet op de hiervoor opgenomen gegevens betreffende de inschrijving bij de Kamer van Koophandel Limburg: [betrokkene ] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , hof)
Bevindingen kasboek
Uit het door administrateur [betrokkene 7] uitgeleverde kasboek blijkt dat het kassaldo op 23 augustus 2011 € 114,37 bedroeg.
Uitgaande van bovenstaande kan op basis van de ter beschikking staande gegevens worden gesteld, dat het kassaldo op de dag van doorzoeking (2 september 2011) € 114,37 bedroeg.
2.
Proces-verbaal van bevindingen, op 20 september 2012 op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant] voornoemd (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
In het kader van een financieel onderzoek werd door mij een onderzoek ingesteld naar het girale verkeer op de zakelijke bankrekeningen van het bedrijf [E] in het kader van een onderzoek ter zake witwassen tegen de verdachten:
[betrokkene ]
en zijn echtgenote
[betrokkene 3] .
In het kader van de kasopstelling werd door mij, verbalisant, onderzoek gedaan naar eventuele contante onttrekkingen van de verdachte uit de kas van het bedrijf.
Resumé
Uit het ter beschikking staande kasboek blijken geen privé-onttrekkingen van verdachte [betrokkene ] .
3.
Proces-verbaal bevindingen, op 1 november 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant] voornoemd (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…)
Witwasverdenking/ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
Op verzoek van de Officier van Justitie Mr. Scharenborg werd door mij, verbalisant [verbalisant] , nader onderzoek gedaan naar de financiële situatie van de verdachten [betrokkene ] en zijn echtgenote [betrokkene 3] .
2. Onderzoeksperiode:
Het financiële onderzoek tegen verdachten strekt zich uit over de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 augustus 2012 (datum 2e doorzoeking woning).
(…)
Beginsaldo kas
Aangezien niet is gebleken dat de verdachten [betrokkene ] en [betrokkene 3] aan het begin van de onderzoeksperiode over contanten konden beschikken, ben ik, verbalisant, in de berekening ervan uitgegaan dat de verdachten aan het begin van de onderzoeksperiode (1 januari 2007) geen bedrag contant ter beschikking hadden.
Het beginsaldo van de kasopstelling is door mij, verbalisant, op nihil gesteld.
Legale contante inkomsten:
Opnames Nederlandse bankrekeningen:
De verdachten [betrokkene ] en [betrokkene 3] hebben tijdens de onderzoeksperiode in totaal een bedrag van € 14.376,22 contant van de bankrekeningen opgenomen.
Beschikbaar voor contante uitgaven:
Tijdens de onderzoeksperiode hadden de verdachten [betrokkene ] en [betrokkene 3] dus € 14.376,22 beschikbaar voor contante uitgaven, zijnde het beginsaldo van zijn kas (nihil) aangevuld met de totale contante opnames van de banken, zijnde € 14.376,22.
4.
Conclusie
Proces-verbaal van bevindingen contante uitgaven [betrokkene ] en [betrokkene 3] , op 31 oktober 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant] voornoemd (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Aangetroffen bonnen en facturen
Tijdens de doorzoekingen in de woning van de verdachten werd een aantal bonnetjes/facturen aangetroffen met betrekking tot contante uitgaven.
5.
Een schriftelijk bescheid, betreffende een excel-overzicht van de facturen en bonnetjes, (…) gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen hiervoor onder 4 weergegeven, (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
datum firma omschrijving bedrag
15-02-12 Maaslandse Recreatiecentra DV Ligplaats zomer boot € 529,35
07-09-11 Fraccaroli Kosten caravan € 26,00
10-10-11 Maaslandse Recreatiecentra DV voorschot liggeld boot € 100,00
04-04-11 Hornbach buitenkabel € 32,45
24-11-11 Intratuin rubbermat € 19,95
29-11-11 Nespresso koffie € 168,00
24-12-11 Media Markt app. Itunes € 50,00
25-08-08 Alain Bertoni Aankoop mini € 10.500,00
09-06-08 Porsche [D] schakelaar € 8,02
?2008 Belastingdienst BPM Mini Cooper € 2.673,00
30-04-08 Porsche [D] reparatie/onderhoud € 267,35
28-04-10 Fifa 3 Wk finale tickets € 2.030,08
22-02-08 Diemant team rijopleiding € 585,00
09-06-09 Knibbeler 2 relaxfauteuil € 798,00
27-03-12 Harense Smid windowwasher € 79,00
27-11-07 Piranha Racing Yamaha motor € 7.990,00
20-04-07 Watersport Paradise Helmond Waterscooter Yamaha € 9.400,00
13-06-08 Porsche [D] reparatie/onderhoud € 2.421,86
31-01-07 Martinshof BV sieraad € 1.500,00
03-06-09 Gemeente [plaats] verkl. Gedrag € 30,05
22-06-09 Huisdiercrematorium Crematie Tibor € 143,50
28-01-12 Optiek Mayk van Beek Lenzen € 497,80
01-10-11 Autobedrijf van Dijk Bemiddelingskosten verkoop mini €499,99
28-03-12 Thomas Cook Travel shop reis Turkije juli 2012 € 1.748,00
17-01-12 Thomas Cook Travel shop reis Italie juli 2021 € 719,00
20-01-12 Seat en sofas meubels € 1.727,50
27-05-10 Satelietdiscount Dreambox 800 € 409,95
Overweging hof: uit deze bonnen en facturen volgen contante uitgaven van in totaal € 45.068,85, welk bedrag het hof in het arrest heeft gecorrigeerd tot € 23.324,84 (…).
6.
Proces-verbaal van bevindingen contante uitgaven [betrokkene ] en [betrokkene 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…)
Nibud uitgaven:
Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) is een onafhankelijke stichting die onder andere tot doel heeft inzicht te geven in de inkomsten en uitgaven van particuliere huishoudens.
Bij het bepalen van de uitgaven volgens het NIBUD ben ik, verbalisant, (in het voordeel van de verdachten) van het laagste inkomen uit de NIBUD tabellen uitgegaan.
Bij de berekening van deze uitgaven heb ik gebruik gemaakt van het NIBUD jaarboek 2009-2.
Dit is ongeveer in het midden van de onderzoeksperiode. Aangezien de cijfers per jaar slechts marginaal wijzigen, heb ik in het voordeel van de verdachten niet elk jaar afzonderlijk berekend, maar heb ik de cijfers van 2009 gehanteerd. Voor de gehele onderzoeksperiode werden de budgetcijfers voor een 2 persoonshuishouden.
Nibud 2009-2 (2 persoonshuishouden):
Voeding per maand € 273,-
Overige huishoudelijke uitgaven (toiletartikelen, kapper e.d.) € 135,-
Kleding en schoeisel € 79,-
Contributies/abonnementen € 48,- +
Totaal per maand € 535,-
(…)
Vakanties/reizen
Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachten werden onder andere twee facturen van reisbureau Thomas Cook Travel Shop, [d-straat 1] te [plaats] aangetroffen en in beslag genomen.
Tijdens de onderzoeksperiode betroffen dit de volgende contante betalingen m.b.t. de volgende reizen:
Juli 2011 Italië 1/6 deel van de totale reissom € 1.036,08
April 2011 Jamaica 2/6 deel van de totale reissom € 2.624,56
Juli 2010 Zuid-Afrika 2/4 deel van de totale reissom € 7.885,43 +
Totaal € 11.546,07
(…)
Voer/vaartuigen
(…)
Resumé voer- en vaartuigen:
In de kasopstelling wordt een bedrag van € 98.599,- voor uitgaven voor voer- en vaartuigen meegenomen. Dit bedrag is als volgt samengesteld:
Renault Trafic: € 5.250,-
Porsche Cayenne: € 20.000,-
AudiA4: € 22.500,-
Audi TT: € 35.000,- (hof: in het arrest gecorrigeerd naar € 20.000,-, (…))
Mini Cooper: € 5.250,- (hof: in het arrest gecorrigeerd naar nihil, (…))
Bayliner: € 8.500,-
Batavus € 2.099,- (hof: in het arrest gecorrigeerd naar nihil, (…))
Totaal € 98.599,-
(Hof: in het arrest is het totaalbedrag gecorrigeerd naar € 76.250,00, (…))
(…)
Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachten d.d. 23 augustus 2012 werd een zogenaamde iPad aangetroffen en in beslag genomen.
Door de afdeling digitale expertise van de politie Limburg-Zuid werd dit apparaat op forensische wijze uitgelezen.
Renault Trafic:
Op de iPad werd een foto aangetroffen van een Renault Trafic met kenteken [kenteken 1] . Uit de registers van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat de kentekenhouder - vóór de verdachte [betrokkene ] - [H] uit [plaats] was.
De verkoopfactuur werd door mij, verbalisant, bij [H] gevorderd.
Uit de e-mail en een afschrift van de factuur van [H] blijkt dat door de verdachte [betrokkene ] een bedrag van € 12.500,- contant betaald is voor deze auto.
Uit de registers van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt verder dat de Renault sinds 14 maart 2012 op naam staat van [I] B.V., [f-straat 1] te [plaats] .
De eigenaar van dit bedrijf werd door mij verbalisant als getuige gehoord op 5 september 2012.
Hij verklaarde € 7.250,- contant te hebben betaald voor de auto.
In de kasopstelling wordt een bedrag van € 5.250,- voor de Renault Trafic meegenomen, zijnde het aankoopbedrag van € 12.500,- minus het verkoopbedrag van € 7.250,-.
(…)
Audi A4 [kenteken 2] :
Zoals blijkt uit de factuur van Handelsonderneming [J] is bij de aanschaf van de Porsche Cayenne een Audi A4 Cabriolet met kenteken [kenteken 2] ingeruild. Deze auto stond destijds op naam van de verdachte [betrokkene ] .
Aan de ingeruilde auto werd een waarde toegekend van € 22.500,-.
Deze auto stond vanaf 8 juni 2007 op naam van de verdachte [betrokkene ] .
Ondanks het feit dat het aannemelijk is dat verdachte méér dan dit bedrag voor de auto betaald heeft, wordt in het voordeel van de verdachte dit bedrag van € 22.500,- in de kasopstelling meegenomen als zijnde de aankoop van de Audi A4.
Audi [kenteken 3] :
Uit onderzoek is gebleken dat deze auto is ingevoerd vanuit België. Op het moment van aankoop (1 september 2011) was de auto 4 jaar en negen maanden oud. Op het internet worden vergelijkbare auto's van dezelfde leeftijd aangeboden voor ongeveer € 35.000,-.
(Hof: in het arrest is dit bedrag gecorrigeerd naar € 20.000.-, (…))
(…)
Verbetering/verbouwing woning:
Terrasoverkapping
Tijdens de doorzoeking van de woning werden een aanvraag bouwvergunning d.d. 29 september 2008 en een bouwvergunning d.d. 4 november 2008 van de gemeente [plaats] aangetroffen en in beslag genomen.
Het betreft hier de bouw van een serre aan de achtergevel van de woning van de verdachten, [a-straat 1] te [plaats] .
Volgens de bouwvergunning bedragen de bouwkosten € 11.400,- en zullen de bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd door [K] B.V., [g-straat 1] te [plaats] .
Door mij verbalisant werd bij genoemd firma de uitlevering gevorderd van de factuur van deze werkzaamheden.
Door [K] B.V.
Conclusie
werd een afschrift van twee facturen van een terrasoverkapping ter waarde van € 5.127,- aan mij, verbalisant, per e-mail toegezonden.’
7. Blijkens de toelichting richt het middel zich op de overweging van het hof dat aan de inhoud van de bewijsmiddelen het oordeel kan worden ontleend dat de betrokkene door middel van het begaan van een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door betrokkene is begaan, te weten hennephandel, een voordeel als bedoeld in art. 36e Sr heeft genoten en dat dit voordeel als volgt moet worden geschat. De stellers van het middel menen dat uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de door het hof genoemde dossierpagina's geen enkele aanwijzing volgt waaruit blijkt dat de verdachte betrokken is bij hennephandel, en al helemaal niet over de periode waarover de ontnemingsvordering zich uitstrekt.
8. Het hof heeft overwogen dat het aan de inhoud van de bewijsmiddelen het oordeel ontleent dat de betrokkene door middel van het begaan van een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door betrokkene is begaan, te weten hennephandel, een voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr heeft genoten. In deze overweging, in samenhang bezien met de in aanmerking genomen onderzoeksperiode, ligt besloten dat het hof de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op art. 36e, tweede lid, Sr zoals het voor en na 1 juli 2011 luidde.
9. Artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr luidde tot 1 juli 2011:
‘1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.’
10. Sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet van 31 maart 2011, Stb. 2011, 171 (Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming) luidt artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr:
‘1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.’
11. In HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498 heeft Uw Raad inzake de eis dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan het volgende overwogen:
‘2.5.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523 overwogen dat het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van het huidige artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming moet zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Tevens behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan.
2.5.2 Als de rechter heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen in de hiervoor bedoelde zin bestaan dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan, kan de omvang van het voordeel door de rechter worden geschat (artikel 36e lid 5, eerste volzin, Sr). Op grond van artikel 511f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan deze schatting slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. De uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet – gelet op artikel 511e lid 1 en 511g lid 2 Sv in verbinding met artikel 359 lid 3 Sv – de bewijsmiddelen vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevat (vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087).
2.5.3 Anders dan ten aanzien van de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel het geval is, is er geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan (vgl. HR 26 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7805). Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, heeft begaan.
2.5.4 Het voorgaande geldt ook voor artikel 36e lid 2 (oud) Sr.
2.6 Voor zover het cassatiemiddel ertoe strekt dat het hof in zijn uitspraak de bewijsmiddelen had moeten vermelden waarop het oordeel berust dat voldoende aanwijzingen bestaan dat door de betrokkene soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 (oud) Sr zijn begaan, berust het – zoals volgt uit wat hiervoor onder 2.5.3 is overwogen – op een eis die het recht niet kent.’
12. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat het ‘de navolgende aanwijzingen (heeft) voor betrokkenheid van betrokkene bij hennephandel’. Het wijst er vervolgens op dat bij de doorzoeking van het bedrijfspand van de betrokkene op 1 september 2011 naast een hoeveelheid van 10.287 gram hennep eveneens andere aan hennephandel gerelateerde voorwerpen werden aangetroffen, zoals een weegschaal met schaal, meerdere mobiele telefoons, een geldtelmachine, twee elektrische schakelborden zoals die regelmatig worden aangetroffen bij hennepkwekerijen en buiten het bedrijfspand plastic zakken met hennepresten. Het hof merkt daarbij op dat de grote hoeveelheid hennep van ruim 10 kilo die is aangetroffen in het bedrijfspand van betrokkene, op zichzelf al een (sterke) aanwijzing oplevert voor de betrokkenheid van betrokkene bij hennephandel. En dat in samenhang bezien met de overige genoemde zaken die zijn aangetroffen in dat pand, de aanwijzing daarvoor nog sterker is.
13. Voor zover de klacht zou berusten op de opvatting dat het hof in zijn uitspraak de bewijsmiddelen had moeten vermelden waarop het oordeel berust dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat door betrokkene een ‘soortgelijk feit’ is begaan, vindt die opvatting geen steun in het recht. Uit de uitspraak dient wel te blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de ‘voldoende aanwijzingen’ heeft ontleend. Aan die eis voldoet de bestreden uitspraak naar het mij voorkomt, doordat het hof heeft verwezen naar de hennep en de (andere) voorwerpen die bij de doorzoeking van het bedrijfspand van betrokkene zijn aangetroffen. Ook aan de eis dat de betrokkene de gelegenheid behoort te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan, is voldaan. Ik wijs er in dit verband ook op dat het eerste arrest van het gerechtshof in de onderhavige zaak is gecasseerd omdat het hof in de aanvulling (en niet in het arrest zelf) had opgenomen dat de voordeelsontneming werd gebaseerd op een soortgelijk feit, te weten hennephandel.
Conclusie
De betrokkene wist derhalve dat hij na cassatie met een ontnemingsmaatregel op deze grondslag rekening te houden had.
14. Voor zover de stellers van het middel hebben willen klagen dat het hof niet buiten redelijke twijfel heeft kunnen vaststellen dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan (strafbare) betrokkenheid bij hennephandel (opgevat als het plegen van of deelnemen aan het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, vgl. de artt. 3 en 11 Opiumwet), wijs ik erop dat uit de vastgestelde feiten een aantal aanwijzingen volgen. In de strafzaak is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij op 1 september 2011 te [plaats] ongeveer 10.287 kilo hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. Het hof wijst op diverse ‘aan hennephandel gerelateerde voorwerpen’ die bij gelegenheid van de doorzoeking van het bedrijfspand van betrokkene zijn aangetroffen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het bedrijf werd gebruikt als opslagplaats van weed en dat de verdachte vanaf 1 mei 2011 één van de drie vennoten van het bedrijf is (bewijsmiddel 1). Uit (de bewijsmiddelen en) ’s hofs vaststellingen volgt voorts dat de verdachte over de onderzochte periode van meer dan vijf jaar substantiële onverklaarbare inkomsten heeft gehad. Aan de toereikendheid van deze aanwijzingen doet niet af dat, zoals de stellers van het middel hebben aangevoerd, er ook twee andere vennoten in het pand zaten, onder verdachte [betrokkene 4] een geldbedrag en een mobiele telefoon in beslag zou zijn genomen, en geen vingerafdrukken of DNA-sporen van de verdachte op de aangetroffen hennepzakken zouden zijn gevonden.
15. Het hof heeft zich niet expliciet uitgelaten over de periode waarin de hennephandel heeft plaatsgevonden. Het heeft uit de genoemde aanwijzingen evenwel kunnen afleiden dat het om betrokkenheid bij hennephandel over een langere periode gaat. Tot nadere motivering was het hof op dit punt naar het mij voorkomt niet gehouden. Ik neem daarbij in aanmerking dat de raadsman bij pleidooi heeft aangegeven zich aan te sluiten ‘bij de door het hof eerder gehanteerde beperktere onderzoeksperiode, te weten 1 januari 2007 – 30 april 2012’. En ik merk op dat ook aan de vaststellingen inzake het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een eenvoudige kasopstelling aanwijzingen kunnen worden ontleend inzake de periode waarin het feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan zich heeft voorgedaan.
16. De stellers van het middel voeren voorts aan dat het hof onvoldoende zou hebben gemotiveerd hoe het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gerelateerd aan hennephandel, dan wel aan de veroordeling voor het bezit van hennep. Zij menen dat de voordeelsberekening ziet op witwassen en niet op hennephandel. De door het hof gebruikte berekeningswijze, te weten een eenvoudige kasopstelling, kan volgens de stellers van het middel worden gehanteerd bij toepassing van art. 36e, tweede lid, Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr, of voor zover deze zijn begaan vóór 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr. Het hof zou, zo begrijp ik de stellers van het middel, (ten onrechte) in het midden hebben gelaten aan welk strafbaar feit het voordeel (in voldoende mate) kan worden gerelateerd.
17. In HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151 overwoog Uw Raad, voor zover hier van belang:
‘2.4.1. Het Hof heeft de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, doen steunen op een rapport waarin een berekeningssysteem is gebezigd waarin
a) is uitgegaan van gegevens die betrekking hebben op de periode waarin het bewezenverklaarde gewoontewitwassen is begaan,
b) als relevante gegevens onder meer zijn gebezigd
(1) de door de betrokkene gedane contante uitgaven, onder meer bestaande uit contante stortingen op bankrekeningen,
(2) de legale contante ontvangsten, inclusief bankopnamen,
(3) het eindsaldo aan contante gelden, en
c) het negatieve verschil tussen contante uitgaven en ontvangsten, dat slechts veroorzaakt kan zijn door een onverklaarde bron van ontvangsten, wordt aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van art. 36e Sr.
2.4.2. Deze berekeningswijze, die pleegt te worden aangeduid als eenvoudige kasopstelling, komt in ieder geval in aanmerking bij toepassing van het derde lid van art. 36e Sr. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke "andere strafbare feiten" op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
2.4.3. Daarnaast kan deze berekeningswijze worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr (vgl. HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3569).
2.4.4. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat in de eenvoudige kasopstelling ook door de betrokkene gedane contante uitgaven worden betrokken die betrekking hebben op of in relatie staan tot voorwerpen die onderdeel uitmaken van een bewezenverklaring ter zake van (gewoonte)witwassen. Het enkele feit dat in de eenvoudige kasopstelling dergelijke uitgaven in aanmerking zijn genomen, brengt evenwel niet met zich dat de uitkomst van de kasopstelling bij toepassing van art. 36e, tweede lid, Sr geheel als wederrechtelijk verkregen voordeel uit uitsluitend dat (gewoonte)witwassen kan worden aangemerkt (vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293).
2.5. Het Hof is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van het onder 2.4.1 genoemde rapport inhoudende een eenvoudige kasopstelling, waarbij het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de uitkomst van die kasopstelling het door de betrokkene daadwerkelijk verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel representeert. Dat oordeel is evenwel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
Immers, indien het Hof heeft beoogd toepassing te geven aan art. 36e, derde lid, Sr, blijkt uit de overwegingen van het Hof niet dat aan de in die bepaling gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan, in het bijzonder niet aan het in het onderhavige geval nog geldende vereiste dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld (vgl. HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2714).
Indien het Hof toepassing heeft willen geven aan art. 36e, tweede lid, Sr, is het oordeel eveneens ontoereikend gemotiveerd. Het Hof heeft immers het aldus vastgestelde bedrag van het geschatte voordeel niet in voldoende mate - in de hiervoor onder 2.4.3 bedoelde zin - gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr, doordat het in het midden heeft gelaten of dat voordeel uitsluitend is verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde (gewoonte)witwassen, dan wel of en in hoeverre aan dat voordeel ook andere bewezenverklaarde feiten dan wel andere strafbare feiten als bedoeld in art.
Conclusie
36e, tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr, ten grondslag liggen.’
18. In de onderhavige zaak heeft het hof niet in het midden gelaten aan welke feiten het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gerelateerd. Het hof heeft aan de bewijsmiddelen het oordeel ontleend dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen doordat hij een soortgelijk feit in de zin van art. 36e, tweede lid, (oud) Sr heeft begaan, namelijk (betrokkenheid bij) hennephandel. Ik meen voorts dat het hof het vastgestelde bedrag van het geschatte voordeel in voldoende mate aan de (strafbare) betrokkenheid van de verdachte bij hennephandel heeft gerelateerd. Het hof heeft toereikende aanwijzingen van hennephandel vastgesteld en aan de eenvoudige kasopstelling aanvullende aanwijzingen kunnen ontlenen inzake de periode waarin de betrokkenheid bij hennephandel zich heeft voorgedaan. Daaraan staat niet in de weg dat de kasopstelling in de strafzaak tot het bewijs is gebezigd in verband met een bewezenverklaring van witwassen. Ik merk voorts op dat door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel deels aan andere strafbare feiten is toe te schrijven.
19. De stellers van het middel voeren ook nog aan dat hennepbezit geen soortgelijk feit in de zin van art. 36e, tweede lid, (oud) Sr, zou zijn als hennephandel. Uw Raad heeft overwogen dat onder ‘soortgelijke feiten’ dienen te worden verstaan ‘feiten die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling ervan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als waartoe het strafbare feit behoort waarvoor de betrokkene is veroordeeld’. Het belang dat de wetgever met de strafbaarstellingen van enerzijds het verkopen, afleveren en verstrekken en anderzijds het aanwezig hebben van hennep heeft willen beschermen is identiek. Het hof heeft derhalve kunnen oordelen dat hennephandel een soortgelijk feit (in de zin van art. 36e, tweede lid Sv (oud)) is als het bewezenverklaarde feit.
20. Al met al meen ik dat het hof heeft kunnen oordelen dat de betrokkene door middel van het begaan van een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door hem is begaan een voordeel als bedoeld in art. 36e Sr heeft genoten. En dat het hof toereikend heeft gemotiveerd hoe het vastgestelde bedrag van het geschatte voordeel is gerelateerd aan hennephandel.
21. Het eerste middel faalt.
22. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel een onjuiste maatstaf heeft gebruikt. Het hof zou de maatstaf ‘aannemelijkheid’ hebben gebruikt en op meerdere momenten verweren hebben afgewezen omdat de verweren niet of niet voldoende onderbouwd waren met schriftelijke bescheiden. De stellers van het middel menen dat verweren in de ontnemingszaak aan dezelfde maatstaf dienen te worden getoetst als de verweren die de bewijsvoering van witwassen in de strafzaak betreffen. Een vrijspraak voor witwassen, dan wel een veroordeling tot een lager bedrag in de witwaszaak, zou een ontnemingsvordering uitsluiten, dan wel tot matiging van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te leiden, nu in de strafzaak en de ontnemingszaak van dezelfde berekening is uitgegaan.
23. Het hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet gerelateerd aan de bewezenverklaring van witwassen in de strafzaak. Het hof heeft de voordeelsontneming gebaseerd op het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door betrokkene is begaan, namelijk hennephandel, een voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr heeft genoten. Reeds op die grond meen ik dat de koppeling die de stellers van het middel voorstellen, niet behoeft te worden gelegd.
24. Daar komt bij dat de ontnemingsprocedure, zoals Uw Raad heeft overwogen, ‘een ander karakter (heeft) dan de strafprocedure. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan op grond van artikel 338 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id02f556d47d22f905022520fd9414f10a) Sv door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. In de ontnemingsprocedure is de rechter echter voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan artikel 511f (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id4cf0fe1edbf747318c9208fccc831faf) Sv waarin is bepaald dat de rechter die schatting slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. In verband daarmee gelden in de ontnemingsprocedure andere regels van procesrecht dan in de strafprocedure’.
25. In dit licht meen ik dat de klacht dat de op de eenvoudige kasopstelling betrekking hebbende verweren aan dezelfde maatstaf dienen te worden getoetst als die van toepassing is bij een bewezenverklaring van witwassen, faalt.
26. In de toelichting op het middel wordt vervolgens geklaagd over de motivering waarmee het hof enkele bijzondere op posten in de eenvoudige kasopstelling betrekking hebbende verweren heeft verworpen. Die klachten zijn blijkens de gekozen formuleringen gebaseerd op het – onjuiste – uitgangspunt dat het hof deze verweren had moeten beoordelen als waren het verweren in verband met de bewijsvoering van witwassen. Zo wordt gesteld dat verweren ‘concreet en verifieerbaar’ waren en niet ‘op voorhand (hoogst) onwaarschijnlijk’.
27. Uw Raad gaat ervanuit dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat in zaken waarin de grondslag van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in rechte is komen vast te staan ‘de bewijslast op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene’. Dat uitgangspunt verzet zich er niet tegen dat de ontnemingsrechter gevoerde verweren beoordeelt ‘langs de lat van de aannemelijkheid’, de onderbouwing van verweren (met schriftelijke stukken) van belang acht, en betekenis hecht aan het tijdstip waarop een verklaring wordt ingebracht, een verweer voor het eerst wordt gevoerd, en een standpunt dat eerder is ingenomen. In dat licht falen de klachten over de motivering van de verwerping van op posten in de eenvoudige kasopstelling betrekking hebbende verweren.
28. Het tweede middel faalt.
29. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:745.
Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, rov. 2.3, NJ 2021/46 m.nt. Reijntjes..
Zie HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:745.
Zie in dit verband ook het eerdergenoemde HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021/46 m.nt. Reijntjes, waarin sprake was van een coffeeshop.
Zie meer recent HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077, NJ 2021/299 m.nt. Vellinga..
Dat was wel het geval in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2345. In HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1684 werd gecasseerd: het hof had slechts overwogen ‘dat de veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen (BFK: gewoontewitwassen) en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten’. Zie in die zin ook HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:66, HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2258 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1222.
HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7454, NJ 2006/591, rov. 3.4.