Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2016-04-01
ECLI:NL:PHR:2016:416
Civiel recht
2,471 tokens
Conclusie
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Oost-Nederland
In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat hetzij de officier van justitie zijn verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te laat heeft ingediend, hetzij de rechtbank een dag te laat op het verzoek heeft beslist.
Feiten
1.1.
Op 18 november 2015 heeft de waarnemend burgemeester van Nijmegen ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een last gegeven tot inbewaringstelling als bedoeld in art. 20 lid 1 Wet Bopz. Een afschrift van deze last, met de bijbehorende geneeskundige verklaring, is op donderdag 19 november 2015 door de officier van justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland ontvangen.
1.2.
Bij verzoekschrift, gedateerd 20 november 2015 en ter griffie ingekomen op maandag 23 november 2015, heeft de officier van justitie aan de rechtbank Gelderland verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling.
1.3.
Op donderdag 26 november 2015 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, zijn echtgenote, de advocaat van betrokkene, een waarnemer voor de behandelaar, zijnde verpleegkundig specialist, en een verpleegkundige. Namens betrokkene is het verweer gevoerd dat de officier van justitie zijn verzoek te laat heeft ingediend: primair is verzocht de officier om die reden in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren; subsidiair is verzocht het inleidend verzoek om deze reden af te wijzen (p.-v. blz. 2).
1.4.
Bij beschikking van 26 november 2015 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene voor drie weken. De rechtbank verwierp het verweer, overwegend dat “alle termijnen correct in acht zijn genomen”.
1.5.
Namens betrokkene is op 29 januari 2016 beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2Bespreking van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Zo spoedig mogelijk nadat de last tot inbewaringstelling is gegeven, doch in elk geval niet later dan de volgende dag die niet is een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet, zendt de burgemeester aan de officier van justitie een afschrift van zijn beschikking en van de geneeskundige verklaring. Indien de officier van justitie na ontvangst van deze bescheiden van oordeel is dat er grond is voor voortzetting van de inbewaringstelling, doet hij uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van deze stukken die niet is een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, een verzoek aan de rechtbank tot het verlenen van een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). Voor de datum van indiening is bepalend: het tijdstip waarop het (ondertekende) verzoekschrift van de officier van justitie ter griffie is ontvangen.
2.2.
De rechtbank beslist binnen drie dagen, te rekenen vanaf de dag na die van het indienen van het verzoekschrift door de officier van justitie. De Algemene termijnenwet is op deze termijn van toepassing verklaard (art. 29 lid 3 Wet Bopz).
2.3.
De klacht houdt in dat het oordeel dat ‘alle termijnen correct in acht zijn genomen’ rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende gemotiveerd. Volgens de klacht heeft de officier van justitie het inleidend verzoekschrift te laat ingediend. Uit het verzoekschrift van de officier van justitie blijkt immers dat hij de stukken van de burgemeester op 19 november 2015 heeft ontvangen. Hij had volgens art. 27 Wet Bopz uiterlijk de volgende dag, vrijdag 20 november 2015, het verzoek bij de rechtbank moeten indienen. Volgens de beschikking van de rechtbank en de stempelafdruk van de griffie is het verzoek pas op maandag 23 november 2015 bij de rechtbank binnengekomen. Indien zou worden uitgegaan van 20 november 2015 als de datum waarop het inleidend verzoekschrift is ingediend, zou de rechtbank één dag te laat zijn met haar beslissing op het verzoek. In beide gevallen is een klemmende termijn overtreden, aldus het middelonderdeel.
2.4.
In de eerste plaats moet de ontvankelijkheid van het cassatieberoep worden beoordeeld. Het cassatierekest is tijdig ingediend. De omstandigheid dat het tijdvak waarvoor de machtiging is verleend al was verstreken toen het cassatieberoep werd ingediend, staat op zich niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep.
2.5.
Het cassatieberoep is gericht tegen een rechterlijke beschikking op een verzoek als bedoeld in art. 27 Wet Bopz. Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Bopz staat tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel open. Naar vaste rechtspraak kan een rechtsmiddelenverbod worden doorbroken indien in cassatie erover wordt geklaagd dat de rechter in de vorige instantie het desbetreffende artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, ten onrechte heeft toegepast (dan wel buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden) of met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast. Voor een doorbreking van dit rechtsmiddelenverbod op de grond dat essentiële vormen zijn verzuimd, is nodig dat aan de klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, zoals in geval van veronachtzaming van het beginsel van hoor en wederhoor. In de rechtspraak over vrijheidsbeneming op grond van de Wet Bopz zijn bovendien klachten ontvankelijk geacht die betrekking hadden op het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald. Zo is, onder meer, een psychiatrisch onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, zoals vereist in de jurisprudentie van het EHRM over art. 5, lid 1 onder e, EVRM, door de Hoge Raad opgevat als een zodanige essentiële waarborg tegen willekeurige vrijheidsbeneming. Alleszins verdedigbaar is het standpunt dat ook de termijn waarbinnen de officier van justitie een verzoek moet indienen tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, tot de essentiële waarborgen moet worden gerekend. Daarvan uitgaande, kan betrokkene worden ontvangen in de klachten zoals samengevat in alinea 2.3 hiervoor.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1.
Waar de datum van ontvangst ter griffie van de rechtbank bepalend is voor de vraag of een verzoekschrift tijdig is ingediend, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat de officier van justitie het inleidend verzoekschrift te laat heeft ingediend. Het oordeel van de rechtbank dat alle termijnen correct in acht zijn genomen is dan ook in strijd met art. 27 Wet Bopz, dan wel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De klacht is derhalve gegrond. Op de klacht over een mogelijke overschrijding van de wettelijke beslistermijn voor de rechtbank behoef ik niet meer in te gaan.
3.2.
Onder de vroegere Krankzinnigenwet heeft zich een vergelijkbaar geval voorgedaan. In HR 3 maart 1989 ging het om een patiënt die op 21 november 1988 in bewaring was gesteld, waarna de officier van justitie eerst op 1 december 1988 een bevel tot voortzetting van de inbewaringstelling had gevorderd. De Hoge Raad overwoog toen:
“Zulk een termijnoverschrijding heeft, anders dan het middel betoogt, niet tot gevolg dat de President niet meer op de daartoe strekkende vordering van de officier voortzetting van de inbewaringstelling kan bevelen. Dat betekent overigens niet dat die termijnoverschrijding geen enkele consequentie zou hebben: het is een omstandigheid die de President bij zijn beslissing omtrent de voortzetting van de inbewaringstelling in aanmerking kan nemen, bijv. door – zoals de President hier heeft gedaan – bij het bepalen van de termijn van de voortzetting rekening te houden met de sedert de inbewaringstelling verstreken tijd, of, indien de omvang van de termijnoverschrijding in verband met de termijnen van art.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover daarin een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend voor de volle termijn, als bedoeld in art. 30 Wet Bopz.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a-g
Zie art. 25 Wet Bopz; over niet-naleving van dit voorschrift is in cassatie niet geklaagd.
Zie Wet Bopz (W.J.A.M. Dijkers) art. 27 aant. C3; vgl. onder de vroegere Krankzinnigenwet: HR 31 augustus 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4853, NJ 1985/52.
Vgl. (de conclusie van mijn ambtgenoot Wuisman vóór) HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3335, JVggz 2016/1 m.nt. W. Dijkers.
Zie onder meer: HR 20 november 2015, reeds aangehaald in de vorige voetnoot (n.a.v. een ontoereikende oproeping).
Vgl. HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003: AF3450, NJ 2003/484; HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375, NJ 2008/607 m.nt. J. Legemaate, rov. 3; HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1753, JVggz 2015/22; HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2985, NJ 2014/472, JVggz 2014/41.
HR 3 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8334, NJ 1989/453.
Zie rov. 3.4.2 van HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842, NJ 2015/218, JVggz 2015/12.
In gelijke zin: SDU Commentaar Wet Bopz (W.J.A.M. Dijkers), art. 27, aant. C3.