Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-09-24
ECLI:NL:PHR:2024:926
Strafrecht
1,378 tokens
=== CONCLUSIE ===
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 22 juni 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle wegens "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening", veroordeeld tot een geldboete van € 300,00. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.P. van der Graaf, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het hof “ten onrechte heeft volstaan met een aantekening mondeling arrest, althans dat dit aantekening mondeling arrest niet aan de wettelijke voorschriften voldoet”, waardoor het bestreden arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
3.1
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘aantekening mondeling arrest’ van 22 juni 2022. Het betreft een aantekening als bedoeld in art. 426, eerste lid, Sv (een zogenaamd stempelarrest). Het stempelarrest vermeldt de gegevens die zijn vermeld in art. 426, tweede lid, Sv en in de Regeling betreffende het stempelvonnis (Stcrt. 1996, 197).
3.2
Indien een gewoon rechtsmiddel wordt aangewend, dient op grond van art. 425, derde lid, Sv het arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting te worden aangetekend op de wijze voorgeschreven in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep (Stcrt. 1996, 197). Een dergelijk in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend arrest bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.
3.3
Het middel gaat er vanuit dat, aangezien een op grond van art. 425, derde lid, Sv aangetekend arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, een dergelijk arrest door het hof niet is opgemaakt. Alvorens te klagen dat het hof ten onrechte heeft volstaan met het opmaken van, kort gezegd, een stempelarrest, was het, ingevolge art. 4.3.6.3. Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, aan de raadsman om binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling in te dienen bij de rolraadsheer.In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsman een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
3.4
In de toelichting op het middel wordt door de steller van het middel een beroep gedaan op HR 23 november 21, ECLI:NL:HR:2021:1705. In die zaak casseerde de Hoge Raad, met verwijzing naar de conclusie van A-G Hofstee. Ik meen dat de omstandigheden in die zaak evenwel anders lagen. In die zaak kon met vrucht worden geklaagd dat het hof ten onrechte had volstaan met het opmaken van een stempelarrest, althans dat ’s hofs aantekening van het mondelinge arrest niet aan de daaraan gestelde eisen voldeed, omdat zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding een stempelarrest van 12 november 2020 bevond en daarnaast een proces-verbaal ter terechtzitting van diezelfde datum, waarin geen arrest op de in art. 425, derde lid, Sv voorgeschreven wijze was aangetekend. De onderhavige zaak laat zich naar mijn oordeel in de kern beter vergelijken met HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:43. In die zaak werd geklaagd dat zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken een stempelvonnis van de kantonrechter bevond (art. 395a Sv), maar niet het proces-verbaal van terechtzitting waarin het vonnis op de wijze zoals voorgeschreven in art. 395, tweede lid, Sv was aangetekend. De Hoge Raad verklaarde het beroep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk, omdat niet was gebleken dat de raadsman met betrekking tot het in het middel genoemde stuk een verzoek om aanvulling bij de rolraadsheer had ingediend.
3.5
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 4 juli 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan € 1.000,00, kan worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495 m.nt. Borgers.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.