Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2016-10-04
ECLI:NL:PHR:2016:1157
Strafrecht
2,029 tokens
=== CONCLUSIE ===
[betrokkene]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Arnhem) heeft bij arrest van 7 augustus 2015 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 2.632,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,00.
Namens de betrokkene heeft mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld.
De onderhavige ontnemingszaak kent in de procesgang een voorgeschiedenis. Het hof had al eerder, op 15 februari 2012, uitspraak gedaan, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 12 april 2011. In zijn arrest van 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357, NJ 2013/75 heeft de Hoge Raad deze uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zou worden berecht en afgedaan. Het thans bestreden arrest van het hof is daarvan het vervolg.
Het middel klaagt dat het hof “het rechtsgevolg verbonden aan de (onjuist) vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn” onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van 24 juli 2015 heeft de raadsman van de betrokkene aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn op schrift gestelde en aan dat proces-verbaal gehechte berekening van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit deze berekening, die met de hand en door middel van steekwoorden geschreven is, meen ik te kunnen opmaken dat de raadsman op ’s hofs terechtzitting heeft betoogd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn en dat dit dient te leiden tot een korting van tenminste 10% op het geschatte ontnemingsbedrag. Kennelijk heeft het hof het verweer van de raadsman ter zake ook als zodanig opgevat, gezien zijn volgende overwegingen:
“Omvang betalingsverplichting
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de omvang van de betalingsverplichting, wegens de overschrijding van de redelijke termijn, gematigd moet worden tot een bedrag van 2.000 euro.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat de omvang van de betalingsverplichting dientengevolge moet worden gematigd met een percentage van minstens tien procent.
(…)
Oordeel hof
Nu het hof het vonnis van de eerste rechter heeft bevestigd ten aanzien van de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, komt het hof -evenals de rechtbank - tot een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van 2.632 euro.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in de onderhavige zaak in de fase van het huidige hoger beroep met ongeveer twee maanden is overschreden. Gelet op de lange duur van de totale procedure, maar voorts in aanmerking nemende dat sprake is van een zeer beperkte overschrijding van de redelijke termijn, ziet het hof aanleiding om de betalingsverplichting te matigen tot een bedrag van 2.500 euro.”
6. In het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:
“Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter
3.7.
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vóór de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:
a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.
b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.
3.8.
Bij deze toetsing geldt als uitgangspunt dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van art. 6, eerste lid, EVRM. Hij behoeft in zijn uitspraak echter alleen in de volgende gevallen te doen blijken van dat onderzoek:
a. Als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.
b. (…)
Duur van de redelijke termijn
3.13.1.
De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:
a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.
b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.
c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.
3.13.2.
In ontnemingszaken komt daar als bijzonderheid bij:
d. dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e, eerste lid, Sr mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid, en
e. dat de ontnemingszaak, naar volgt uit art. 511b, eerste lid, Sv, zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt.
3.14.
Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13.1 vermeld.
(…)
3.16.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens de onder 3.13 vermelde bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.
(…)
Rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn
(…)
3.22.
De vermindering van de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.