Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2022-12-06
ECLI:NL:PHR:2022:1093
Strafrecht
4,161 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 9 december 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 105 dagen met aftrek van voorarrest en tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast beslist over inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals in het arrest is omschreven.
Namens de verdachte heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel komt – mede gelet op de toelichting – met drie klachten op tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van woninginbraak. De eerste klacht houdt in dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt strekkende tot vrijspraak wegens ontoereikend bewijs voor medeplegen. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die worden gesteld aan een bewezenverklaring daarvan. De derde klacht houdt in dat de bewezenverklaring van het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd. De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4. Aan de verdachte was – na de wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
“hij in of omstreeks de periode van 30 augustus tot en met 31 augustus 2019, te [plaats] , althans in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] , althans aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot genoemde woning heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen sieraden en/of dat weg te nemen geld, althans die goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer mededader(s) in of omstreeks de periode van 30 augustus 2019 tot en met 31 augustus 2019, te [plaats] , althans in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid geld en/of sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [betrokkene 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/die mededader(s), toebehoorde(n) heeft/hebben weggenomen, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 30 augustus tot en met 31 augustus 2019 te Amsterdam en/of [plaats] , althans in de gemeente Leeuwarden, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door;
- als bestuurder van zijn/een (personen)auto zichzelf en/of zijn mededader(s) naar de plaats delict te vervoeren en vervolgens
- daar op de uitkijk te staan terwijl hij telefonisch in contact stond met zijn mededader(s) en vervolgens
- zichzelf en/of zijn mededader(s) van de plaats delict weg te voeren, althans te helpen (ont)vluchten en/of daarbij te proberen bewijs weg te maken.”
5. Het hof heeft het namens de verdachte gevoerde bewijsverweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:
“Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en kan worden veroordeeld ter zake van de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan diefstal met braak. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat het aandeel van verdachte bij het tenlastegelegde zich laat kwalificeren als medeplichtigheid.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
Bij de waardering van het bewijs c.q. de kwalificatie van het bewezenverklaarde neemt het hof (mede) in aanmerking hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022, r.o. 2.3.1.:
2.3.1.
In de arresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
NJ 2015/390
, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718,
NJ 2015/395
en HR 5 juli 2016,
ECLI:NL:HR:2016:1316
heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende vast.
In de nacht van 30 op 31 augustus 2019 is verdachte samen met twee medeverdachten in een auto die op naam van verdachte stond, vanuit Amsterdam naar [plaats] gereden - een afstand van ruim 100 kilometer. Verdachte was op het moment dat hij met de medeverdachten naar [plaats] reed op de hoogte van het plan om aldaar een inbraak te plegen. Ook hadden zij daarvoor gereedschap meegenomen. Bovendien hadden verdachte en de medeverdachten van tevoren afspraken gemaakt over de taakverdeling bij het plegen van de inbraak. Verdachte zou in de auto blijven zitten om op de uitkijk te staan en hij zou een vergoeding voor de benzine en ‘een zakcentje’ krijgen. Tijdens de inbraak heeft verdachte gedurende een uur telefonisch in contact gestaan met de medeverdachten die in de woning waren.
Conclusie
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Met weglating van voetnoten.
HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140, m.nt. W.H. Vellinga.
HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.5.
HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.6; HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967, r.o. 2.4; HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140, m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.4.
Conclusie
Het doel hiervan was om de medeverdachten te waarschuwen als er iets gebeurde. Na de inbraak zag verdachte dat de medeverdachten terugkwamen met een goudkleurig kistje. Verdachte en de medeverdachten zijn vervolgens weggereden, waarbij verdachte de auto bestuurde. Toen verdachte zag dat er een motoragent achter hem aanreed, is hij na een achtervolging waarbij zeer hoge snelheden werden bereikt uiteindelijk een parkeerplaats opgereden. Hij pakte vervolgens het gestolen kistje - waarvan hij naar eigen zeggen wist dat dit afkomstig was uit de woning waar de inbraak was gepleegd - uit de auto en rende hiermee weg. De bedoeling hiervan was volgens verdachte om het bewijs weg te maken.
Een van de verbalisanten die verdachte aanhield, heeft verklaard dat verdachte vanuit de bestuurderskant uit de auto stapte. De verbalisant zag dat verdachte naar de bijrijdersplaats liep en vlug iets van de vloer voor de bijrijdersstoel pakte. Dit was een vierkant en goudkleurig iets in de vorm van een platte doos. De verbalisant zag vervolgens dat verdachte met deze doos in zijn armen naar het water wegrende. Bij het water aangekomen gooide verdachte het doosvormige, goudkleurige voorwerp in het water. Twee verbalisanten zijn in het water gegaan en troffen daar de doos aan die verdachte in het water had gegooid. In de doos zaten sieraden die toebehoorden aan [betrokkene 1] , wonende op het adres [a-straat 1] te [plaats] , het huis waar die nacht was ingebroken. [betrokkene 1] heeft verklaard dat naast de sieraden ook geld is weggenomen uit haar woning.
Uit het proces-verbaal van het forensisch onderzoek in de woning van [betrokkene 1] , blijkt dat gepoogd is de voordeur te forceren middels cilinder-trekken. Aan de rechterzijde van de woning was een uitzetraam van de woonkamer geforceerd. Hier waren meerdere braaksporen zichtbaar. Verbalisanten die de auto hebben onderzocht waarin verdachte en de medeverdachten reden, hebben verklaard dat zij in het voertuig een tas aantroffen waarin onder andere een cilindertrekker, meerdere schroevendraaiers, trekschroeven, bouwsleutels, een steeksleutel, een handratel en een busje slotspray zaten.
Op grond van het voorgaande - in onderling verband en samenhang beschouwd - is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering in de zin dat alle verdachten de woning in zijn gegaan, is de samenwerking zo nauw en de bijdrage van verdachte voorafgaand aan, tijdens en ook na afloop van het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Verdachte en de medeverdachten hebben immers gehandeld volgens een vooraf gemaakt gezamenlijk plan om een inbraak te plegen op een plaats die vanuit Amsterdam slechts kon worden bereikt en met de beoogde buit weer verlaten als verdachte hen daarheen zou vervoeren in zijn auto. Zij hadden, voordat ze op pad gingen, de taken al verdeeld en afgesproken dat verdachte een vergoeding zou krijgen voor zijn aandeel. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten samen in de auto van verdachte naar [plaats] gereden. Tijdens de inbraak heeft verdachte onafgebroken telefonisch contact gehad met de medeverdachten die zich in de woning bevonden, zodat hij ze kon waarschuwen indien er iets gebeurde. Na de inbraak zijn verdachte en de medeverdachten samen weggereden in de door verdachte bestuurde auto en bij de staandehouding probeerde verdachte de buit veilig te stellen door de gestolen doos met sieraden in het water te gooien. Het hof acht daarmee de rol van verdachte in het geheel van dusdanig gewicht dat het primair tenlastegelegde medeplegen van diefstal met braak bewezen wordt geacht.”
6. Het hof heeft vervolgens ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 30 augustus tot en met 31 augustus 2019, te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een hoeveelheid geld en sieraden, geheel toebehorende aan [betrokkene 1] , waarbij zijn mededaders zich de toegang tot genoemde woning hebben verschaft door middel van braak.”
7. De steller van het middel voert aan dat de vaststellingen die het hof heeft gedaan over de rol van de verdachte, onvoldoende differentiëren tussen medeplegen en medeplichtigheid. Immers, ook indien iemand als medeplichtige een bijdrage levert, kan sprake zijn van een plan, kan de bijdrage van de verdachte een conditio sine qua non zijn, kan sprake zijn van een taakverdeling en/of een vergoeding. Ook het telefonische contact, het gezamenlijk rijden en het trachten de buit weg te gooien, maakt het volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk dat sprake zou zijn van medeplegen. De vaststellingen van het hof zouden kortom niet zonder meer begrijpelijk maken dat sprake is van medeplegen in plaats van medeplichtigheid. Verder wijst de steller van het middel onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2020 op het feit dat de Hoge Raad weliswaar een relatief groot gewicht toekent aan de uitvoering van een gezamenlijk plan, maar dat die zaak op twee cruciale punten verschilt van de onderhavige zaak. Ten eerste deelde de verdachte in de onderhavige zaak niet mee in de buit, maar zou hij slechts een vergoeding krijgen, wat beter zou passen bij medeplichtigheid. Ten tweede kreeg de verdachte in de onderhavige zaak geld voor benzine, terwijl de verdachte in de zaak uit 2020 juist benzine moest betalen. Het betalen van benzine past volgens de steller van het middel beter bij medeplegen dan bij medeplichtigheid, omdat dit beschouwd kan worden als een investering in het plan om in te breken.
8. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 september 2016 het volgende overwogen over het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid:
“Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.”
In latere rechtspraak van de Hoge Raad is het bestaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan regelmatig genoemd als factor bij de beoordeling of sprake is van medeplegen.
9.