Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2022-11-10
ECLI:NL:RBNNE:2022:4443
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,425 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 18 augustus 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 269.043,81 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/750085-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 oktober 2022. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 27 oktober 2022. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. H.P.
Eckert, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld en mr. J. Houwink.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat door de officieren van justitie na een ter terechtzitting gedane aanpassing wordt geschat op
€ 128.116,10. De grondslag daarvoor is dat veroordeelde voordeel heeft genoten uit andere strafbare feiten, te weten hennepteelt gedurende een langere periode.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat veroordeelde andere strafbare feiten heeft gepleegd waaruit hij voordeel heeft genoten. Het is niet buiten redelijke twijfel aannemelijk dat veroordeelde 21 oogsten heeft gehad.
Het door het OM aangevoerde stroomverbruik, hetgeen zou wijzen op een jarenlange hennepteelt, is een onjuist uitgangspunt nu veroordeelde een hoog stroomverbruik heeft in verband met werkzaamheden voor zijn bedrijf.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 10 november 2022 in de zaak met parketnummer 18/750085-18 veroordeeld onder andere ter zake opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank heeft hierbij bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van 13 november 2018 tot en met 20 november 2018 108 hennepplanten voorhanden heeft gehad. De rechtbank heeft niet bewezenverklaard dat veroordeelde al dan niet samen met een ander hennepplanten heeft geteeld.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523 overwogen dat het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft begaan, binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming moet zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Naast het aantreffen van de 108 hennepplanten op 20 november 2018 bij veroordeelde zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat veroordeelde daarvoor gedurende langere tijd hennep heeft gekweekt en daaruit voordeel heeft genoten.
Weliswaar zijn er in de zeecontainer waarin de hennepplanten zijn aangetroffen apparatuur en andere benodigdheden voor het telen van hennep aangetroffen, maar daaruit volgt niet zonder meer dat verdachte in die zeecontainer eerder hennep heeft geteeld. Hij bestrijdt dat, en de aanwijzingen die de officieren van justitie daarvoor zien, zoals een toename in het energiegebruik, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet eenduidig. Het stroomverbruik fluctueert door de jaren heen dermate, dat daaruit in ieder geval niet buiten redelijke twijfel kan worden afgeleid dat er tien maal hennep geteeld en geoogst is, zoals de officieren van justitie hebben gesteld. Bovendien vormt de verklaring van de getuige [naam getuige] , die consistent is, daarvoor een contra-indicatie. Zij geeft immers aan dat zij in 2017 hennep van anderen dan veroordeelde heeft geknipt in de zeecontainer en dat er weliswaar een kweekruimte in de zeecontainer was gemaakt, maar dat deze niet in bedrijf was.
Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat er in de periode voorafgaand aan 20 november 2018 hennep is geteeld door veroordeelde en dat hij op enig moment daaruit voordeel heeft genoten. De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie afwijzen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 november 2022.